1 – Begripsverheldering
/
2 – Probleemstelling formuleren
-Gaat de proefpersoon mee met de groep?
-Waarom?
3 – Brainstorm
-Meegaan om schaamte te voorkomen
-Toe geven aan groepsdruk uit schaamte
-Hij is bewust van zijn eigen goede antwoord maar gaat doir de andere tweifelen
-Je denkt wat de rest denkt
-Ervaring → Iedereen had het daarnet ook goed
-Twijfel door schaamte
-Anoniem blijven door er niet tegen in te gaan
-Mee met de groep door een gebrek aan zelfvertrouwen
-Eigen kennis zwakt onbewust af
-Twijfelen
-Conformeren aan de groep
4 – Probleemanalyse
-De een is gevoeliger voor groepsdruk dan de ander → Leiders vs. Volgers
-Wie zitten er in de groep – Zijn het bekende?
-Sociale Hiërarchie
-Zelfvertrouwen
5 – Leerdoelen formuleren
-Waarom conformeren we aan de groep?
-Welke factoren dragen bij aan of zwakken conformisme af? (Verschillende vormen &
motieven)
-Hoe zag het oorspronkelijke experiment er uit?
Kernwoorden: Conformity, Conformeren, meegaan
6 – Zelfstudie/ 7 – Nabespreking
Gelezen Literatuur:
-Forsyth (H7)
-Kassin, Fein, Markus (H7)
-Artikel ‘Conformity to peer pressure in preschool children’
, Social influence → Interpersoonlijk proces waardoor iemand (anders) gedachten,
gevoelens en/of gedrag wordt veranderd.
Majority influence → Sociale druk van de meerderheid in de groep richting de
minderheid en/of individuelen in de groep. Het verhoogt de eenheid in de groep.
Minority influence→ Sociale druk van de meerderheid of een individueel in de
groep, richting de meerderheid in de groep. Het waarboorgt individualiteit en
innovatie.
Conformity → (1) Een vernadering in de mening, opvattingen of acties van een lid
van een groep, om overeen te komen met die van de andere leden van de groep.
(2) De neiging van mensen om hun percepties (waarnemingen), meningen en gedrag
aan te passen aan de norm van de groep.
Experimenten
A classic case of suggestibility (Muzafer Sherif, 1936)
Eerst moesten proefpersonen apart in een ruimte zitten en aan de hand van een
optical illusion de afstand van een lichtje schatten. Hier kwam vrij verschillende
antwoorden uit.
Vervolgens werden de proefpersonen in groepjes van drie bij elkaar gezet, en
moesten ze om de beurd de afstand van lichtjes schatten. Aan het eind van de derde
keer dat zij dit deden, kwamen hun antwoorden vrijwel overeen.
Ze hebben zich dus aangepast aan de norm van de groep, omdat zij geloven dat dit
ook echt het goede antwoord is.
Deze conclusie wordt bevestigt in veelal andere studies, zoals in de ‘Line judgement
task’ van Solomon Asch (1951).
Line judgement task (Solomon Asch, 1951)
Een proefpersoon komt terrecht in een groep vol met confederanten, hij is zich hier
niet van bewust. De proefpersoon wordt verteld dat hij mee doet aan een experiment
over optical illusion, en er worden 18 rondes gespeeld. In elke ronde wordt er een lijn
laten zien, die wordt vergeleken met drie anderen. De ‘proefpersonen’ moeten
zeggen met welke van de drie de lijn qua lengte overeen komt.
De eerste paar rondes zijn vrij duidelijk en iedereen geeft het zelfde antwoord. Dan
komt er opnieuw een vrij simpele situatie voorbij, maar nu zeggen alle confederanten
express het verkeerde antwoord. Ookal is de situatie vrij simpel, de proefpersoon
gaat er (vaak) toch in mee, en past zich aan om niet buiten de groep gesloten te
worden.
Kritiek op Line judgement task: De proefpersoon gaat eigenlijk mee met de
minderheid omdat de meerderheid nu express het verkeerde, minderheids antwoord
geeft. Omgekeerde wereld en dus niet representatief.