1 De opkomst van de stedelijke burgerij in de Nederlandse gewesten
Veranderingen in Europa in de Late Middeleeuwen
Veranderingen in de landbouw leiden tot groei van de bevolking
Het klimaat verbeterde aan het einde van de Vroege Middeleeuwen, daardoor nam de productie van de
landbouw toe.
Er waren ook vernieuwingen in de landbouw die daarvoor zorgden:
Ontginningen van bos en heide.
Droogleggen van gebieden met behulp van windmolens.
Verbetering van landbouwwerktuigen als de ploeg en de eg.
Invoering van driegslagstelsel.
Opbloeiende handel gaat gepaard met groei nijverheid
De hogere productie van de landbouw leidde tot landbouwoverschotten, deze boden boeren in de
nabijgelegen steden aan.
Op het platteland gingen mensen zich specialiseren in bepaalde beroepen en trokken als ambachtslieden
naar andere steden om zich daar te vestigen en hun producten te verkopen.
De internationale handel groeide ook, grondstoffen werden aangevoerd van ver.
In sommige steden legden de kooplieden stapelplaatsen voor hun voorraden aan, jaarmarkten gingen
een belangrijke rol spelen.
De handel groeide ook door het ontstaan van de kogge, een nieuw soort schip (kon meer vervoeren).
De toename van de handel leidde tot het toenemen van de nijverheid, door de groei van de bevolking in de
steden waren meer bakkers, groenteverkopers, etc. nodig.
De aanvoer van buitenlandse producten zorgde ook voor een groei in bijv. de lakennijverheid, waar meer
wevers nodig waren.
Er ontstaat weer een monetaire economie van grotere omvang
Door het toenemen van de internationale handel, werd betalen een steeds groter probleem.
Er werd betaald met zilveren, later gouden munten voor luxeartikelen (er waren geen nationale munten).
Om het bezit van geld en het vervoeren ervan veiliger te maken, werd de wisselbrief uitgevonden.
De koopman die naar een buitenlandse markt ging, bracht een bedrag naar een bank in zijn
woonplaats, dit werd vastgelegd en de koopman kreeg een wisselbrief mee, deze kon hij inruilen tegen
munten bij een bank in een andere stad.
De Lage Landen worden één van de meest verstedelijkte gebieden in Europa
Gunstiger geografische omstandigheden
Verschillende rivieren kwamen uit in de Noordzee en stonden zo in verbinding met de rest van de wereld.
Gunstige plekken voor handel en verkeer en dus ook voor het ontstaan van steden waren ook
samenvloeiingen van rivieren, ook in de buurt van burchten en abdijen waren gunstige plekken.
Meer bescherming van landsheren, hoge edelen en geestelijken en stadsbesturen
Landsheren, hoge edelen, geestelijken en stadsbesturen zagen in dat het beschermen en helpen van de
buitenlandse handel grote voordelen had.
De welvaart groeide in hun omgeving, waardoor hun eigen inkomsten stegen.
Zij gingen handelsroutes beschermen, wegen en bruggen verbeteren, helpen bij het bouwen van havens,
etc.
Ook hielpen zij een einde te maken aan tollen en belastingen die de lagere adel aan de kooplieden
oplegde en schoten ze geld voor.
Meer samenwerking tussen steden
Een aantal Noord-Europese steden gingen samenwerken in een onderling handelsverbond, de Hanze.
Kooplieden uit die steden hielpen elkaar bij de onderlinge handel en de handel met andere gebieden.
Stedelingen bevechten en kopen zelfbestuur
Om hun economische belangen te beschermen, bevochten en kochten stedelingen zelfbestuur in de vorm
van stadsrechten.
In het begin hadden de steden allerlei verplichtingen aan hun landsheer, hier wilden zij vanaf en
dankzij hun toenemende welvaart konden zij hun positie t.o.v. de landsheer versterken, zij verzochten
hem om de stad stadsrechten te schenken.
, Stadsrechten hielden in:
Geen verplichtingen meer tegenover de grootgrondbezitter.
