Strafrecht voor niet-juristen
Week 1
Algemene introductie van het vak (pdf)
Geen aantekeningen.
Hoe lees ik een arrest? Een handleiding (pdf)
Jurisprudentie: de verzameling van rechterlijke uitspraken.
Vonnis: rechterlijke uitspraken van de rechtbank (inclusief het kantongerecht).
Arrest: uitspraken van het gerechtshof en de Hoge Raad.
*Hierin staan beslissingen die op de terechtzitting zijn gewezen.
Beschikking: beslissingen die niet ter terechtzitting zijn gewezen, maar door de
raadkamer of door de rechter-commissaris zijn genomen.
2. Inleiding cassatierechtspraak
De Hoge Raad is een cassatierechter. De Hoge Raad beoordeelt uitspraken van
lagere rechters en kan deze uitspraken eventueel vernietigen.
Twee gronden waarop Hoge Raad uitspraken kan vernietigen:
- Schending van het recht
- Verzuim van vormen
Rechters in lagere rechtbanken worden feitenrechters genoemd.
Bij hen staan de feiten centraal, bij de Hoge Raad gaat het erom of er terecht
wordt geklaagd over de uitspraak van de lagere rechter.
3. Het arrest: geredigeerd of niet?
De teksten van de uitspraken worden niet geredigeerd (bewerkt).
4. De structuur van een arrest
4.1: Bouwstenen
Een arrest van de Hoge Raad op rechtspraak.nl bevat de volgende bouwstenen:
- identificatiegegevens;
- inhoudsindicatie;
- geding in cassatie;
- bewezenverklaring, gebruikte bewijsmiddelen en beslissingen op verweren;
- aan de beoordeling van de middelen voorafgaande beschouwing;
- beoordeling van de cassatiemiddelen;
- het oordeel van de Hoge Raad.
In samenhang met arrest dient ‘conclusie’ van Advocaat-Generaal worden
gelezen. Die geeft advies aan de Hoge Raad.
4.2: Identificatiegegevens
Elk arrest heeft uniek identificatienummer: European Case Law Identifier (ECLI-
nummer).
Kan ook een titel toegediend krijgen.
4.3: Inhoudsindicatie
,Op rechtspraak.nl wordt van elke uitspraak korte inhoudsindicatie gegeven.
Hierin staat waar het arrest ongeveer over gaat. Behoort niet tot eigenlijke
rechtspraak (wordt opgesteld door beheerders rechtspraak.nl)
4.4 Geding in cassatie
Er wordt beschreven wie de advocaat is van de verdachte.
Ook advies advocaat-generaal wordt weergegeven.
4.5 Bewezenverklaring, gebruikte bewijsmiddelen en beslissingen op verweren
Eerst wordt uitspraak van lagere rechter beschreven.
De feiten die bewezen zijn verklaard door de lagere rechter neemt de Hoge Raad
als vaststaand aan. De informatie over uitspraak van lagere rechter staat niet
altijd onder een eigen kopje.
4.6: Aan de beoordeling van de middelen voorafgaande beschouwing
Soms geeft HR algemene beschouwing voordat middelen in onderliggende zaak
worden behandeld. Vooral wanneer er onduidelijkheid is over uitleg bepaalde
begrippen of leerstukken.
4.7: Beoordeling van de cassatiemiddelen
HR bespreekt elk cassatiemiddel apart. Elke rechtsoverweging wordt
genummerd. Als een van middelen gegrond is zal Hoge Raad geen aandacht
besteden aan overige middelen.
4.8: Oordeel van Hoge Raad
Na middelen bespreken komt HR tot eindoordeel over uitspraak lagere rechter.
Wordt de zaak vernietigd dan heeft HR keuze om zaak terug te verwijzen naar
lagere rechter die zich al eerder over zaak heeft gebogen, of rechter in ander
arrondissement of doet zelf de zaak af.
4.9: Conclusie advocaat-generaal
In elke zaak advies van advocaat-generaal (A-G). Dit wordt conclusie genoemd.
Hij is een onafhankelijk adviseur die taak heeft om adviezen te geven. Verwijst
hierbij naar relevante wetgeving, jurisprudentie en literatuur. Vaak volgt HR op,
soms ook niet. Behoort niet tot uitspraak (en heeft eigen identificatienummer).
5. Bijzonderheden cassatierechtspraak
Klaarblijkelijk: de geïnterpreteerde woorden zijn niet voor een andere uitleg
vatbaar dan de gegeven uitleg.
Kennelijk: geeft aan dat interpretatie van de Hoge Raad met enige
welwillendheid tot stand is gekomen.
Niet onbegrijpelijk: wordt mee bedoeld dat HR bij beoordeling van uitleg
terughoudend opstelt. ‘Niet onjuist/getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting’
Er wordt ook ruimte gelaten voor een ander oordeel.
