Samenvatting sociologie literatuur
Probleem 1: Dürkheim
Leerdoel 1: Wat is het uitgangspunt van Durkheim? Hoe draagt het bij aan onze sociologische verbeelding?
Durkheim (1858-1917) wordt beschouwd als een van de grondleggers van de sociologie. Zijn doel was om aan te tonen
waarom sociologie nodig was als apart wetenschapsgebied. Durkheim zei dat de samenleving meer is dan de
optelsom van individuen.
Hij gebruikte een vergelijking met chemie: een levende cel bestaat uit chemische deeltjes zoals waterstof, zuurstof,
koolstof en stikstof. Maar "leven" zelf zit niet in die losse deeltjes – het ontstaat pas door hun samenkomst. Zo werkt het
ook met de samenleving: individuen vormen samen iets nieuws dat niet alleen uit hun eigenschappen is af te leiden.
Wanneer mensen samenkomen, ontstaat er een sociale werkelijkheid die niet te herleiden is tot alleen individuele
gedachten of gedragingen.
Dit "extra" is waar sociologen zich op richten. Durkheim noemt dit het sociaal feit = manieren van denken, voelen en
handelen die extern aan, maar met een dwingende invloed op het individu zijn.
Belangrijke kenmerken:
● Extern aan: sociale feiten bestaan buiten het individu. Ze ontstaan pas zodra individuen samenkomen.
● Dwingende invloed: je kan jezelf er nauwelijks aan onttrekken, deze feiten zitten buiten je, maar beïnvloeden je
wel.
‘Niet alleen zijn deze vormen van handelen en denken extern aan het individu, ze hebben ook een dwingende en
overtuigende kracht waardoor, of iemand het nu wil of niet, ze zich aan hem/haar opdringen.’
Het sociale leven dringt zich dus op allerlei manieren aan je op, je wordt gedwongen je ertoe te verhouden, zelfs al moet
je er niks van hebben.
Soorten sociale feiten:
● Materiële sociale feiten → tastbare dingen VB: architectuur, architectuur dwingt je om een bepaalde weg te
nemen omdat je een andere weg niet kan nemen. Architectuur kan iets met je gevoel doen)
● Immateriële sociale feiten → dingen die niet tastbaar zijn VB: collectieve representaties, mythes, legendes,
religieuze verhalen etc.) al deze dingen hebben invloed op het individu terwijl ze niet in het individu zitten. Labels
en wetenschappelijke kennis als immateriële sociale feiten; ze hebben (dwingende) invloed op mensen, hun
zelfbeeld, biografie, ideeën over waarom ze dingen wel/niet kunnen.
Soorten immateriële sociale feiten:
○ Moraliteit: Morele regels ontstaan in de samenleving en bepalen hoe mensen zich horen te gedragen.
Durkheim zag moraliteit als essentieel voor sociale orde en vond dat eigenbelang niet de overhand zou
krijgen.
○ Collectief bewustzijn: Dit is het geheel van gedeelde overtuigingen en normen in een samenleving. In
traditionele samenlevingen was dit sterker, omdat mensen meer dezelfde waarden deelden.
○ Collectieve representaties: Symbolen, mythes en rituelen weerspiegelen de gedeelde normen en
overtuigingen van een samenleving. Ze beïnvloeden hoe mensen denken en handelen.
○ Sociale stromingen: Sterke collectieve gevoelens, zoals enthousiasme of protest, die individuen kunnen
meeslepen. Ze beïnvloeden gedrag en kunnen maatschappelijke veranderingen veroorzaken.
→ Je kunt sociale feiten alleen maar verklaren door andere sociale feiten (VB: Criminaliteit kun je niet alleen verklaren
door persoonlijke keuzes, maar ook door armoede en sociale ongelijkheid)
Hoe draagt dit bij aan onze sociologische verbeelding?
Durkheims concept van het sociaal feit helpt ons bij het vermogen om individuele ervaringen in verband te brengen met
bredere sociale structuren. Door sociale feiten te analyseren, helpt de sociologie ons om sociale problemen niet alleen
als individuele kwesties te zien, maar als structurele fenomenen die een bredere maatschappelijke verklaring vereisen.
VB: Bijvoorbeeld, criminaliteit kan niet simpelweg verklaard worden als het resultaat van individuele keuzes, maar moet
worden gezien binnen een sociale context. Factoren zoals economische ongelijkheid, normverandering en sociale
cohesie spelen een rol in het begrijpen waarom criminaliteit ontstaat en in welke mate.
