Samenvatting DIV, leerjaar 1
de opbouw van een prokaryoot benoemen en daarin minimaal het volgende (met
vermelding van functie) onderscheiden: celwand (grampositief en gramnegatief),
plasmamembraan, plasma en actineskelet, nucleoïde, ribosomen, plasmide, pilus/pili,
fimbriae, flagel(len), endospore en eventuele insluitsels.
Grampositief en gramnegatief: Grofweg zijn bacteriën in te delen in zogenaamde Gram-
positieve en Gram-negatieve bacteriën. Het woord Gram heeft te maken met een bepaalde
kleuring die toegepast wordt bij het bekijken van bacteriën. Bij die kleuring wordt een Gram-
positieve bacterie donkerblauw en een Gram-negatieve bacterie rood. Het verschil tussen
gramnegatieve en grampositieve bacteriën wordt veroorzaakt door een verschil in de
structuur van de celwand: Grampositieve bacteriën hebben een dikke peptidoglycaanlaag die
ondoordringbaar is voor het alcoholmengsel, waardoor deze niet worden ontkleurd.
De grampositieve celwand heeft heel veel lagen mucopeptide met erg veel peptide-
dwarsverbindingen. In de Gramnegatieve celwand ligt slechts één laag mucopeptide met
weinig dwarsverbindingen erin. De celwand van een gramnegatieve cel is dan ook
kwetsbaarder dan die van een Grampositieve cel. Aan de buitenkant van het mucopeptide
,ligt een tweede cyotoplasmamembraan de zogenaamde buitenmembraan een laag
bestaande uit fosfolipiden , eiwitten en lipopolysaccharide.
Endospore: spore gevormd binnen in een normale cel, bijzonder resistent tegen hitte, en met
sterk lichtbrekend effect (Bacteria). De endospore of sporen zijn een structuur die zich vormt
in het cytoplasma van bepaalde soorten bacteriën wanneer de omgevingsomstandigheden
ongunstig zijn (voedingsstress, uitdroging, hitte, enz.). Door de endospore kunnen de
bacteriën deze ongunstige omstandigheden overleven in een vertraagde staat van leven
(slapende toestand). De endospore vertegenwoordigt dus een vorm van resistentie maar ook
een vorm van verspreiding.
, drie algemene vormen van bacteriën herkennen: bolvorm (coccus), staafvorm
(bacillus) en spiraalvorm (spirillum).
De levenscyclus van prokaryoten beschrijven waarbij aandacht is voor sporevorming
en horizontale genoverdracht
de opbouw van een prokaryoot benoemen en daarin minimaal het volgende (met
vermelding van functie) onderscheiden: celwand (grampositief en gramnegatief),
plasmamembraan, plasma en actineskelet, nucleoïde, ribosomen, plasmide, pilus/pili,
fimbriae, flagel(len), endospore en eventuele insluitsels.
Grampositief en gramnegatief: Grofweg zijn bacteriën in te delen in zogenaamde Gram-
positieve en Gram-negatieve bacteriën. Het woord Gram heeft te maken met een bepaalde
kleuring die toegepast wordt bij het bekijken van bacteriën. Bij die kleuring wordt een Gram-
positieve bacterie donkerblauw en een Gram-negatieve bacterie rood. Het verschil tussen
gramnegatieve en grampositieve bacteriën wordt veroorzaakt door een verschil in de
structuur van de celwand: Grampositieve bacteriën hebben een dikke peptidoglycaanlaag die
ondoordringbaar is voor het alcoholmengsel, waardoor deze niet worden ontkleurd.
De grampositieve celwand heeft heel veel lagen mucopeptide met erg veel peptide-
dwarsverbindingen. In de Gramnegatieve celwand ligt slechts één laag mucopeptide met
weinig dwarsverbindingen erin. De celwand van een gramnegatieve cel is dan ook
kwetsbaarder dan die van een Grampositieve cel. Aan de buitenkant van het mucopeptide
,ligt een tweede cyotoplasmamembraan de zogenaamde buitenmembraan een laag
bestaande uit fosfolipiden , eiwitten en lipopolysaccharide.
Endospore: spore gevormd binnen in een normale cel, bijzonder resistent tegen hitte, en met
sterk lichtbrekend effect (Bacteria). De endospore of sporen zijn een structuur die zich vormt
in het cytoplasma van bepaalde soorten bacteriën wanneer de omgevingsomstandigheden
ongunstig zijn (voedingsstress, uitdroging, hitte, enz.). Door de endospore kunnen de
bacteriën deze ongunstige omstandigheden overleven in een vertraagde staat van leven
(slapende toestand). De endospore vertegenwoordigt dus een vorm van resistentie maar ook
een vorm van verspreiding.
, drie algemene vormen van bacteriën herkennen: bolvorm (coccus), staafvorm
(bacillus) en spiraalvorm (spirillum).
De levenscyclus van prokaryoten beschrijven waarbij aandacht is voor sporevorming
en horizontale genoverdracht