,Het beslissingsmodel: introductie en materiële vragen (pdf)
Om te kunnen beoordelen of een verdachte kan worden veroordeeld wegens een
strafbaar feit, doorloopt de strafrechter een ‘vragenschema’ met een strikte en
logische volgorde = het rechterlijke beslissingsmodel. Eerst loopt de rechter
vier formele vragen bij langs, daarna 4 materiële vragen.
Materiele vragen:
1. Kan hetgeen wat ten laste is gelegd, worden bewezen? – bevestigend of
ontkennend antwoord.
o Bevestigend: Feit kan bewezen worden. Rechter maakt een in
overeenstemmende beslissing met het bewezen feit en neemt dit op
in het vonnis = de bewezenverklaring door naar de volgende
vraag.
o Ontkennend: vrijspraak, feit kan niet bewezen worden. Zaak
beëindigd.
2. Kan het bewezenverklaarde feit worden gekwalificeerd? – wordt getoetst of
hetgeen dat bewezen is verklaard een strafbaar feit oplevert.
Bestanddelen van de delictsomschrijving zijn terug te vinden in
bewezenverklaring. Strafbaar volgende vraag. Niet strafbaar ontslag
van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaar feit.
3. Is de dader strafbaar? – Doorgaans, maar niet altijd, worden bij deze vraag
de eventueel aanwezige strafuitsluitingsgronden behandeld: de
rechtvaardigingsgronden, die de vooronderstelde wederrechtelijkheid
(element) kunnen ontkennen, en/of de schulduitsluitingsgronden, die
aangrijpen bij de veronderstelde verwijtbaarheid (element). Strafbaar
veroordeling.
Niet strafbaar ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet
strafbaarheid dader.
Ontslag van alle rechtsvervolging = OVAR (reden moet erbij)
HR 31 januari 2012, NJ 2012/536 (Runescape) (ter illustratie)
De vraag of online middelen ook middelen zijn die gestolen konden worden.
“Voorts stelt het hof vast dat in deze zaak is voldaan aan een andere
jurisprudentiële voorwaarde voor diefstal, inhoudende dat de goederen door
toedoen van verdachte uit de beschikkingsmacht van aangever moeten zijn
geraakt en in die van verdachte zijn gekomen.
, Week 2
De inhoud van de culpa (pdf)
Schuld komt in zeer uiteenlopende vormen voor.
De kenmerken van schuld:
- Eis dat dader zich anders had moeten gedragen, c.q. dat hij zich beter
bewust had moeten zijn van wat hij deed.
- Het ontbreken van opzet.
*Een dader kan niet tegelijk opzet en schuld hebben aan een bepaald gevolg.
Inhoud van schuld moet steeds worden vastgesteld aan de hand van de
formulering daarvan in de strafbepaling en in verband met de in die bepaling
opgenomen bestanddelen.
Schuld is opgebouwd uit twee begrippen:
1. De aanmerkelijke onvoorzichtigheid
2. De verwijtbaarheid
De verwijtbaarheid heeft betrekking op de onvoorzichtigheid van de dader: als
eenmaal geconstateerd dat dader onvoorzichtig is geweest, moet worden
vastgesteld of die onvoorzichtigheid de dader ook kan worden verweten.
Schuld = verwijtbare, aanmerkelijke onvoorzichtigheid.
*NIET elke onvoorzichtigheid levert immers schuld op.
Aanmerkelijke onvoorzichtigheid bestaat uit twee delen:
1. Voorzienbaarheid -> er is alleen van onvoorzichtigheid sprake als de dader
kon en behoorde te voorzien dat zijn gedrag tot dood of letsel etc. kon
leiden
2. De – op die voorzienbaarheid gebaseerde – plicht, dat gedrag achterwege
te laten.
Van onvoorzichtigheid is sprake wanneer de dader gedrag verricht waarvan hij
kon en behoorde te voorzien dat het tot ernstige gevolgen kon leiden en dat hij
daarom achterwege had moeten laten.
Ondanks voorzienbaarheid van het gevolg voor de dader is er van
onvoorzichtigheid, en dus van schuld, geen sprake wanneer het gedrag van de
dader gerechtvaardigd, en dus niet wederrechtelijk is.
Is er schuld dan is er wederrechtelijkheid, is er geen wederrechtelijkheid
dan is er geen schuld.
Verwijtbaarheid: anders kunnen en behoren te handelen. De dader moet in
staat zijn geweest anders (voorzichtig) te hebben kunnen handelen.
Steeds wanneer een dader een beroep heeft op een schulduitsluitingsgrond, kan
gezegd worden dat hij (redelijkerwijs) niet anders kon handelen.