,Leerdoel 2: Begrippen
Division of labour
Het begrip "division of labour" (arbeidsverdeling) bij Durkheim verwijst naar hoe taken in de samenleving worden
verdeeld tussen mensen.
Hij zag arbeidsverdeling als een belangrijk kenmerk van moderne samenlevingen, waarbij mensen zich steeds meer
specialiseren in bepaalde beroepen. Dit zorgt ervoor dat mensen van elkaar afhankelijk worden, wat bijdraagt aan
sociale samenhang omdat iedereen verschillende taken en verantwoordelijkheden heeft (=organische solidariteit). In
traditionele samenlevingen was er minder arbeidsdeling en was de sociale samenhang vooral gebaseerd op gedeelde
normen en waarden. De band tussen mensen is dat ze allemaal vergelijkbare activiteiten uitvoeren en vergelijkbare
verantwoordelijkheden hebben (=mechanische solidariteit).
● Mechanische solidariteit: kan je zonder elkaar leven.
● Organische solidariteit: je hebt elkaar nodig om te leven.
Repressief en restitutief recht
In The Division of Labor in Society koos Durkheim ervoor om de verschillen tussen het recht in samenlevingen met
mechanische solidariteit en het recht in samenlevingen met organische solidariteit te bestuderen.
● Een samenleving met mechanische solidariteit werd gekarakteriseerd door repressief recht. VB: kleine
overtredingen worden zwaar bestraft, omdat mensen sterk geloven in een gemeenschappelijke moraal.
● Een samenleving met organische solidariteit werd gekarakteriseerd door restitutieve wetgeving, waarbij
misdadigers schade vergoeden in plaats van zwaar bestraft te worden. Overtredingen worden gezien als
aanvallen op individuen of groepen, niet op het collectieve morele systeem, en de reactie is vaak minder
emotioneel.
→ Mensen moeten hersteld worden want ze moeten weer mee kunnen draaien in de samenleving.
Dynamische dichtheid
De overgang van mechanische- naar organische solidariteit kwam door de dynamische dichtheid. Dynamische
dichtheid verwijst naar de bevolkingsgrootte en interacties binnen een samenleving. Door industrialisatie en
arbeidsverdeling nam samenwerking af, waardoor mechanische solidariteit werd vervangen door organische solidariteit.
Dit maakte het collectief bewustzijn zwakker, omdat mensen minder gedeelde ervaringen hadden.
Collectief bewustzijn
= Het geheel van gedeelde overtuigingen, normen en waarden binnen een samenleving, dat het gedrag van individuen
beïnvloedt.
Sociale pathologie
Afwijken van het normale wees volgens Durkheim op een pathologische samenleving. Door het afwijken van normaal
kan een samenleving ‘ongezond’ worden. Het idee hierachter is dat een samenleving, net als een organisme, kan lijden
aan ziekten (VB: criminaliteit, armoede) als mensen zich niet aan de normen houden.
Anomie
Normloosheid. Het ontstaat wanneer sociale normen vervagen of niet meer duidelijk zijn, vaak door snelle
maatschappelijke veranderingen. VB: Industrialisatie, wat leidt tot werkloosheid en onzekerheid, wat weer sociale
ontwrichting kan veroorzaken.
Hoe hebben deze begrippen met elkaar te maken?
Durkheim stelde dat de samenleving meer is dan de optelsom van individuen. Hij introduceerde het sociaal feit: externe, dwingende structuren
zoals moraliteit, collectief bewustzijn, collectieve representaties en sociale stromingen, die individuen beïnvloeden.
Door arbeidsverdeling (division of labour) veranderde de sociale structuur. In traditionele samenlevingen heerste mechanische solidariteit
(gemeenschappelijke normen, repressief recht), terwijl moderne samenlevingen gekenmerkt worden door organische solidariteit (specialisatie,
onderlinge afhankelijkheid, restitutief recht). Dit proces werd aangedreven door dynamische dichtheid (groeiende bevolking en interacties).
Wanneer normen verdwijnen of verzwakken, ontstaat anomie (normloosheid), bijvoorbeeld door industrialisatie en werkloosheid. Dit kan leiden tot
sociale pathologie, waarbij afwijkingen van normen de samenleving "ongezond" maken, zoals bij criminaliteit of armoede.
, Sociale integratie
Sociale integratie betekent dat individuen de normen en waarden van een groep overnemen en er deel van uitmaken.
