1 – Begripsverheldering
/
2 – Probleemstelling formuleren
Waarom helpt er niemand?
3 – Brainstorm
-In shock/Verstijving
-Niet weten wat te doen
-Bystander effect → Iedereen volgt de rest
-Angst bij omstanders → zelfbescherming
-Verschil drukke/niet drukke omgeving
-Social loafing → Opgaan in de groep, in grotere groepen vind uitval plaats
4 – Probleemanalyse
-Angst+grote groep → geen actie
-Niet weten wat je moet doen
-Angst door eerdere situatie (ervaring)
-Egoïsme → Heeft de persoon er zelf wat aan?
-Verschil tussen hulp roepen en iemand eprsoonlijk aanspreken
-Geen affectiviteit voor het slachtoffer
-Fright or flight gedrag → Genetisch bepaald/evolutie
-Nature nurture
5 – Leerdoelen opstellen
-Wat is het bystander effect?
-Waarom helpen mensen wel of niet?
-Wat is de rol van de omeving bij het wel of niet tot stand komen van hulpgedrag?
6 – Zelfstudie
Prosocial behaviors→ Acties met het doel om andere te helpen
Reward → Mensen helpen vaak ook als er een beloning tegenover staat. Dit kan
zowel een psychologische als materialistische beloning zijn. Voorbeelden:
-Feel good→ Het voelt goed om iemand anders te helpen.
(Negative state relief model → Je helpt andere om jezelf uit je verdrietige bui te
halen.)
-Kosten vs opbrengsten → Mensen maken een afweging of de potentiële winst
opweegt tegen de risico’s van het helpen.
, Empathy → Een cognitief proces waarbij je begrijpt wat een ander doormaakt en
voelt. Een belangrijk onderdeel hiervoor is hiet kunnen verplaatsen in wat andere
doormaken (perspectie). Ook is het belangrijk dat je geeft om wat andere voelen en
ervaren (denk aan sympathie).
The Bystander effect → Een getuige gaat bij het zien van meerdere getuige niet
over tot het ondernemen van actie omdat hij denkt en/of vind dat andere dit wel
zullen doen (Darley en Latané, 1968)
Pluralistic ignorance → Als er een ongeval is en mensen verstijfdstaan te kijken,
omdat ze niet weten wat ze moeten doen en denken dat hun gedachten verschillen
van die van andere omstanders.
Diffusion of responsibility→ Een persoon helpt niet omdat hij denkt dat andere
zouden moeten of gaan helpen. (Dit vind niet plaats als de getuige ervan overtuigd is
de enige te zijn).
Audience inhibition → Het niet overgaan tot helpen uit angst om zichzelf voor gek
te zetten bij de andere getuigen (bijvoorbeeld omdat je niet goed weet wat te doen).
Mensen helpen sneller als ze in een goeie bui zijn (Robert Baron, 1997). Maar dit
betekent niet dat een slechte bui leidt tot niet helpen. Met verwijzing naar de
Negative state relief model, blijkt dat als de kans bestaat dat je er niet beter op wordt
(of zelfs op achter uit gaat), wordt er niet over gegaan op helpen.
Belangrijke onderdelen van hulp gedrag: Empathie en ‘moral reasoning’.
Artikel:
Darley & Latane (1968) ‘Bystander intervention in emergencies: diffusion of
responsibility.’
Het experiment
Een proefpersoon werd alleen in een kamer gezet, en werd vertelet dat hij/zij over de
intercom met andere zou gaan praten over problemen op de uni. Er waren drie
verschillende groepen:
1. De proefpersoon en het ‘slachtoffer’
2. De proefpersoon, het slachtoffer en een ander
3. De proefpersoon, het slachtoffer en vier anderen.
Iedereen kreeg om de beurd 2 minuten spreektijd, en op een gegevenmoment kreeg
het slachtoffer duidelijk een epileptische aanval. Er wordt getest hoelang het duurt
totdat, en OF de proefpersoon actie onderneemt.
Hypothese
Hoe meer getuigen er zijn, hoe langer het duurt voordat, en hoe kleiner de kans
wordt dat een van hen individueel over gaat tot het ondernemen van actie.