De belangrijkste scheikundige begrippen herkennen en benoemen
Materie: alles dat ruimte inneemt en massa heeft
Element: is een stof dat NIET door chemische reacties kan worden afgebroken tot andere
stoffen. Er zijn 92 elementen, bijvoorbeeld zuurstof (O) of waterstof (H).
Verbinding: is een stof die bestaat uit twee of meer verschillende elementen die in een vaste
verhouding zijn gecombineerd. Bijvoorbeeld keukenzout = NaCl of water = H2O
Essentiële elementen: een chemische element die nodig zijn voor een organisme om te
overleven, groeien en voortplanten. 20% - 25% van de 92 elementen vallen hieronder.
Mensen hebben 25 elementen nodig en planten maar 17 elementen.
,Sporenelementen: is een chemisch gebonden element dat in de voeding van een organisme
voor een goede groei en functie aanwezig moet zijn, maar slechts in zeer kleine
hoeveelheden (microgrammen tot milligrammen). Grote hoeveelheden kunnen zelfs toxisch
zijn.
De spoorelementen die je lichaam nodig heeft zijn:
• IJzer.
• Jodium.
• Koper.
• Zink.
• Selenium.
• Mangaan.
• Molybdeen.
• Chroom.
Atoom: is de kleinste eenheid van materie die nog de eigenschappen van een element
behouden.
Molecuul: Een molecuul is het kleinste stukje van een materiaal dat nog alle eigenschappen
heeft van dat materiaal. Water bestaat bijvoorbeeld uit watermoleculen. Moleculen bestaan
weer uit atomen. Moleculen zijn heel klein.
Wat is het verschil tussen moleculen en atomen? Bij scheikunde leer je dat alles om je heen
uit moleculen bestaat. En moleculen bestaan op hun beurt weer uit nog kleinere deeltjes:
atomen. Zo bestaat één watermolecuul bijvoorbeeld uit één zuurstofatoom en twee
waterstofatomen.
Om te begrijpen wat moleculen precies zijn, is het goed om te weten waar ze uit bestaan.
Moleculen bestaan namelijk uit atomen. Moleculen die uit één atoomsoort bestaan zijn
elementen. Een voorbeeld van een element is zuurstof, dat alleen bestaat uit ‘O’. Moleculen
die uit verschillende atoomsoorten bestaan zijn verbindingen. Voorbeelden zijn water (H2O)
, Mengsel: Verschillende stoffen door elkaar. Kunnen van elkaar gescheiden worden.
Verbinding: Zuivere stof. Kan alleen nog chemisch ontleed worden in elementen. Bestaat
uit verschillende soorten atomen.
Element: Zuivere stof die niet verder ontleed kan worden. Bestaat uit één soort atomen.
De bouw van een atoom begrijpen, net als de verschillende bindingen tussen de
atomen
Atoom: is de kleinste eenheid van materie die nog de eigenschappen van een element
behouden. Het bestaat uit protonen, elektronen en neutronen. Dit is samen gepakt in een
atoomkern.
Protonen: zijn positief geladen deeltjes
Elektronen: zijn negatief geladen deeltjes
Neutronen: zijn ongeladen deeltjes. De massa van een neutron staat ongeveer gelijk aan de
massa van een proton.
Atoomkern: protomen en neutronen zijn samengepakt in de kern, het centrum van een
atoom. Protonen geven de kern een positieve lading. De snel bewegende elektronen vormen
een “wolk” van negatieve lading rond de kern. En is de aantrekkingskracht tussen
tegengestelde ladingen die de elektronen in de buurt van de kern houdt.