Zelf hun bestuur en rechtspraak mogen regelen.
Zelf mogen bepalen wie poorter (stadsburger) is en wie niet.
Netwerken binnen en tussen verzorgingsgebieden zorgen voor noodzakelijke toestroom van poorters
Elke stad was het centrum van een verzorgingsgebied (hechte eenheid van steden en hun omgeving).
De bewoners waren economisch en politiek verbonden: het platteland leverde voedsel voor de
stedelingen en grondstoffen voor de nijverheid, de stad verwerkte de grondstoffen en zette zijn
producten af in de omgeving.
Politiek waren stad en omgeving verbonden doordat zij behoorden tot het grondgebied van een
landsheer.
Jaarmarkten speelden in de lokale en internationale handel een belangrijke rol.
In sommige steden werd een jaarmarkt gehouden, waardoor er netwerken ontstonden tussen steden.
Het leven in de steden was ongezond, veel mensen stierven.
Om zichzelf in stand te houden, hadden de steden een voortdurende instroom van kapitaalkrachtige of
kundige aspirant-poorters van het platteland nodig, zij konden dan rekenen op werk, juridische
bescherming en scholing.
De migratiestroom ging van het platteland naar kleine steden en vervolgens naar grotere steden.
2 Opkomst van Vlaanderen en Brabant in de Late Middeleeuwen
Atrecht wordt startpunt van stedelijke dynamiek
Door de hoge landbouwproductiviteit en de schapenhouderij veroverde Atrecht een centrale plaats in de
lakennijverheid.
Rijke kooplieden versterkten hun positie door zich te organiseren in koopliedengilden.
Ook door leningen te verstrekken aan edellieden kregen ze het stadsbestuur in handen.
Ondernemers in de lakennijverheid belegden in kapitaal (winsten) in de vorm van leningen aan de graaf en
stadsbesturen.
Atrecht wordt overvleugeld door steden als Brugge
Tegen 1300 werd Brugge als zuidelijkste Hanzestad het centrum van de handel tussen Zuid- en Noord-
Europa.
Patriciërs en adel komen tegenover ambachtslieden en boeren te staan
Patriciërs: burgers die in de steden de macht in handen hadden (meestal rijke kooplieden).
Zij knoopten banden aan met de adel en maten zich steeds een meer adellijke levensstijl aan.
Zij kwamen tegenover het gemeen: de rest van de stedelijke bevolking (ambachtslieden, dagloners en
werklozen).
Er ontstonden steeds meer spanningen over bestuur en over werkomstandigheden en de beloning ervan:
Alleen de patriciërs (ongeveer 10% van de bevolking) maakten deel uit van het stadsbestuur.
De dagloners (merendeel van de rest van de bevolking) hadden geen vast inkomen, deden zwaar werk
en waren niet georganiseerd grote onvrede in tijden van economische tegenslag (niet in staat te
betalen voor levensbehoeften).
Met de Guldensporenslag lieten Vlaamse ambachtslieden en boeren in 1302 zien dat ze waren
opgewassen tegen patriciërs en feodale heren.
De Guldensporenslag vond plaats in het graafschap Vlaanderen, de Franse koning Filips de Schone wilde
Vlaanderen bij zijn rijk voegen, Gwijde van Dampierre (graaf van Vlaanderen) was het daar niet mee eens.
De Franse koning sloot een bondgenootschap met het patriciaat, de graaf van Vlaanderen met de
ambachtslieden, het grootste deel van de Vlaamse edelen en de bevolking op het platteland
(Liebaerts).
De Vlamingen wonnen, het graafschap Vlaanderen werd niet bij Frankrijk gevoegd en bleef zelfstandig.
Vlaanderen en Brabant worden het economisch zwaartepunt van de Nederlandse gewesten
De kerngewesten van de Nederlanden waren van oudsher Vlaanderen en Brabant, deze gewesten waren
sterk verstedelijkt.
In de 16e eeuw werden de Vlaamse steden overvleugeld door Antwerpen, die uitgroeide tot het grootste
handelscentrum van West-Europa.
2