Paragraaf 1 Elektrische lading en spanning
- Atomen:
Bestaan uit atoomkern met
daaromheen bewegende deeltjes die
nog veel kleiner zijn dan de kern. Deze
deeltjes heten elektronen
- Atoomkern en elektronen zijn
tegengesteld elektrisch geladen.
- Elektronen zijn kleine deeltjes met een
negatieve lading
- Plus plus = afstoten
- Min min = afstoten
- Plus min = aantrekking
- Atoomkern positief geladen, elektronen negatief geladen
- Gelijke ladingen stoten elkaar af en tegengestelde ladingen trekken
elkaar aan.
- Daarom blijven elektronen om kern bewegen
- Positieve lading aangegeven met plus (+),negatieve lading
aangegeven met min (-)
- In een atoom zit evenveel positieve als negatieve lading. Je zegt dan
dat het atoom elektrisch neutraal is.
- Statische elektriciteit ontstaat door wrijving
- Alleen minnetjes springen over want plusjes zitten in kern gevangen.
- Bij wrijving tussen twee voorwerpen kunnen er elektronen loskomen
van hun atoom en overspringen naar het andere voorwerp.
- Eerst zijn beide voorwerpen elektrisch neutraal, daarna heeft ene
voorwerp overschot aan negatieve lading en andere een tekort. Dan
is het ene voorwerp negatief geladen en het andere positief
- Gelijke ladingen stoten elkaar af
- Bij meisje op foto zijn elektronen
overgesprongen van het meisje naar glijbaan.
Glijbaan is negatief geladen en meisje positief.
Haren van meisje zijn positief geladen.
- Door wrijving van bijv. uittrekken van een trui
worden je trui en haar elektrisch geladen. Trui is
1
, dan negatief geladen en haar positief. Overschot aan elektronen op
de trui wordt aangetrokken door positieve lading op haar. Tussen de
trui en het haar staat een elektrische spanning
- Naarmate verschil in lading groter wordt, neemt de spanning toe. De
spanning kan zo groot worden dat het overschot aan elektronen via
de lucht ‘terugstroomt’. Dit noem je ontladen
- Na een ontlading is er geen spanning meer
- Bij statische elektriciteit duurt een ontlading kort en na de ontlading
is de spanning direct weg.
- Statische elektriciteit kan je dus niet gebruiken om elektrische
dingen op te laden of te laten werken. Hiervoor heb je constante
spanning en blijvende stroom van elektronen nodig
- Dingen die voor constante spanning zorgen zijn spanningsbronnen
- Hoe hoger de spanning, hoe meer energie de spanningsbron kan
leveren.
- Spanning is een grootheid, en kan je de dus meten.
- Symbool voor spanning is U; de eenheid is volt (V)
- Je meet de spanning met een
spanningsmeter. Veelgebruikte naam
daarvoor is voltmeter.
- Spanningsmeter (voltmeter) sluit je met
twee draden aan op de polen van de
spanningsbron. Bijvoorbeeld de plus en
min -kant bij een batterij
- Tussen de plus en minpool bij AA-
batterij staat spanning van 1,5 volt. Je noteert dan: U = 1,5 V.
Paragraaf 2 Stroomkringen
- Elektriciteitssnoer bestaat uit koperen kern en
kunststof omhulsel
- Elektronen bewegen makkelijk door koper en
niet door kunststof
2