Hoofdstuk 1 – Inleiding
Publiekrecht: eenzijdige besluiten tussen de overheid (enkel als de overheid een bevoegdheid
uitoefent die alleen de overheid heeft), burgers en bedrijven staatsrecht, bestuursrecht en
strafrecht.
- Overheid: de staat, provincie, waterschap, gemeente + openbare lichamen zoals zelfstandige
bestuursorganen (bijv. KvK, CBR, SER).
- Burgers: natuurlijke personen.
- Bedrijven: rechtspersonen (bijv. stichting, besloten vennootschap).
Ongeschreven recht in publiekrecht: vertrouwensregel vertrouwen door kabinet in Tweede en
Eerste kamer. Zo niet motie van wantrouwen.
Publiekrecht, vooral dwingend recht kan niet van worden afgeweken.
Regelgeving: blz. 20! regels van hogere orde hebben voorrang op lagere orde (zie blz. 26!)
Wet in formele zin: wet die door samenwerking tussen regering en Staten-Generaal tot stand komt.
- Zit het woordje ‘wet’ in.
- Heet de regeling “besluit” dan is het nooit een wet in formele zin.
Wet in materiële zin: een wet met regels die voor iedereen verbindend zijn.
- Voor een wet in formele zin kijk je naar de wijze van totstandkoming.
- Voor een wet in materiële zin kijk je naar de inhoud van de regeling.
Objectief recht: alle geschreven en ongeschreven rechtsregels bij elkaar.
Subjectief recht: bevoegdheid of recht dat een (rechts)persoon aan het objectieve recht ontleent.
Formeel recht:
- Om het materiaal recht te handhaven, (hoe verwezenlijk ik mijn subjectief recht?);
- Vormvoorschriften in een wettelijke bepaling en waaraan voldaan moet worden (procedures
en procesrecht).
Materieel recht: inhoud van de rechtsregel.
Jurisprudentie: alle rechterlijke uitspraken.
- Uitspraken: uitspraken van bestuursrechters.
- Vonnissen: uitspraken van rechters in de rechtbank (privaatrechtelijke zaken).
- Arresten: uitspraken van rechters in gerechtshoven of de Hoge Raad.
Interpretatiemethoden:
- Grammaticaal: aangesloten bij het normale taalgebruik.
- Wetshistorisch: kijken naar de wets- of rechtsgeschiedenis.
- Systematisch: hoe is de regeling opgebouwd en daar worden conclusies aan verbonden.
- Teleologisch: kijken naar de bedoeling van de wetgever.
Redeneerwijzen:
- A-contrario: uit het feit dat iets uitdrukkelijk wel geregeld is, wordt afgeleid dat regels dus
niet van toepassing zijn in niet geregelde gevallen (bijv. dakkapel achter wel, voor niet).
- Analogie: rechter beoordeelt een kwestie die niet geregeld is in de wet, maar wel veel lijkt
op een kwestie die wel geregeld is, door de regels voor de wel geregelde kwestie van
toepassing te verklaren op de niet geregelde kwestie.
,Hoofdstuk 2 – Staatsrecht
Een staat wordt gevormd door een (1) afgebakend grondgebied waarop (2) een gemeenschap van
mensen leeft. Dat binnen dat grondgebied en over die gemeenschap van mensen oefent (3) een
centrale overheid (een in hoge mate soeverein gezag) gezag uit. Deze drie elementen tezamen
vormen de kenmerken van een staat.
NL is een constitutionele monarchie er is een koning die geen absolute macht heeft, hij moet zich
ook aan de wet houden.
Klassieke grondrecht (art. 1-18 GW): bijv. vrijheid van meningsuiting of godsdienst.
Sociale grondrecht (art. 19-23 GW): bijv. overheid zorgt voor voldoende werkgelegenheid.
- Op klassieke grondrechten kan men zich juridisch beroepen, op sociale grondrechten niet.
- Bij klassieke grondrechten mag de overheid zich er niet mee bemoeien, bij sociale
grondrechten moeten zij juist wel in actie komen.
Legaliteitsbeginsel: het overheidsoptreden dient te zijn gebaseerd op een wettelijke grondslag.
- Openbare lichamen: hebben doorgaans rechtspersoonlijkheid (zie 2:1 BW).
- Bestuursorganen: verschillende organen vanuit de openbare lichamen die zorgen dat het
lichaam zijn werk kan doen.
Staten-Generaal (Eerste en Tweede kamer) + regering (Koning en ministers) vormen de wetgever in
formele zin formele wetgever (art. 81 GW).
Wetgevingsprocedure: art. 82-88 GW recht van initiatief voor regering en Tweede Kamer.
Wetsvoorstel wordt door de regering tezamen met het verplichte advies van de Raad van State naar
de Tweede Kamer gestuurd (art. 73 + 83 GW).
Eerste en Tweede kamer hebben de bevoegdheid om:
- Vragen te stellen aan de regering, ministers of staatssecretarissen (art. 68 GW).
- Onderzoek te doen en mensen onder ede te horen recht van enquête (art. 70 GW).
Rechterlijke macht (art. 2 Wet RO):
- Rechtbanken
- Gerechtshoven
- Hoge Raad
*De leden van de rechterlijke macht worden wel benoemd door de regering (art. 117 lid 1 GW).
*Verticale werking van grondrechten: om de individuele vrijheid van burgers tegen de overheid te
borgen.
