In dit document worden de vragen per vraag
erg uitgebreid behandeld en wordt
aangegeven waarom bepaalde antwoorden
niet goed zijn en bepaalde antwoorden wel.
Het is handig om ernaast te houden als je
het eindexamen gemaakt en geoefend hebt.
Op de volgende pagina zie je een voorbeeld
hiervan:
,Vraag 36: Welke term geeft het best weer hoe er in
alinea 3 en 4 wordt gedacht over de regelgeving rondom ouder-
en partnerschapsverlof in Nederland?
✔ C - oneerlijk.
Citaat uit de tekst (regels 30-35)
"Moeders zijn wettelijk verplicht vier weken voor en zes weken na de bevalling te stoppen
met werken. Voor hun partners bestaat geen arbeidsverbod: het partnerverlof (…) is een
recht dat je niet hoeft op te nemen."
🔹 Waarom is dit het juiste antwoord?
● Het benadrukt een ongelijke behandeling tussen moeders en vaders.
● Signaalwoorden als "maar ook" (regel 9) laten zien dat het als een probleem wordt
gepresenteerd.
🔻 Waarom zijn de andere antwoorden fout?
● A - ondoordacht. ❌
○ De tekst suggereert niet dat het beleid zomaar is vastgesteld zonder
❌
nadenken; het is juist gebaseerd op traditionele opvattingen.
● B - onduidelijk.
❌
○ Het beleid is helder: moeders krijgen verplicht verlof, vaders niet.
● D - onuitvoerbaar.
Er wordt niet gezegd dat het beleid in de praktijk niet werkt; alleen dat het oneerlijk is.
, Vraag 1
Vraag: Met welk begrip kan de functie van alinea 2 ten opzichte van alinea 1 het best
aangeduid worden?
Antwoord: B - Nuancering
Citaat uit de tekst (regels 10-12): "Niet alle doemscenario’s die de media en
zelfhulpboeken schetsen, zijn terecht."
Waarom is dit het juiste antwoord?
● In alinea 1 wordt een ernstige "aandachtscrisis" geschetst.
● In alinea 2 wordt deze crisis genuanceerd: sommige beweringen zijn overdreven.
● Dit duidt op een nuancering.
Waarom zijn de andere antwoorden fout?
● A (Gevolg): Alinea 2 geeft geen gevolg van alinea 1, maar relativeert deze juist.
● C (Tegenstelling): Er is geen duidelijke tegenstelling, alleen een verzachting.
● D (Verklaring): Alinea 2 verklaart niet waarom de crisis bestaat, maar nuanceert de
ernst ervan.
Vraag 2
Vraag: Welke zin legt het best uit wat de "aandachtscrisis" inhoudt?
Antwoord: B - "Kunnen we ons concentratievermogen niet optimaal benutten."
Citaat uit de tekst (regels 14-17): "Door het vele multitasken en de vele prikkels gebruiken
we onze concentratie niet optimaal."
Waarom is dit het juiste antwoord?
● De tekst beschrijft hoe digitale afleidingen ons concentratievermogen beïnvloeden.
● De zin in antwoord B sluit hier het beste bij aan.
Waarom zijn de andere antwoorden fout?
● A: Dit antwoord suggereert dat informatie niet meer bij te houden is, maar de tekst
legt de nadruk op concentratieverlies.
● C: De tekst spreekt niet over multitasken als een directe schade aan cognitieve
vermogens.
● D: Er wordt geen direct verband gelegd tussen creativiteit/productiviteit en de
aandachtscrisis.