Inleiding in de Psychologie
Hoorcollege 1 – Week 1
Hoofdstuk 1: Foundations for the study of Psychology
Three fundamental ideas (geschiedenis)
Lichamelijke oorzaak van gedrag
Dualisme: lichaam (materieel, kan wetenschappelijk worden onderzocht) en ziel (immaterieel, kan niet
wetenschappelijk worden onderzocht), hoort bij de kerk voor de 18e eeuw
Cartesiaans dualisme: de pijnappelkier is de plaats van interactie tussen lichaam en ziel. De ziel is
alleen nodig voor puur menselijke handelingen (denken), de ziel kan het lichaam beïnvloeden.
Ruimte voor wat we weten over zintuigen en zenuwstelsel, ruimte voor ons gevoel ‘dat er
meer is’, maar het biedt maar zeer beperkte verklaringen (hoe kan immaterieel iets
interacteren met een materieel iets, het plaatst onderwerpen buiten de wetenschap.
Hobbes, materialisme: alles is materieel, de ziel is een betekenisloos concept, alle menselijke
gedragingen kunne worden gezien als het resultaat van fysieke processen
Paul Broca, klinische neuropsychologie: schade aan verschillende gebieden van de hersenen leidt tot
verschillende beperkingen in het gedrag -> geen vaardigheden behalve spraak worden beperkt ->
grote invloed op neurowetenschappen
Rol van ervaring
Empirisme, John Locke: kennis en cognitie komen voort uit zintuiglijke ervaring
De mens wordt geboren als tabula rasa. Gedachten zijn een direct gevolg van blootstelling aan de
omgeving (niet het product van een ziel of vrije wil).
Association by contiguity: concepten nabij in plaats of tijd worden geässocieerd
Nativisme: er moet een mechanisme in een organisme zijn voor waarneming, verwerking, opslag etc.
Immanuel Kant: a priori (aangeboren – tijd en geluid), a posteriori (aangeleerd, ervaring)
Rol van natuurlijke selectie
Charles Darwin, functionalisme: menselijk gedrag is ontstaan in de loop van de evolutie
Organismen verschillen in fitness door mutatie
Individuen die meer nageslacht produceren geven hun genotype (en fenotype) door.
The scope of psychology
Acht perspectieven
Relatie met andere disciplines
Gedrag verklaar door: evolutie, genen, zenuwstelsel, ontwikkeling, leren, kennis/overtuigingen, de
anderen, cultuur
Evolutionaire psychologie: hoe/waarom is bepaald gedrag in de loop van de evolutie ontstaan? Welk
gedrag verhoogt kans op overleven en voortplanten?
Gedragsgenetica: hoe groot is de bijdrage van de genen aan de variabiliteit van een eigenschap?
Biopsychologie/neurowetenschap: welke delen van het zenuwstelsel zijn betrokken bij welk gedrag?
Ontwikkelingspsychologie: gedragsverandering met leeftijd
Leerpsychologie: verandering van gedrag door ervaring
Cognitieve psychologie: gedrag verklaren vanuit mentale processen – denken, overtuigingen,
herinneringen, bewust en onbewust. Herinnering kan beïnvloed worden door latere ervaringen.
Sociale psychologie: gedrag verklaren vanuit invloed van sociale omgeving, sociale druk
Culturele psychologie: gedrag verklaren vanuit de cultuur waarin je leeft
Hoofdstuk 2: Methods of Psychology
Wetenschap: het beantwoorden van vragen door het systematisch verzamelen en analyseren van
observeerbare data.
Pseudowetenschap: fenomenen of disciplines die pretenderen wetenschappelijk te zijn (astrologie,
acupunctuur).
• Operationalisatie van begrippen
• Falsifieerbaarheid (hoe kan het worden verworpen)
• Actiemechanismen (hoe, waarom)
Een samenhang (correlatie) betekent niet noodzakelijk een oorzakelijk (causaal) verband.
,Correlatie: statistisch verband
Causatie: verandering in de ene variabele -> verandering in de andere variabele
Niet iedere theorie is toetsbaar.
Opvattingen veranderen over tijd.
Vroeger wel -> nu niet meer
Vroeger niet -> nu weer wel
Vroeger onmogelijk -> nu …?
Niet iedere test is een goede test.
Kritisch blijven is van belang.
Observer-expectancy effect: ongewenste beïnvloeding van het resultaat door de onderzoeker
Subject-expectancy effect: ongewenste beïnvloeding van het resultaat door de proefpersoon
(placebo)
,Hoorcollege 2 - Week 2
Genen: de basis
De mens heeft 46 chromosomen (23 paren) in elke celkern. Deze zijn gemaakt van een DNA-
molecuul en histonen (eiwitten). Een ‘gen’ is een stukje DNA. Een mens heeft ongeveer 20.000-
25.000 genen.
