Oeroeg en de ik-persoon waren onveranderlijk samen, in alle ontwikkelingsstadia van kind tot jonge
man. Ze scheelden een paar weken. Oeroeg was de oudste zoon van de mandoer van de ik's vader.
Hun moeders hadden ook een goede band. De ik's moeder was Nederlands, Oeroegs moeder
Indonesisch. Ze spraken elkaars taal maar een klein beetje. Beide jongens waren beide geboren op de
onderneming Kebon Djati. Nu behoort ieder contact, ieder samenzijn, tot het verleden.
De ik's moeder had 2 jaar na zijn geboorte een miskraam gehad en was daarna onvruchtbaar
gebleken. Het gebrek aan broertjes en zusjes werd opgevangen doordat hij veel bij
leeftijdsgenoot Oeroeg thuis was, die wel een grote familie had. Oeroeg en hij amuseerden zich op
andere manieren en hun persoonlijkheden waren sowieso erg verschillend. De ik was westers en
soft, terwijl Oeroeg wat speelser en bijvoorbeeld wreder tegenover dieren was. Spelen bij de ik thuis
was dan ook lastiger en dit deden ze dan ook nooit, omdat zijn moeder deze spelletjes al snel te druk
vond. Thuis werden ze bediend en er wordt gesproken over grote huizen, dus kun je concluderen dat
beide families het goed hadden.
Over de Soendanese taal die Oeroeg spreekt wordt bij de ik thuis neerbuigend gesproken. Hollands
lijkt een hogere status te hebben. Ook wil zijn vader niet dat de ik in de kampong (rivier
bij oeroegs woning) speelt. Ze spelen dan nu ook vaker bij hem thuis. De ik gaat naar
school. Oeroeg gaat vaak mee, maar volgt zelf geen lesprogramma. Waarom niet, dat wil
de ik's moeder niet vertellen. Zijn ouders maakten een verschil tussen Oeroeg en de ik,
omdat Oeroeg inheems was en de ik Hollands.
Er kwamen gasten uit Batavia langs. Na de rijsttafel maakten ze een rit naar Telaga Hideung, een
mysterieus meer waarover veel geheimzinnige verhalen in omloop waren. De ik mocht mee, ondanks
bezwaren van zijn vader. Het speet hem dat Oeroeg, waarmee hij vaak over het meer gefantaseerd
had, niet mee mocht. Oeroegs vader Deppoh ging ook mee. Waarom durfde hij, uit angst om
thuisgelaten te worden, niet te vragen. De ik's moeder was die avond zeer gelukkig en veel
luidruchtiger dan normaal.
De nabijheid van Deppoh gaf de ik een gevoel van veiligheid, tussen alle mysterieuze wezens rond
het meer. Als hij Deppoh vraagt of Oeroeg niet naar school moest gaan, wordt kortaf geantwoord
met "Misschien." Het meer was teleurstellend vergeleken met zijn dromen. De beschrijving van de
plek (in het echt Telaga Warna) door Hella Haasse is uitgebreid en mooi.
Het gezelschap bouwde een vlot en ging het meer op. Toen de mannen speelden en de vrouwen
rustig zaten, brak het vlot en viel eenieder in het water. De ik-figuur werd toen vermist en in een
reddingsactie kwam Deppoh vast te zitten tussen planten. Hij verdronk. De ik zag zichzelf als de
oorzaak van zijn dood. Oeroeg en zijn familie zouden verhuizen, want een nieuwe mandoer kwam in
het stenen huis te wonen.
, Oeroeg woont in bij de achterneef van zijn vader (en huisjongen van de ik) en gaat naar de
Hollandse-inlandse school in Sukabumi, overigens een andere als waar de ik naartoe gaat,
omdat Oeroeg nog Nederlands moet leren en daarom een extra vak volgt. Ze konden nu per trein
samen reizen. Op vrije dagen bezochten ze vaak de familie van Oeroeg, die verspreid woont. Zijn
overgrootvader is inmiddels gestorven. Bij deze mensen had de ik-figuur nooit het gevoel een
buitenstaander te zijn. Hij voelde zich onderdeel van deze families en beschouwde zich als een
gelijke. Een verschil in ras en rang was slechts bij de tuinman en huisjongen te merken. Andersom
werd Oeroeg bij de ik thuis wel anders behandelt dan de inheemse medewerkers, die kleine tekenen
als jaloezie vertonen.
De ik's ouders waren gescheiden. Die scheiding had op hem niet zoveel invloed. Nederlands-docent
meneer Bollinger, die naar Europa vertrok, bleek achteraf een rol te hebben bij deze scheiding. Zijn
moeder ging later ook over. Een hoop tranen vloeiden. Het lege huis maakte een kille indruk. Hij zag
zijn vader voor het eerst als een bezorgd mens en niet meer als een heerser over zijn jeugd. Zijn
vriendschap diende als afleiding van de thuissituatie.
Op school kwam nu een nieuwe Nederlands-docent; Gerard. Hij was een echte jager en betrok de ik
en Oeroeg in zijn persoonlijke leven. Hij was nuchter en legde alles rustig uit. Zijn hulpje Ali noemt hij
'koelie'. Na een tijdje nam Gerard de jongens mee op zijn wekelijkse jachttocht. Ali bleek een
geboren verteller, Gerard werd de leidsman van Oeroeg en de ik-figuur en een belangrijk persoon in
hun leven.
Met zijn vader had de ik-figuur minder contact dan ooit. Hij was altijd op werk, ze zagen elkaar vaak
alleen tijdens het eten. Zijn buien van vrolijkheid behoorden tot het verleden en bezoek kregen ze
nooit meer. Het huis voelde kil aan.
Ondanks alles houdt zijn vader zich wel bezig met de ik-figuurs ontwikkeling. Hij stoort zich aan het
feit dat de ik steeds meer Indisch wordt. De vriendschap met Oeroeg zit hem ook dwars. Zijn vader
overweegt hem naar Holland te sturen, naar een kostschool, maar de ik-figuur wil dat absoluut niet
door de verhalen die hij heeft gehoord. Onder pressie van zijn vader nodigde hij twee andere
klasgenoten uit om rond zijn verjaardag op bezoek te komen. Pas nu merkte de ik-figuur op
dat Oeroeg, omdat hij inlands is, anders behandeld wordt dan hij. Aan Gerard vraagt hij
of Oeroeg anders is dan Gerard en hij. Die ontkent dat.
Tot aan zijn toelatingsexamen zal de ik-figuur in Indië blijven. Terwijl zijn vader reist, zal hij even bij
Lida wonen, een Hollandse verzorgster die goed aangeschreven stond. Hij vraagt zich af wat er
met Oeroeg zal gebeuren. Toen bleek dat hij op de onderneming zou blijven, kreeg hij het gevoel dat
zijn vader de vriendschap tussen hem en Oeroeg probeerde te dwarsbomen.
Lida had de "groene zeep mentaliteit". Ze had geen fantasie en zag veel dingen niet. Ze was burgerlijk
en meet iedereen met haar eigen maatstaven, eerlijk en zonder vooroordelen. Door het ontbreken