Samenvatting BDED
Belangrijkste kenmerken van de organisatieniveaus binnen de biosfeer (biomen, ecosystemen, levensgemeenschappen,
populaties, organismen)
Bioom: Een relatief homogeen gebied over een zeer grote geografische uitgestrektheid, gekenmerkt
door een typische vegetatie en daarmee samenhangend dierenleven. Klassiek worden zes primaire
biomen onderscheiden:
• tropische bossen.
• loofbossen.
• naaldbossen.
• graslanden.
• woestijnen.
• toendra's.
Ecosysteem: Een ecosysteem is het geheel van planten, dieren, bacteriën en schimmels in een
bepaalde omgeving en kan groot of klein zijn. Binnen zo'n ecosysteem zijn één of meer voedselketens.
Het is een bepaald gebied waarin biotische en abiotische factoren een eenheid vormen. Voorbeelden
van ecosystemen zijn een bepaald stuk bos, koraalrif, grasland of woestijn. Voorbeelden van kleinere
ecosystemen zijn een knotwilg of een boomholte.
Levensgemeenschap: Alle verschillende organismen uit allemaal verschillende populaties die
samenleven in één ecosysteem. De verschillende populaties hebben een directe of indirecte
(voedsel)relatie met elkaar en beïnvloeden elkaar in het ecosysteem.
Populatie: Een populatie is een groep organismen van dezelfde soort die niet in tijd of plaats van elkaar
gescheiden zijn en dus (theoretisch) met elkaar kunnen voortplanten, alle zich potentieel onderling
voortplantende individuen van die soort in een habitat.
Habitat: Een habitat omvat alle mogelijke plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt. Op deze
plekken voldoen zowel biotische als abiotische Organismen:
factoren aanEen
de organisme
minimale levensvoorwaarden vaneen
is iets wat leeft. Alles wat betreffend organisme
organisme is, moet leven of geleefd
hebben. Iets moet alle zeven levensverschijnselen vertonen om een organisme genoemd te kunnen
worden. Vertoont iets alle levenskenmerken, dan is het een organisme
,Niche: Niche: functionele rol van een soort in de
gemeenschap, inclusief activiteiten en relaties. Of: specifieke biotische en abiotische hulpbronnen die een organisme in zijn
omgeving gebruikt.
Biotoop: Een biotoop is een omgeving waarin dieren en planten kunnen leven en zich voortplanten. Het kan bijvoorbeeld een fruit-
boomgaard, aardappelperceel, bos, heide of sloot zijn.
Karaktereigenschappen mbt geografie, klimaat, groei- en levensvormen en relatie tussen groei en levensvormen
Woestijn: Een woestijn is een gebied waar relatief zeer weinig neerslag valt, maximum 200 millimeter per jaar, waardoor er weinig of
, geen vegetatie is. Het stereotiepe beeld van een woestijn is een uitgestrekte kale vlakte met zandduinen en een gemiddeld zeer hoge
temperatuur. Dit beeld gaat echter voor slechts een klein deel van de woestijngebieden op aarde daadwerkelijk op. Er zijn ook
woestijnen in de gematigde en de polaire zones. De meeste soorten levensvormen in de woestijn zijn genetisch en fysiologisch nauw
verwant met soorten uit gematigde klimaten, maar hebben zich aangepast om hun temperatuur en hun vochtbalans op peil te
houden.
De aanpassingen van planten en dieren aan het woestijnklimaat vallen in de volgende categorieën:
1. vermijden van extreme omstandigheden
2. fysiologische en morfologische aanpassingen tegen waterverlies en oververhitting
3. snelle reactie op de beschikbaarheid van water en voedingsstoffen
4. vertraagde stofwisseling
5. opslag van essentiële voedingsstoffen
Woestijnplanten vertonen algemene kenmerken die aangepast zijn aan het warme, droge milieu. Voorbeeld: vetplanten. Voorbeeld
dieren: slangen, spinnen, schorpioenen, hagedissen, insecten en knaagdieren.
Bos: Per klimaat of vegetatiezone in de bergen worden bossen ruwweg in drie types onderverdeeld: naaldbossen, loofbossen en
tropische bossen. Er bestaan ook gemengde bossen waar naaldbomen en loofbomen door elkaar heen staan.