Genen beïnvloeden de productie van eiwitmoleculen.
• Coderende genen (20%): de soort eiwit
• Regulator genen (80%): het gen die aan moet staan
(want je neus moet niet op je arm komen)
Genen produceren en reguleren gedrag niet direct.
Omgevingsfactoren beïnvloeden gen activatie.
Dus bijvoorbeeld je dieet, veel sporten, stress (en daardoor hormonen).
Verschillen in DNA kunnen niet alles verklaren. De omgevingsfactoren spelen een belangrijke rol.
• Variatie binnen de groep: genetisch
• Variatie tussen de groepen: omgeving
Genotype: de set genen die je hebt, onafhankelijk van de omgeving
Fenotype: observeerbare fysieke eigenschappen of gedrag van het organisme, wel afhankelijk van de
omgeving.
Zelfs identiek genotype (meerling, kloon) kan tot verschillende fenotypes leiden.
Epigenetica: het overerfbare wat niet terug te vinden is in het DNA, maar wel ontstaat door
omgevingsfactoren die meegaan met generaties (trauma, prenatale stress). Dan zijn
omgevingsinvloeden dus erfelijk.
Erfelijkheid en gedrag
Er zijn 23 paren chromosomen: de helft van je moeder, de helft van je vader.
Hoe ontstaat er dan variatie?
• Mitose: de cel repliceert en deelt eenmalig (exacte kopie van alle lichaamscellen)
, • Meiose: cel repliceert en deelt tweemaal (willekeurige uitwisseling van genen, eicellen en
zaadcellen)
Twee genen die op dezelfde plek (locus) in het DNA zitten zijn allelen. Sommige genen zijn dominant,
ander recessief.
Mendeliaanse overerving:
• Single gene eigenschappen
• Belangrijk: er ontstaan nooit nieuwe soorten, het gaat om variatie binnen de soort
Waarom bestaan recessieve aandoeningen?
• Sikkelcelanemie: malaria
• Tay Sachs: tuberculose
• Taaislijmziekte: cholera
Polygenetisch: samenwerking van meerdere genen bij de vorming van een fenotype
Selectief doorfokken:
Hoorcollege 1 – Week 1
Hoofdstuk 1: Foundations for the study of Psychology
Three fundamental ideas (geschiedenis)
Lichamelijke oorzaak van gedrag
Dualisme: lichaam (materieel, kan wetenschappelijk worden onderzocht) en ziel (immaterieel, kan niet
wetenschappelijk worden onderzocht), hoort bij de kerk voor de 18e eeuw
Cartesiaans dualisme: de pijnappelkier is de plaats van interactie tussen lichaam en ziel. De ziel is
alleen nodig voor puur menselijke handelingen (denken), de ziel kan het lichaam beïnvloeden.
Ruimte voor wat we weten over zintuigen en zenuwstelsel, ruimte voor ons gevoel ‘dat er
meer is’, maar het biedt maar zeer beperkte verklaringen (hoe kan immaterieel iets
interacteren met een materieel iets, het plaatst onderwerpen buiten de wetenschap.
Hobbes, materialisme: alles is materieel, de ziel is een betekenisloos concept, alle menselijke
gedragingen kunne worden gezien als het resultaat van fysieke processen
Paul Broca, klinische neuropsychologie: schade aan verschillende gebieden van de hersenen leidt tot
verschillende beperkingen in het gedrag -> geen vaardigheden behalve spraak worden beperkt ->
grote invloed op neurowetenschappen
Rol van ervaring
Empirisme, John Locke: kennis en cognitie komen voort uit zintuiglijke ervaring
De mens wordt geboren als tabula rasa. Gedachten zijn een direct gevolg van blootstelling aan de
omgeving (niet het product van een ziel of vrije wil).
Association by contiguity: concepten nabij in plaats of tijd worden geässocieerd
Nativisme: er moet een mechanisme in een organisme zijn voor waarneming, verwerking, opslag etc.
Immanuel Kant: a priori (aangeboren – tijd en geluid), a posteriori (aangeleerd, ervaring)
Rol van natuurlijke selectie
Charles Darwin, functionalisme: menselijk gedrag is ontstaan in de loop van de evolutie
Organismen verschillen in fitness door mutatie
Individuen die meer nageslacht produceren geven hun genotype (en fenotype) door.
