11 Hoorcolleges
Titel Hoorcolleges:
1. Introductiecollege
2. Beleidsvragen in de gezondheidseconomie
3. Contracteren van zorg
4. Relatieve efficiëntie
5. Kwaliteit van zorg
6. Relatieve efficiëntie deel 2
7. Praktijkvariatie, theorie
8. Gepaste zorg
9. Economische evaluaties
10. Economische evaluaties deel 2
11. Verzekeringstheorie en Eigen Betalingen
Juni 2020.
, 1
HC 1: Introductiecollege
Leerdoelen cursus:
1) De economische concepten van het meten van de (relatieve) efficiëntie van
zorgaanbieders toepassen en de efficiëntie van zorgaanbieders analyseren.
2) Het concept praktijkvariatie uitleggen, diverse typen zorginkoop contracten vergelijken en
evalueren wanneer zorginkoop kan leiden tot doelmatige zorgverlening.
3) De basisprincipes van standaardisatie-methoden toepassen en de resultaten van een
vergelijking op basis van kwaliteit van zorg analyseren.
4) De basisprincipes van economische evaluaties toepassen en de resultaten van een
economische evaluatie analyseren.
5) De basisprincipes van verzekeringstheorie toepassen en een optimale zorgverzekering
evalueren.
In gezondheidszorgbeleid staan de publieke doelen centraal:
● Kwaliteit
○ Gezondheid
○ Beleving zorg
● Toegankelijkheid
○ Regio, etniciteit, geslacht, geloof, taal, inkomen, vermogen, opleiding
● Betaalbaarheid
○ Collectieve lasten gaan ten koste van betaalbaarheid
ECONOMISCHE BEGRIPPEN Micro-economie:
● Schaarste = meer behoefte dan er tijdelijk beschikbaar is of aangeboden wordt.
● Keuzes; als we voor het een kiezen laten we het andere liggen.
● Geld; nooit oneindig anders zal er geen schaarste zijn. Als we geld aan de zorg
geven, geven we het niet aan het onderwijs. Geld zien we als de mate waarin de
samenleving of individuen andere zaken opofferen, als we geld voor iets uitgeven
vinden we het waard om daarvoor geld uit te geven.
Behoefte + koopkracht = vraag, vraag geeft de relatie aan tussen prijs en hoeveelheid.
- Hoeveelheid (Q) aan de horizontale as, x-as.
- Prijs (P) op de verticale as, y-as.
Concurrentie zorgt ervoor dat de prijs niet helemaal oploopt (winst onder druk) maar ook
ervoor dat je zorgt dat de consument steeds meer waar voor zijn geld werkt.
- Monopolie (geen concurrenten) kan concurrentie verpesten.
Prijszetter = monopolist, geen last van concurrenten = imperfecte concurrentie; het deel
dat je steeds meer waar voor je geld krijgt ontbreekt. (Veel bij gezondheidszorg)
Productiefactoren = kapitaal, arbeid, natuur, ondernemerschap (KANO).
, 2
Marktfalen en de rol van de overheid:
Markt faalt bijvoorbeeld bij solidariteit, externe effecten. Er zijn redenen waardoor markten
niet leiden tot optimale uitkomsten en dan is de rol van de overheid belangrijk.
HC 2: Beleidsvragen in de gezondheidseconomie
Leerdoelen (student heeft kennis van):
● de opbrengsten van zorg
● de kosten van zorg
● de motieven om zorg te verzekeren
● verschillende beleidsalternatieven
● het effect van financiële prikkels op het leveren van (on)gepaste zorg.
De volgende beleidsthema’s komen aan bod:
❏ Hoe bepalen we in hoeverre de zorg verstrekt door zorgaanbieders doelmatig is?
❏ Hoe ondersteunen we zorgaanbieders om zorg op doelmatige wijze te verstrekken?
❏ Hoe kunnen we de kwaliteit van zorg verstrekt door zorgaanbieders vergelijken en
beoordelen?
