Hogeschool taaltoets
Regels:
- Wanneer het woord een bijvoeglijk naamwoord is word deze zo kort mogelijk geschreven.
o De vermelde gegevens bleken niet meer actueel.
- Kijk eerst naar het onderwerp van de zin voor de persoonsvorm in tegenwoordige tijd.
o Ik-vorm: zo kort mogelijk. Die informatie vind je niet op de website.
o Hij/zij-vorm: Zo’n opleiding biedt je goede kansen.
Verander het werkwoord met loopt.
- Persoonsvorm in verleden tijd is altijd zo kort mogelijk.
o Hij reed veel te hard.
- D of T? Kijk of de laatste letter van de persoonsvorm in ’t kofschip zit.
o Er word soms illegaal olie op zee geloosd. loZen zit een Z in en dit zit niet in ‘t
kofschip.
- Staat het woord in de gebiedende wijs? Dan is het altijd zo kort mogelijk.
o Besteed voldoende aandacht aan de voorbereiding van je presentatie.
- Voltooid deelwoord is altijd zo kort mogelijk geschreven. Zonder extra D of T.
o Dat klopte niet met de gegevens die hij vermeld had.
Gezegde is had vermeld. Dus vermeld is voltooid deelwoord.
- Wanneer het woord in de je-vorm staat verander het woord dan voor loop.
o Je vindt daar veel nuttige informatie
Je loopt, je koopt, je vindt.
- Infinitief, het woord staat in het hele werkwoord.
o Hij kon die vraag niet beantwoorden.
- Wanneer het hele werkwoord geen T of D heeft kan het in verleden tijd ook geen dubbel T of
D hebben.
o Hij verraste ons gisteren met een cadeau.
- Wanneer de persoonsvorm in een hij/zij zin staat, dan is het altijd +T. (tegenwoordige tijd)
o Je ziet wel vaker dat het weer snel verandert.
Zinsonderdelen:
- Naamwoordelijk deel: is een deel van het gezegd.
o Hij is toen heel kwaad geworden.
Is kwaad geworden.
- Onderwerp: Zet de zin in een vraag zin. Dit woord komt altijd na het werkwoord.
o Mij lijkt die som niet zo moeilijk.
Lijkt die som mij niet zo moeilijk?
- Persoonsvorm: Komt altijd vooraan in de zin als je de zin vragend maakt.
o Mij lijkt die som niet zo moeilijk.
Lijkt die som mij niet zo moeilijk?
- Lijdend voorwerp: Stel de vraag: Wat + gezegde + onderwerp.
o Dan krijg je het lijdend voorwerp.
- Bijwoordelijke bepaling: Iets vraagt naar de tijd/plaats etc.
o Waar wordt dat eigenlijk vermeld?
- Voorzetselvoorwerp: Wanneer de woorden een vaste combinatie hebben.
o Hij heeft uiteindelijk gekozen voor die studie.
Kiezen voor is een vaste combinatie.
- Bijvoeglijke bepaling: wanneer een woord iets zegt over een ander woord.
o De tuin van de buren wordt opgeknapt.
Zegt iets van de tuin.
Regels:
- Wanneer het woord een bijvoeglijk naamwoord is word deze zo kort mogelijk geschreven.
o De vermelde gegevens bleken niet meer actueel.
- Kijk eerst naar het onderwerp van de zin voor de persoonsvorm in tegenwoordige tijd.
o Ik-vorm: zo kort mogelijk. Die informatie vind je niet op de website.
o Hij/zij-vorm: Zo’n opleiding biedt je goede kansen.
Verander het werkwoord met loopt.
- Persoonsvorm in verleden tijd is altijd zo kort mogelijk.
o Hij reed veel te hard.
- D of T? Kijk of de laatste letter van de persoonsvorm in ’t kofschip zit.
o Er word soms illegaal olie op zee geloosd. loZen zit een Z in en dit zit niet in ‘t
kofschip.
- Staat het woord in de gebiedende wijs? Dan is het altijd zo kort mogelijk.
o Besteed voldoende aandacht aan de voorbereiding van je presentatie.
- Voltooid deelwoord is altijd zo kort mogelijk geschreven. Zonder extra D of T.
o Dat klopte niet met de gegevens die hij vermeld had.
Gezegde is had vermeld. Dus vermeld is voltooid deelwoord.
- Wanneer het woord in de je-vorm staat verander het woord dan voor loop.
o Je vindt daar veel nuttige informatie
Je loopt, je koopt, je vindt.
- Infinitief, het woord staat in het hele werkwoord.
o Hij kon die vraag niet beantwoorden.
- Wanneer het hele werkwoord geen T of D heeft kan het in verleden tijd ook geen dubbel T of
D hebben.
o Hij verraste ons gisteren met een cadeau.
- Wanneer de persoonsvorm in een hij/zij zin staat, dan is het altijd +T. (tegenwoordige tijd)
o Je ziet wel vaker dat het weer snel verandert.
Zinsonderdelen:
- Naamwoordelijk deel: is een deel van het gezegd.
o Hij is toen heel kwaad geworden.
Is kwaad geworden.
- Onderwerp: Zet de zin in een vraag zin. Dit woord komt altijd na het werkwoord.
o Mij lijkt die som niet zo moeilijk.
Lijkt die som mij niet zo moeilijk?
- Persoonsvorm: Komt altijd vooraan in de zin als je de zin vragend maakt.
o Mij lijkt die som niet zo moeilijk.
Lijkt die som mij niet zo moeilijk?
- Lijdend voorwerp: Stel de vraag: Wat + gezegde + onderwerp.
o Dan krijg je het lijdend voorwerp.
- Bijwoordelijke bepaling: Iets vraagt naar de tijd/plaats etc.
o Waar wordt dat eigenlijk vermeld?
- Voorzetselvoorwerp: Wanneer de woorden een vaste combinatie hebben.
o Hij heeft uiteindelijk gekozen voor die studie.
Kiezen voor is een vaste combinatie.
- Bijvoeglijke bepaling: wanneer een woord iets zegt over een ander woord.
o De tuin van de buren wordt opgeknapt.
Zegt iets van de tuin.