The scope of psychology
Acht perspectieven
Relatie met andere disciplines
Gedrag verklaar door: evolutie, genen, zenuwstelsel, ontwikkeling, leren, kennis/overtuigingen, de
anderen, cultuur
Evolutionaire psychologie: hoe/waarom is bepaald gedrag in de loop van de evolutie ontstaan? Welk
gedrag verhoogt kans op overleven en voortplanten?
Gedragsgenetica: hoe groot is de bijdrage van de genen aan de variabiliteit van een eigenschap?
Biopsychologie/neurowetenschap: welke delen van het zenuwstelsel zijn betrokken bij welk gedrag?
Ontwikkelingspsychologie: gedragsverandering met leeftijd
Leerpsychologie: verandering van gedrag door ervaring
Cognitieve psychologie: gedrag verklaren vanuit mentale processen – denken, overtuigingen,
herinneringen, bewust en onbewust. Herinnering kan beïnvloed worden door latere ervaringen.
Sociale psychologie: gedrag verklaren vanuit invloed van sociale omgeving, sociale druk
Culturele psychologie: gedrag verklaren vanuit de cultuur waarin je leeft
Hoofdstuk 2: Methods of Psychology
Wetenschap: het beantwoorden van vragen door het systematisch verzamelen en analyseren van
observeerbare data.
Pseudowetenschap: fenomenen of disciplines die pretenderen wetenschappelijk te zijn (astrologie,
acupunctuur).
• Operationalisatie van begrippen
• Falsifieerbaarheid (hoe kan het worden verworpen)
• Actiemechanismen (hoe, waarom)
Een samenhang (correlatie) betekent niet noodzakelijk een oorzakelijk (causaal) verband.
,Correlatie: statistisch verband
Causatie: verandering in de ene variabele -> verandering in de andere variabele
Niet iedere theorie is toetsbaar.
Opvattingen veranderen over tijd.
Vroeger wel -> nu niet meer
Vroeger niet -> nu weer wel
Vroeger onmogelijk -> nu …?
Niet iedere test is een goede test.
Kritisch blijven is van belang.
Observer-expectancy effect: ongewenste beïnvloeding van het resultaat door de onderzoeker
Subject-expectancy effect: ongewenste beïnvloeding van het resultaat door de proefpersoon
(placebo)
,Hoorcollege 2 - Week 2
Genen: de basis
De mens heeft 46 chromosomen (23 paren) in elke celkern. Deze zijn gemaakt van een DNA-
molecuul en histonen (eiwitten). Een ‘gen’ is een stukje DNA. Een mens heeft ongeveer 20.000-
25.000 genen.
Genen beïnvloeden de productie van eiwitmoleculen.
• Coderende genen (20%): de soort eiwit
• Regulator genen (80%): het gen die aan moet staan
(want je neus moet niet op je arm komen)
Genen produceren en reguleren gedrag niet direct.
Omgevingsfactoren beïnvloeden gen activatie.
Dus bijvoorbeeld je dieet, veel sporten, stress (en daardoor hormonen).
Verschillen in DNA kunnen niet alles verklaren. De omgevingsfactoren spelen een belangrijke rol.
• Variatie binnen de groep: genetisch
• Variatie tussen de groepen: omgeving
Genotype: de set genen die je hebt, onafhankelijk van de omgeving
Fenotype: observeerbare fysieke eigenschappen of gedrag van het organisme, wel afhankelijk van de
omgeving.
Zelfs identiek genotype (meerling, kloon) kan tot verschillende fenotypes leiden.
Epigenetica: het overerfbare wat niet terug te vinden is in het DNA, maar wel ontstaat door
omgevingsfactoren die meegaan met generaties (trauma, prenatale stress). Dan zijn
omgevingsinvloeden dus erfelijk.
Erfelijkheid en gedrag
Er zijn 23 paren chromosomen: de helft van je moeder, de helft van je vader.
Hoe ontstaat er dan variatie?
• Mitose: de cel repliceert en deelt eenmalig (exacte kopie van alle lichaamscellen)
, • Meiose: cel repliceert en deelt tweemaal (willekeurige uitwisseling van genen, eicellen en
zaadcellen)
Twee genen die op dezelfde plek (locus) in het DNA zitten zijn allelen. Sommige genen zijn dominant,
ander recessief.
Mendeliaanse overerving:
• Single gene eigenschappen
• Belangrijk: er ontstaan nooit nieuwe soorten, het gaat om variatie binnen de soort
Waarom bestaan recessieve aandoeningen?
• Sikkelcelanemie: malaria
• Tay Sachs: tuberculose
• Taaislijmziekte: cholera
Polygenetisch: samenwerking van meerdere genen bij de vorming van een fenotype
Selectief doorfokken: