De kandidaat kan de volgende centrale begrippen herkennen, uitleggen en in een
filosofische context toepassen en evalueren. Ook kunnen ze de relevantie ervan aangeven
binnen het filosofische domein Ethiek:
- Goed: Het goede is datgene wat we met onze morele instituties en overwegingen
willen bereiken. Wat we dan als het goede beschouwen is natuurlijk afhankelijk van
welke theorie je aanhangt.
- Geluk: Geluk wordt algemeen beschouwd (behalve door Kant) als datgene wat we
nastreven. Wat geluk precies betekent verschilt wel. Bij Aristoteles betekent geluk
iets als ‘geslaagd’, terwijl voor de utilisten geldt: geluk = genot – pijn.
- Deugd: Deugd is een voortreffelijkheid van karakter. Deze term is vooral bij de
theorie van Aristoteles relevant, waarbij een deugd het juiste midden is, zoals dat
wordt bepaald door verstandig mens.
- Moraal: De moraal is de combinatie van onze waarden en normen. Waarden zijn de
idealen die wij belangrijk vinden, zoals vrijheid of rijkdom. Normen zijn de
gedragsregels die zijn gericht op deze waarden. Een norm die past bij de waarde
vrijheid is bijvoorbeeld: je mag een ander niet tegen diens wil vastbinden.
- Rechtvaardigheid: Rechtvaardigheid houdt in dat iemand krijgt wat die verdient. Als
je iets goeds hebt gedaan verdien je een beloning, als je iets slechts hebt gedaan
straf. Het gaat in een samenleving ook over de eerlijke verdeling van goederen. Bij
Aristoteles en Plato is rechtvaardigheid de hoogste deugd, want rechtvaardigheid
ontstaat pas wanneer er harmonie heerst.
- Verantwoordelijkheid: Mensen zijn wezens die het verschil tussen goed en kwaad
kennen, zo wordt algemeen aangenomen. Wij kunnen ervoor kiezen om te doen wat
goed is, of wat verkeerd. Dat betekent dat we ook verantwoordelijk gehouden
kunnen worden voor deze keuze. Wij hebben keuzevrijheid en daarmee gepaard
gaan de verantwoordelijkheid voor de keuze die we maken en de handeling die we
verrichten.
- Banaliteit van het kwaad: Dit is het idee van de filosoof Hannah Arendt. Zij deed
verslag van het proces van Adolf Eichmann, een hooggeplaatste ambtenaar die het
vervoer van de joden naar de vernietigingskampen organiseerde. Hij was daarmee
direct verantwoordelijk voor de dood van miljoenen joden. Je zou zeggen dat
Eichmann een verpersoonlijking van het radicale kwaad is. Arendt ziet in hem echter
een middelmatig mannetje, een ambtenaar, een bureaucraat, iemand die orders
opvolgt. Zij concludeert dat kwaad vaak niets demonisch is, maar plat en afgezaagd,
oftewel banaal. Kritisch denken (filosoferen) is de manier om je te verweren en niet
te vervallen tot de banaliteit van het kwaad.
De kandidaat kan de volgende centrale begrippenparen herkennen, uitleggen en in een
filosofische context toepassen en evalueren. Ook kunnen ze de relevantie ervan aangeven
binnen het filosofische domein Ethiek:
- Wil en verstand: De wil is ons vermogen om een bewuste keuze te maken. Verstand
staat gelijk aan (logisch) redeneren, oftewel ons denkvermogen. Zeker binnen ethiek
kun je spreken over de strijd tussen wil en verstand. Met ons verstand kunnen we
bepalen wat goed is, wat ‘hoort’, maar ja willen we dat eigenlijk wel altijd?