Belangrijkste kenmerken van de organisatieniveaus binnen de biosfeer (biomen, ecosystemen, levensgemeenschappen,
populaties, organismen)
Bioom: Een relatief homogeen gebied over een zeer grote geografische uitgestrektheid, gekenmerkt
door een typische vegetatie en daarmee samenhangend dierenleven. Klassiek worden zes primaire
biomen onderscheiden:
• tropische bossen.
• loofbossen.
• naaldbossen.
• graslanden.
• woestijnen.
• toendra's.
Ecosysteem: Een ecosysteem is het geheel van planten, dieren, bacteriën en schimmels in een
bepaalde omgeving en kan groot of klein zijn. Binnen zo'n ecosysteem zijn één of meer voedselketens.
Het is een bepaald gebied waarin biotische en abiotische factoren een eenheid vormen. Voorbeelden
van ecosystemen zijn een bepaald stuk bos, koraalrif, grasland of woestijn. Voorbeelden van kleinere
ecosystemen zijn een knotwilg of een boomholte.
Levensgemeenschap: Alle verschillende organismen uit allemaal verschillende populaties die
samenleven in één ecosysteem. De verschillende populaties hebben een directe of indirecte
(voedsel)relatie met elkaar en beïnvloeden elkaar in het ecosysteem.
Populatie: Een populatie is een groep organismen van dezelfde soort die niet in tijd of plaats van elkaar
gescheiden zijn en dus (theoretisch) met elkaar kunnen voortplanten, alle zich potentieel onderling
voortplantende individuen van die soort in een habitat.
Habitat: Een habitat omvat alle mogelijke plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt. Op deze
plekken voldoen zowel biotische als abiotische Organismen:
factoren aanEen
de organisme
minimale levensvoorwaarden vaneen
is iets wat leeft. Alles wat betreffend organisme
organisme is, moet leven of geleefd
hebben. Iets moet alle zeven levensverschijnselen vertonen om een organisme genoemd te kunnen
worden. Vertoont iets alle levenskenmerken, dan is het een organisme
,Niche: Niche: functionele rol van een soort in de
gemeenschap, inclusief activiteiten en relaties. Of: specifieke biotische en abiotische hulpbronnen die een organisme in zijn
omgeving gebruikt.
Biotoop: Een biotoop is een omgeving waarin dieren en planten kunnen leven en zich voortplanten. Het kan bijvoorbeeld een fruit-
boomgaard, aardappelperceel, bos, heide of sloot zijn.
Karaktereigenschappen mbt geografie, klimaat, groei- en levensvormen en relatie tussen groei en levensvormen
Woestijn: Een woestijn is een gebied waar relatief zeer weinig neerslag valt, maximum 200 millimeter per jaar, waardoor er weinig of
, geen vegetatie is. Het stereotiepe beeld van een woestijn is een uitgestrekte kale vlakte met zandduinen en een gemiddeld zeer hoge
temperatuur. Dit beeld gaat echter voor slechts een klein deel van de woestijngebieden op aarde daadwerkelijk op. Er zijn ook
woestijnen in de gematigde en de polaire zones. De meeste soorten levensvormen in de woestijn zijn genetisch en fysiologisch nauw
verwant met soorten uit gematigde klimaten, maar hebben zich aangepast om hun temperatuur en hun vochtbalans op peil te
houden.
De aanpassingen van planten en dieren aan het woestijnklimaat vallen in de volgende categorieën:
1. vermijden van extreme omstandigheden
2. fysiologische en morfologische aanpassingen tegen waterverlies en oververhitting
3. snelle reactie op de beschikbaarheid van water en voedingsstoffen
4. vertraagde stofwisseling
5. opslag van essentiële voedingsstoffen
Woestijnplanten vertonen algemene kenmerken die aangepast zijn aan het warme, droge milieu. Voorbeeld: vetplanten. Voorbeeld
dieren: slangen, spinnen, schorpioenen, hagedissen, insecten en knaagdieren.
Bos: Per klimaat of vegetatiezone in de bergen worden bossen ruwweg in drie types onderverdeeld: naaldbossen, loofbossen en
tropische bossen. Er bestaan ook gemengde bossen waar naaldbomen en loofbomen door elkaar heen staan.