❏ Hoe bepalen we welke interventies (bijvoorbeeld medische behandelingen en
geneesmiddelen) worden vergoed via de basisverzekering?
❏ Hoe kunnen we zorgverzekeringen ontwerpen die bijdragen aan de toegankelijkheid
van zorg?
Selectie van technieken hoort bij beleidsvragen. Per techniek zijn er beleidsvragen.
Beleidsvragen:
1. Contracteren van zorg; moet zorg bekostigd worden?
a. Wat voor effect heeft de bekostiging op de zorg?
b. P*Q of budgetten, of?
c. Dan toch maar actief sturen via inkoop, en zo ja hoe dan?
2. Relatieve efficiëntie; op de markt is er een prikkel tot doelmatige productie.
a. Hoe zit dat in de zorg, bij verpleeghuizen is er geen prikkel nodig om
verpleeghuizen vol te krijgen.
b. Kan het beter, en hoe komen we daar dan achter?
3. Praktijkvariatie; als dezelfde patiënt in de ene regio andere zorg krijgt dan in de
andere, dan spreken we van regionale variatie oftewel praktijkvariatie.
a. Wat is dezelfde patiënt? Want een en dezelfde patiënt kan niet twee keer
behandeld worden.
b. Wat zegt praktijkvariatie ons eigenlijk? Vaak is een andere methode niet
perse goedkoper of beter.
4. Gepaste zorg; optimale zorg is zorg op basis van de beste inzichten, aangepast aan
de voorkeuren van de patiënt.
a. Toch krijgt zij dat vaak niet. Waarom niet eigenlijk?
5. Machine learning; klassieke statistiek is hypothesetoetsend, maar hoe leer je
computer verbanden zien die complex van aard zijn, zoals taal en beeldherkenning?
a. En kunnen we deze inzichten ook gebruiken in de zorg?
, 3
6. Kwaliteit van zorg; de uitkomsten variëren sterk tussen ziekenhuizen. De variatie is
de HSMR (Hospitality Standardisation Mortality Ratio) was een factor 4, na correctie
voor case-mix dus.
a. Maar wat is kwaliteit eigenlijk, en kun je dat wel meten?
7. Economische evaluatie; niet alles wat kan, is ook betaalbaar. We moeten keuzes
maken voor het basispakket.
a. Op basis van wat kunnen we kiezen?
b. Hoe komt die informatie tot stand?
c. En zitten we dan niet op de stoel van God, als wij bepalen welke
behandelingen wel worden vergoed en welke niet, bepalen wij dan niet
eigenlijk wie overleeft en wie er dood gaat?
8. Verzekeringstheorie; niet iedereen wordt even ziek, en niet iedere ziekte is kostbaar
om te behandelen.
a. Van te voren weten we weinig, en is er zowel risico (je weet de kansen) als
onzekerheid (de kansen zijn niet goed te voorspellen).
b. Zijn mensen risico-avers, en willen ze een verzekering afsluiten?
c. Heeft een verzekering effect op gedrag?
HC 3: Contracteren van zorg
Leerdoelen (de student heeft kennis van):
● Diverse zorginkoop contracten onderscheiden en onderling vergelijken.
● In gegeven situaties, verschillende zorginkoop contracten toepassen en evalueren
wanneer zorginkoop kan leiden tot doelmatige zorgverlening.
Hoofdvraag:
Hoe sluiten we zorg aan om de juiste hoeveelheid zorg te stimuleren?
Gezondheidszorgsector overzicht:
Healthcare providers zijn ziekenhuizen, general practitioners, farmacie? Bij primaire care:
psychologisten, secundaire care: hospitals en tertiaire care: verpleeghuizen.
Wie heeft de onderhandelingspositie?
Providers/ aanbieders/ leveranciers hebben de meeste onderhandelings ‘kracht’.
● Aanbieders (vooral artsen) hebben een informatievoordeel (medisch onderwijs) over
alle andere partijen.