*Horizontale werking van grondrechten: wanneer horizontale verhoudingen tussen burgers
onderling een rol spelen zo zijn grondrechten niet bedoeld.
Staatsvorm NL: representatieve democratie actief kiesrecht (zelf kiezen) (art. 4 GW).
- Kiezen leden Eerste en Tweede Kamer: art. 53-55 GW.
- Beperkingen van het kiesrecht: art. 54 GW.
- Passief kiesrecht: recht om gekozen te worden.
Indeling van de regering: koning +ministers + staatssecretarissen art. 42-46 GW.
Kabinetsformatie:
, - Informateur: verkent de opties om te komen tot een kabinet dat kan bogen op een
meerderheid in de Tweede Kamer (en liefst ook Eerste Kamer).
- Formateur: werkt aan de samenstelling van het kabinet wordt vaak minister-president.
*Regeerakkoord sluiten (niet verplicht): afspraken over grote en kleine thema’s om de kans op
discussies in de toekomst te verkleinen.
Taken Staten-Generaal:
- Controleren van de regering ministeriële verantwoordelijkheid (art. 42 lid 2 GW).
- Maken van wetgeving (samen met de regering).
Centrale overheid landelijk. Decentrale overheden lokaal (gemeente/provincie).
Decentralisatie: bevoegdheden worden toegekend aan een andere overheid dan de centrale
overheid, waarbij die andere overheid die bevoegdheden zelfstandig uitvoert en niet in
ondergeschiktheid aan die centrale (of hogere) overheid.
- Territoriale decentralisatie: in een bepaald gebied oefent de lokale overheid veel taken uit.
- Functionele decentralisatie: de bevoegdheid is specifiek voor een bepaald beleidsterrein en
ziet toe op heel NL.
Deconcentratie: bevoegdheden worden toegekend aan een hiërarchisch ondergeschikt orgaan, maar
er is wél sprake van ondergeschiktheid. De macht, bevoegdheid en verantwoordelijkheid blijft bij de
Rijksoverheid
Autonomie (art. 124 lid 1 GW): gemeenten en provincies zijn bevoegd hun eigen zaken te regelen.
Medebewind (art. 124 lid 2 GW): centrale overheid kan aan provincies en gemeenten opdragen
bepaalde bevoegdheden uit te voeren een lager orgaan oefent de bevoegdheid van een hoger
orgaan uit, onder verantwoordelijkheid van dat hogere orgaan.
Gemeenteraad, burgemeester college van B&W: A27 Gemw!
Provinciale staten (A28 PW): belangrijkste bevoegdheden zijn het vaststellen van de verordeningen
(art. 143 PW) de autonome verordeningen en de verordeningen die krachtens medebewind door
provinciale staten dienen te worden vastgesteld.
Gedeputeerde staten: het dagelijks bestuur van de provincie commissaris van de Koning is
voorzitter (art. 34 lid 2 PW).
- College van gedeputeerde staten besluit als college collegiale besluitvorming, de
wethouder ‘alleen’ is geen bestuursorgaan.
Commissaris van de Koning is voorzitter van provinciale staten en college van gedeputeerde staten.
Hij is een provinciaal orgaan én een rijksorgaan. Bevoegdheden als provinciaal orgaan art. 175-180
PW).
Waterschappen kennen een algemeen bestuur en een dagelijks bestuur.
- Algemeen bestuur (volksvertegenwoordiging): vertegenwoordigers van categorieën van
belanghebbenden bij de uitoefening van taken van het waterschap (art 12 lid 1 Wschw).
Verdragen: overeenkomsten die tussen twee of meer staten worden gesloten.
De EU is een internationaal samenwerkingsverband. De EU bestaat uit aantal supranationale
instituten, o.a.:
- Europese Commissie: initiatiefnemer wetgeving;
- Europese Hof van Justitie: berechten van geschillen tussen lidstaten en geven prejudiciële
beslissingen;
, - Europese parlement: volksvertegenwoordiging, advies over wetgeving en toezicht op
begroting;
- Europese Rekenkamer: financieel controleur begrotingen;
- Raad van Ministers: beslist over wetgeving.
*Regelgeving van EU is intergouvernementeel (bindend voor lidstaten).
*Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is een voortvloeisel van het EVRM.
*Doel Verdrag van de Europese Economische Gemeenschap: het komen tot een gemeenschappelijke
markt.
*Het EGKS-verdrag is opgegaan in het EG-verdrag.
*Het Verdrag betreffende de werking van de EU ziet voornamelijk toe op regels voor de interne
markt.
*De EU heeft een supranationale rechtsorde EU-wetten hebben voorrang boven nationale wetten.
*Europese Raad: bestaat uit regeringsleiders en staatshoofden.
*Dagelijks bestuur van de EU: de Europese Commissie.
*Voornaamste taak van het Hof van Justitie van de EU: het oordelen over het gedrag van lidstaten in
een verdragsinbreukprocedure.
Het primaire Europese recht: de verschillende verdragen.
Het secundaire Europese recht: de verordeningen, de richtlijnen, de besluiten.
- Verordening is rechtstreeks bindend, hoeft niet (net als een richtlijn) omgezet te worden in
nationale wetgeving.
- De richtlijn is een belangrijk instrument om de nationale wetgeving te harmoniseren. Inhoud
van de richtlijn is bindend, moet wel omgezet worden in nationale wetgeving.
- Besluiten richten zich tot één burger/bedrijf/staat. Besluit is bindend voor degene waaraan
hij geadresseerd is.