De kandidaat kan de volgende centrale begrippen herkennen, uitleggen en in een
filosofische context toepassen en evalueren en ook de relevantie ervan aangeven binnen het
filosofische domein Kennisleer:
- A-priori: Een oordeel die wordt gebaseerd op zaken van vóór de waarneming (prior
betekent voor), dit komt neer op oordelen gebaseerd op de ratio (claimtester logic).
- A-posteriori: Een oordeel die wordt gebaseerd op zaken van ná de waarneming (post
betekent na), dit komt neer op oordelen gebaseerd op de waarneming, oftewel de
ervaring/empirie (claimtester evidence).
- Universeel: Universeel betekent dat het altijd geldt, voor iedereen en in alle situaties.
- Particulier: Particulier is het tegenovergestelde van universeel en betekent dat het
alleen voor één iemand geldt, in één specifieke situatie.
- Idealisme: In het kader van kennisleer geeft idealisme antwoord op de vraag: waar
bestaat kennis/de werkelijkheid? Het antwoord op die vraag wordt dan: als idee. Dit
betekent dat de werkelijkheid zich in ons bewustzijn afspeelt in plaats van in de
(buiten)wereld. In het kader van metafysica wordt het eerder wat is de essentie van
de werkelijkheid. Het antwoord wordt dan, de werkelijkheid bestaat als idee (in het
bewustzijn), in plaats van als materiële (buiten)wereld.
- Objectief: Komt van object (ding), maar wordt in het kader van kennisleer bedoeld
als tegenhanger van subjectief (zie hieronder). Objectief is dan afhankelijk van de
werkelijkheid, of anders gezegd, onafhankelijk van individuele personen. Objectief
wordt vaak gebruikt als synoniem van onbevooroordeeld, feitelijk of neutraal.
- Subjectief: Komt van subject (een persoon, een ‘ik’) en wordt vaak gebruikt als
tegenhanger van objectief (zie hierboven). In het kader van kennisleer betekent
subjectief dan afhankelijk van het subject (één persoon). Subjectief wordt vaak
gebruikt als synoniem van een mening, relatief of bevooroordeeld.
- Intersubjectief: Dit hangt tussen objectief en subjectief in. ‘Inter’ betekent ‘tussen’,
waarmee intersubjectief dus ‘tussen personen’ betekent. Het is daarmee dus niet
volledig objectief, het is namelijk wel afhankelijk van personen, maar het is ook niet
volledig subjectief, afhankelijk van één persoon. ‘Bananen zijn geel’ is een voorbeeld
van een intersubjectieve waarheid, aangezien dit niet objectief waar is (veel dieren
zien geen kleuren…), maar het is een waarheid die geldt voor mensen (zonder
kleurenblindheid).
- Rationalisme: Rationalisme is de filosofische stroming die stelt dat kennis voortkomt
uit het denken (de ratio). Het is dus mogelijk om door puur te denken tot kennis te
komen. Hier past vaak een vorm van nativisme bij, dat is het idee dat we met een
aantal aangeboren ideeën worden geboren.
- Empirisme: Empirisme is de filosofische stroming die stelt dat kennis voortkomt uit
de ervaring (de zintuigen). Om tot kennis te komen heb je altijd input nodig van je
zintuiglijke ervaring. Locke als één van de bekendste empiristen stelt dat we als
onbeschreven blad (tabula rasa) worden geboren.
De kandidaat kan de volgende centrale begrippenparen herkennen, uitleggen en in een
filosofische context toepassen en evalueren en ook de relevantie ervan aangeven binnen het
filosofische domein Kennisleer: