Week 1
Basisbegrippen
Wanneer spreken we van geldend recht?
Rechtspositivisme
= Ziet geldend recht als de veranderlijke wet- en regelgeving die wordt uitgevaardigd door de
overheid, zonder een noodzakelijk verband met moraal. Het recht geldt dus als het volgens de juiste
regels tot stand gekomen is. Denk aan procedurele vereisten.
= Immoreel/onrechtvaardig recht is OOK recht!
=> uitgevaardigd recht
Natuurrechtsleer
= Recht moet inhoudelijk in orde zijn, enigszins moreel zijn om recht te kunnen heten. Het is de
natuur van de mens, hoe mensen zijn van nature. Denk aan inhoudelijke vereisten. Het moreel en
inhoudelijk kloppen met de natuur.
= Het verband tussen recht en moraal bestaat dus ‘van nature’
= Immoreel/onrechtvaardig ‘geldend’ recht is GEEN recht!
=> gepositiveerd recht
Moet je geldend recht altijd gehoorzamen?
Rechtspositivisme kun je onderverdelen in:
a. Normatief rechtspositivisme
Je moet je altijd aan het recht gehoorzamen! Ook al is het immoreel. Rechtszekerheid en
orde zijn het belangrijkst. Zonder recht is er chaos en geen rechtszekerheid. Wanorde is
namelijk het ergste wat er is.
Elk recht is beter dan geen recht.
b. Beschrijvend rechtspositivisme
Het gaat hier om een nette beschrijving van het recht, moraal wordt hier helemaal buiten
gelaten. Het gaat hier om juridische vraagstukken en geen morele vraagstukken/discussies.
Deze zeggen tegen het normatieve dat ze recht en moraal mengen terwijl dat niet thuishoort
in het rechtspositivisme.
Geeft geen mening over gehoorzaamheid.
Wat is moraal?
= Geheel van opvattingen over hoe je hoort te leven, goed en kwaad.
Rechts Moraal = moraal of filosofie die ook in het recht zit.
a. Breed (rechts)moraal = betreft het gehele menselijke leven. Heeft over ieder aspect van het
menselijk leven, denk aan voorschriften hoe je moet kleden. Zonder terughoudendheid.
b. Smal (rechts)moraal = beperkt tot de noodzakelijkheid voor vreedzaam leven. Gaat om
regels dat beperkt is over orde en vreedzaam samenleven. Hoe kan je vreedzaam met elkaar
samenleven? In Nederland hebben we een smalle (rechts) moraal. Denk aan
groepsbelediging die we in Nederland verbieden, want anders ontstaat er wanorde.
Verschil recht en moraal → recht is gericht op het uitwendige deel en moraal op het inwendige.
Recht van het recht zijn vooral formeel, regels van moraal juist informeel. Het recht kan worden
afgedwongen met regels, maar moraal juist niet.
,Vrijheden
= Vrijheid bestaat uit afwezigheid van belemmeringen. Je bent vrij als je onbelemmerd bent.
Je hebt verschillende soorten belemmeringen.
a. Negatieve vrijheid (extern)= Het is de vrijheid van storende aanwezigheid. Andere mensen
of de overheid belemmert je. Dit is de negatieve vrijheid. Je bent negatief vrij als iets er niet
is. Alleen zonder andermans bemoeienis zijn we vrij.
Hoe minder invloed van anderen, hoe groter de negatieve vrijheid
AFWEZIGHEID: NEGATIEF
b. Positieve vrijheid (intern) = Het is de vrijheid van de storende afwezigheid. Er zijn bepaalde
voorzieningen die ontbreken. Je bent belemmerd omdat er bepaalde dingen niet zijn, zoals
gezondheidszorg of recht op onderwijs. Ik kan pas vrij zijn als heel veel dingen door de
samenleving goed geregeld zijn, zoals publieke voorzieningen. Je bent pas vrij als iets
aanwezig is en niet vrij als iets afwezig is.
Hoe meer vrije keuze, hoe groter de positieve vrijheid
AANWEZIGHEID: POSITIEF
c. Wezens Vrijheid (intern)= Het is de vrijheid om je onbelemmerd volledig te ontplooien, vrij
van interne belemmeringen. Geestelijke belemmeringen, verslavingen of begeerten die ons
op sleeptouw nemen. Je kunt je onvrij in je hoofd voelen. Je bent bijna geen mens meer als je
die geestelijke belemmeringen niet weg hebt genomen.
Ethiek
= Kritisch nadenken over wat moreel goed is om te doen, onderdeel van de filosofie.
Wetenschappelijke studie van de moraal.
Geheel van gedachten over de gedragsregels die mensen tegenover elkaar in acht moeten nemen.
,Radbruch
Radbruch I
In de vooroorlogse periode was Radbruch een normatief rechtspositivist, hij vond ‘het bestaan van
rechtsorde belangrijker dan de rechtvaardigheid en doelgerichtheid ervan'.
We kunnen recht herkennen als recht door middel van rechtvaardigheid
3 waarden van het recht:
1. Rechtszekerheid → orde. Het moet worden geëist door het algemeen belang en door de
gerechtigheid dat recht zeker moet zijn. De inhoud mag niet vandaag en morgen van elkaar
verschillen.
2. Rechtvaardigheid → gelijke gevallen gelijk behandelen. Het recht moet gelijkheid hebben.
3. Doelgerichtheid → doelen van een staat/recht. Het recht in diens staat moet van algemeen
belang zijn, wat het volk ten nutte komt.
Recht = spanningen tussen de 3 waarden
Wat wil Radbruch met zijn rechtstheorie met de drie rechtswaarden?
Een rechtsstelsel die drie waarden vertegenwoordigt (rechtszekerheid, doelgerichtheid en
rechtsvaardigheid). Hij zegt dat hij aan de hand daarvan het recht kan begrijpen, beschouwen en
analyseren. Het recht bestaat namelijk uit spanningen tussen die drie waarden. Ze kunnen met elkaar
in strijd zijn en om die reden moet je het begrijpen.
De politiek: partijen verschillen van mening over welke rechtswaarde voorrang moet hebben.
Tijdperken waren vaak eenzijdig in de waarden van het recht
- Politiestaat → doelgerichtheid
- Natuurrechtsleer → rechtvaardigheid
- Rechtspositivisme → rechtszekerheid
Radbruch zegt: Het bestaan van een rechtsorde is belangrijker dan de rechtvaardigheid en de
doelgerichtheid ervan. Als recht bestaat moet je het gehoorzamen. Er moet orde zijn.
Volgens Radbruch is de verdelende rechtvaardigheid het fundamentele rechtsbegrip.
We kunnen het recht herkennen als recht door middel van rechtvaardigheid.
Recht is een verwezenlijking van rechtvaardigheid.
Radbruch II (na de tweede wereldoorlog)
Na de Tweede Wereldoorlog werd Radbruch een natuurrechtsleeraanhanger, hij vond dat
rechtvaardigheid de rechtszekerheid verslaat in gevallen van extreem onrecht. Ook stond hij voor
mensenrechten en dat iedereen gelijk behandeld moest worden.
Rechtsnormen zijn ongeldig wanneer zij zo scherp in conflict komen met fundamentele beginselen
van rechtvaardigheid dat een rechter die ze zou toepassen onrecht zou spreken in plaats van recht.
Hij ging van normatief rechtspositivist -> naar natuurrecht aanhanger
Hij vindt rechtszekerheid het belangrijkste, tenzij er extreem onrecht is. Dan is rechtvaardigheid het
belangrijkst.
, Kelsen
Kelsen was een beschrijvend rechtspositivist, want Kelsen rechtvaardigt het recht d.m.v. een
formele juridische normen in plaats van morele normen te gebruiken. Je moet recht beschrijven zoals
het is. Regels ontlenen hun gelding altijd aan andere, hogere normen, NIET aan feiten.
Het recht zelf is een kwestie van normen, zegt Kelsen.
Ideologie: recht hoeft niet rechtvaardig te zijn om geldig te zijn.
=> Het recht moet streng, objectief zijn en dientengevolge niet beïnvloed door het waardeoordeel van
het naar kennis van het recht strevende subject. Analyse en beschrijven van recht zonder ideologie.
Kelsen heeft zuivere rechtsleer = kennis van het recht zuiveren van feiten en moraal
1. Normen zijn afgeleid uit normen en kunnen niet afgeleid worden uit feiten
2. De rechtswetenschap moet de juridische werkelijkheid concreet analyseren en weergeven
Het gaat in de rechtsgeleerdheid om normen:
● Rechtsregels geven aan welk mogelijk menselijk gedrag toegestaan, verboden, geboden is
● De rechtssociologie en de criminologie daarentegen zijn geïnteresseerd in feiten: de
oorzaken en gevolgen van bepaald (crimineel; onrechtmatig; rechtsconform) gedrag
bijvoorbeeld
● Kelsen zegt dat het gaat om juridische normen en niet om morele normen.
Kelsen vraagt zichzelf af hoe je eigenlijk kan vaststellen of een norm een rechtsnorm is:
● Door te kijken naar hoe die norm tot stand is gekomen
● Een rechtsnorm geldt als rechtsnorm als degene die de norm heeft uitgevaardigd juridisch
bevoegd was om die norm uit te vaardigen
Hoe moeten we de rechtsregels dan wel verklaren?
Daarover zegt Kelsen dat regels nooit hun gelding kunnen ontlenen aan feiten, niet-regels. Want dan
ga je uit feiten een norm afleiden en dit mag niet. Regels kunnen alleen hun gelding ontlenen aan
regels. Een positieve rechtsnorm ontleent zijn gelding aan een hogere positieve rechtsnorm. Een
norm berust op een hogere norm, die een lagere norm mogelijk maakt en legitimeert.
Grundnorm = basisnorm, een norm die niet gemaakt is of naar een andere regel verwijst. Het is een
start voor al het geldend recht, al is het zelf geen geldend recht. Hoogste hypothetische Grundnorm.
- Het moet een beginpunt hebben, een norm waaraan andere normen ontleend worden.
Fundering van alle rechtsregels kan je lezen tot de grondnorm, die moet je veronderstellen.
De wil van de makers van de eerste grondwet.
- We moeten die veronderstellen, want die kan aan de hoogste regel geldigheid geven. De
grondnorm zelf is niet rechtsgeldig, het is een aanname van iets dat geldend recht is. Indien
de grondnorm wordt gezien als geldend recht, moet er juist weer sprake zijn van een norm
waarvan dit is afgeleid.
Wat gebeurt er met de Grundnorm als we de GW veranderen?
Er verandert niks aan de grondnorm, het wordt op een manier veranderd die is voorgeschreven
Wat gebeurt er met de Grundnorm na een geslaagde revolutie?
Het verandert als iemand de macht grijpt, “alles wat hij zegt is de wet” -> grondnorm is veranderd
Basisbegrippen
Wanneer spreken we van geldend recht?
Rechtspositivisme
= Ziet geldend recht als de veranderlijke wet- en regelgeving die wordt uitgevaardigd door de
overheid, zonder een noodzakelijk verband met moraal. Het recht geldt dus als het volgens de juiste
regels tot stand gekomen is. Denk aan procedurele vereisten.
= Immoreel/onrechtvaardig recht is OOK recht!
=> uitgevaardigd recht
Natuurrechtsleer
= Recht moet inhoudelijk in orde zijn, enigszins moreel zijn om recht te kunnen heten. Het is de
natuur van de mens, hoe mensen zijn van nature. Denk aan inhoudelijke vereisten. Het moreel en
inhoudelijk kloppen met de natuur.
= Het verband tussen recht en moraal bestaat dus ‘van nature’
= Immoreel/onrechtvaardig ‘geldend’ recht is GEEN recht!
=> gepositiveerd recht
Moet je geldend recht altijd gehoorzamen?
Rechtspositivisme kun je onderverdelen in:
a. Normatief rechtspositivisme
Je moet je altijd aan het recht gehoorzamen! Ook al is het immoreel. Rechtszekerheid en
orde zijn het belangrijkst. Zonder recht is er chaos en geen rechtszekerheid. Wanorde is
namelijk het ergste wat er is.
Elk recht is beter dan geen recht.
b. Beschrijvend rechtspositivisme
Het gaat hier om een nette beschrijving van het recht, moraal wordt hier helemaal buiten
gelaten. Het gaat hier om juridische vraagstukken en geen morele vraagstukken/discussies.
Deze zeggen tegen het normatieve dat ze recht en moraal mengen terwijl dat niet thuishoort
in het rechtspositivisme.
Geeft geen mening over gehoorzaamheid.
Wat is moraal?
= Geheel van opvattingen over hoe je hoort te leven, goed en kwaad.
Rechts Moraal = moraal of filosofie die ook in het recht zit.
a. Breed (rechts)moraal = betreft het gehele menselijke leven. Heeft over ieder aspect van het
menselijk leven, denk aan voorschriften hoe je moet kleden. Zonder terughoudendheid.
b. Smal (rechts)moraal = beperkt tot de noodzakelijkheid voor vreedzaam leven. Gaat om
regels dat beperkt is over orde en vreedzaam samenleven. Hoe kan je vreedzaam met elkaar
samenleven? In Nederland hebben we een smalle (rechts) moraal. Denk aan
groepsbelediging die we in Nederland verbieden, want anders ontstaat er wanorde.
Verschil recht en moraal → recht is gericht op het uitwendige deel en moraal op het inwendige.
Recht van het recht zijn vooral formeel, regels van moraal juist informeel. Het recht kan worden
afgedwongen met regels, maar moraal juist niet.
,Vrijheden
= Vrijheid bestaat uit afwezigheid van belemmeringen. Je bent vrij als je onbelemmerd bent.
Je hebt verschillende soorten belemmeringen.
a. Negatieve vrijheid (extern)= Het is de vrijheid van storende aanwezigheid. Andere mensen
of de overheid belemmert je. Dit is de negatieve vrijheid. Je bent negatief vrij als iets er niet
is. Alleen zonder andermans bemoeienis zijn we vrij.
Hoe minder invloed van anderen, hoe groter de negatieve vrijheid
AFWEZIGHEID: NEGATIEF
b. Positieve vrijheid (intern) = Het is de vrijheid van de storende afwezigheid. Er zijn bepaalde
voorzieningen die ontbreken. Je bent belemmerd omdat er bepaalde dingen niet zijn, zoals
gezondheidszorg of recht op onderwijs. Ik kan pas vrij zijn als heel veel dingen door de
samenleving goed geregeld zijn, zoals publieke voorzieningen. Je bent pas vrij als iets
aanwezig is en niet vrij als iets afwezig is.
Hoe meer vrije keuze, hoe groter de positieve vrijheid
AANWEZIGHEID: POSITIEF
c. Wezens Vrijheid (intern)= Het is de vrijheid om je onbelemmerd volledig te ontplooien, vrij
van interne belemmeringen. Geestelijke belemmeringen, verslavingen of begeerten die ons
op sleeptouw nemen. Je kunt je onvrij in je hoofd voelen. Je bent bijna geen mens meer als je
die geestelijke belemmeringen niet weg hebt genomen.
Ethiek
= Kritisch nadenken over wat moreel goed is om te doen, onderdeel van de filosofie.
Wetenschappelijke studie van de moraal.
Geheel van gedachten over de gedragsregels die mensen tegenover elkaar in acht moeten nemen.
,Radbruch
Radbruch I
In de vooroorlogse periode was Radbruch een normatief rechtspositivist, hij vond ‘het bestaan van
rechtsorde belangrijker dan de rechtvaardigheid en doelgerichtheid ervan'.
We kunnen recht herkennen als recht door middel van rechtvaardigheid
3 waarden van het recht:
1. Rechtszekerheid → orde. Het moet worden geëist door het algemeen belang en door de
gerechtigheid dat recht zeker moet zijn. De inhoud mag niet vandaag en morgen van elkaar
verschillen.
2. Rechtvaardigheid → gelijke gevallen gelijk behandelen. Het recht moet gelijkheid hebben.
3. Doelgerichtheid → doelen van een staat/recht. Het recht in diens staat moet van algemeen
belang zijn, wat het volk ten nutte komt.
Recht = spanningen tussen de 3 waarden
Wat wil Radbruch met zijn rechtstheorie met de drie rechtswaarden?
Een rechtsstelsel die drie waarden vertegenwoordigt (rechtszekerheid, doelgerichtheid en
rechtsvaardigheid). Hij zegt dat hij aan de hand daarvan het recht kan begrijpen, beschouwen en
analyseren. Het recht bestaat namelijk uit spanningen tussen die drie waarden. Ze kunnen met elkaar
in strijd zijn en om die reden moet je het begrijpen.
De politiek: partijen verschillen van mening over welke rechtswaarde voorrang moet hebben.
Tijdperken waren vaak eenzijdig in de waarden van het recht
- Politiestaat → doelgerichtheid
- Natuurrechtsleer → rechtvaardigheid
- Rechtspositivisme → rechtszekerheid
Radbruch zegt: Het bestaan van een rechtsorde is belangrijker dan de rechtvaardigheid en de
doelgerichtheid ervan. Als recht bestaat moet je het gehoorzamen. Er moet orde zijn.
Volgens Radbruch is de verdelende rechtvaardigheid het fundamentele rechtsbegrip.
We kunnen het recht herkennen als recht door middel van rechtvaardigheid.
Recht is een verwezenlijking van rechtvaardigheid.
Radbruch II (na de tweede wereldoorlog)
Na de Tweede Wereldoorlog werd Radbruch een natuurrechtsleeraanhanger, hij vond dat
rechtvaardigheid de rechtszekerheid verslaat in gevallen van extreem onrecht. Ook stond hij voor
mensenrechten en dat iedereen gelijk behandeld moest worden.
Rechtsnormen zijn ongeldig wanneer zij zo scherp in conflict komen met fundamentele beginselen
van rechtvaardigheid dat een rechter die ze zou toepassen onrecht zou spreken in plaats van recht.
Hij ging van normatief rechtspositivist -> naar natuurrecht aanhanger
Hij vindt rechtszekerheid het belangrijkste, tenzij er extreem onrecht is. Dan is rechtvaardigheid het
belangrijkst.
, Kelsen
Kelsen was een beschrijvend rechtspositivist, want Kelsen rechtvaardigt het recht d.m.v. een
formele juridische normen in plaats van morele normen te gebruiken. Je moet recht beschrijven zoals
het is. Regels ontlenen hun gelding altijd aan andere, hogere normen, NIET aan feiten.
Het recht zelf is een kwestie van normen, zegt Kelsen.
Ideologie: recht hoeft niet rechtvaardig te zijn om geldig te zijn.
=> Het recht moet streng, objectief zijn en dientengevolge niet beïnvloed door het waardeoordeel van
het naar kennis van het recht strevende subject. Analyse en beschrijven van recht zonder ideologie.
Kelsen heeft zuivere rechtsleer = kennis van het recht zuiveren van feiten en moraal
1. Normen zijn afgeleid uit normen en kunnen niet afgeleid worden uit feiten
2. De rechtswetenschap moet de juridische werkelijkheid concreet analyseren en weergeven
Het gaat in de rechtsgeleerdheid om normen:
● Rechtsregels geven aan welk mogelijk menselijk gedrag toegestaan, verboden, geboden is
● De rechtssociologie en de criminologie daarentegen zijn geïnteresseerd in feiten: de
oorzaken en gevolgen van bepaald (crimineel; onrechtmatig; rechtsconform) gedrag
bijvoorbeeld
● Kelsen zegt dat het gaat om juridische normen en niet om morele normen.
Kelsen vraagt zichzelf af hoe je eigenlijk kan vaststellen of een norm een rechtsnorm is:
● Door te kijken naar hoe die norm tot stand is gekomen
● Een rechtsnorm geldt als rechtsnorm als degene die de norm heeft uitgevaardigd juridisch
bevoegd was om die norm uit te vaardigen
Hoe moeten we de rechtsregels dan wel verklaren?
Daarover zegt Kelsen dat regels nooit hun gelding kunnen ontlenen aan feiten, niet-regels. Want dan
ga je uit feiten een norm afleiden en dit mag niet. Regels kunnen alleen hun gelding ontlenen aan
regels. Een positieve rechtsnorm ontleent zijn gelding aan een hogere positieve rechtsnorm. Een
norm berust op een hogere norm, die een lagere norm mogelijk maakt en legitimeert.
Grundnorm = basisnorm, een norm die niet gemaakt is of naar een andere regel verwijst. Het is een
start voor al het geldend recht, al is het zelf geen geldend recht. Hoogste hypothetische Grundnorm.
- Het moet een beginpunt hebben, een norm waaraan andere normen ontleend worden.
Fundering van alle rechtsregels kan je lezen tot de grondnorm, die moet je veronderstellen.
De wil van de makers van de eerste grondwet.
- We moeten die veronderstellen, want die kan aan de hoogste regel geldigheid geven. De
grondnorm zelf is niet rechtsgeldig, het is een aanname van iets dat geldend recht is. Indien
de grondnorm wordt gezien als geldend recht, moet er juist weer sprake zijn van een norm
waarvan dit is afgeleid.
Wat gebeurt er met de Grundnorm als we de GW veranderen?
Er verandert niks aan de grondnorm, het wordt op een manier veranderd die is voorgeschreven
Wat gebeurt er met de Grundnorm na een geslaagde revolutie?
Het verandert als iemand de macht grijpt, “alles wat hij zegt is de wet” -> grondnorm is veranderd