Dit kan plaatsvinden via:
● Religie - biedt een sociale context en houvast
● Politiek - kan mensen verbinden door gedeelde waarden en regels
● Familie - de hechtheid van familiebanden bepaalt hoe sterk iemand sociaal geïntegreerd is
● Overige factoren - zoals werk of vriendschappen
Suicide
Durkheim zag suicide niet als puur individueel, maar als gevolg van sociale factoren. Hij onderscheid 4 typen:
1. Egoïstische zelfmoord: gevolg afwezigheid van sociale integratie. Individuen die sociaal verstoten zijn en zich
zelf eenzaam en een outsider voelen. VB: een student die naar een nieuwe stad verhuist en zich sociaal
geïsoleerd voelt.
2. Altruïstische zelfmoord: gevolg te veel aanwezigheid van sociale integratie. Individuen zijn zo erg geïntegreerd
dat zij bereid zijn hun eigen leven op te geven om een bepaalde verplichting voor de groep na te komen. Doden
zichzelf voor het collectieve voordeel. VB: 9/11, piloten offeren zichzelf op voor de rest van de groep/geloof.
3. Anomische zelfmoord: gevolg van afwezigheid van sociale regulatie. Komt voor tijdens hoge niveaus van stress
en frustratie. Kan ontstaan door gevoel van anomie: onrust door plotselinge veranderingen, gebrek aan normen en
waarden etc. VB: een extreem financieel verlies leidt tot teleurstelling en stress
4. Fatalistische zelfmoord: gevolg van de aanwezigheid van te veel regulatie. Individu staat onder extreme regels of
er worden hoge verwachtingen gesteld, waardoor het zelfgevoel en individualiteit wordt weggenomen. VB:
slavernij en vervolging; individuen hebben geen vooruitzicht op individuele regulatie en zien geen andere uitweg
→ Integratie: Sterkte van de band met de samenleving
→ Regulatie: Mate van externe dwang op mensen.
Imitatie
Durkheim bespreekt in suicide de rol van imitatie:
Imitatie = nabootsen van gedrag van anderen. Durkheim onderscheidde drie vormen van imitatie:
1. Collectieve actie – mensen gedragen zich hetzelfde omdat ze zich in dezelfde sociale omstandigheden
bevinden.
2. Sociale imitatie – mensen kopiëren gedrag van personen met hoge status of prestige. Dit wordt gestuurd door
de sociale autoriteit.
3. Eenvoudige besmetting – psychologische imitatie, waarbij gedrag zich als een soort virus verspreidt.
Durkheim benadrukte vooral sociale imitatie, waarbij autoriteit en prestige een rol spelen. In zijn studie over zelfmoord
onderzocht hij of imitatie suïcidaal gedrag veroorzaakt. Hij vond echter dat imitatie alleen invloed heeft als er al een
sociale predispositie (VB: anomie of lage sociale integratie) aanwezig is.
Sociale disfunctie
Sociale disfunctie bij Durkheim verwijst naar verstoringen in sociale structuren die leiden tot problemen zoals anomie,
criminaliteit en sociale desintegratie. Dit gebeurt wanneer sociale instituties (familie, religie, onderwijs, etc.) falen
in hun regulerende en bindende functie. Gevolgen zijn VB: normloosheid, zwakke sociale cohesie en toenemende
spanning in de samenleving. Hoewel sociale disfunctie negatieve effecten heeft, kan het ook duiden op de noodzaak
van maatschappelijke verandering.
Leerdoel 3: Hoe kan Durkheims werk toegepast worden op bijvoorbeeld deviantie/delinquentie? Wat levert dat
ons op?
Delinquentie als sociaal feit
● Crimineel gedrag is geen puur individuele keuze, maar een sociaal feit dat wordt beïnvloed door externe factoren
zoals familiebanden en sociale omgeving.
● Het wordt verklaard door andere sociale feiten (VB: slechte sociale bindingen)
Oorzaken van delinquentie
● Imitatie: Mensen nemen gedrag over van anderen, vooral van personen met prestige of invloed. Dit sluit aan bij
theorieën zoals sociale leertheorie.
Probleem 1: Dürkheim
Leerdoel 1: Wat is het uitgangspunt van Durkheim? Hoe draagt het bij aan onze sociologische verbeelding?
Durkheim (1858-1917) wordt beschouwd als een van de grondleggers van de sociologie. Zijn doel was om aan te tonen
waarom sociologie nodig was als apart wetenschapsgebied. Durkheim zei dat de samenleving meer is dan de
optelsom van individuen.
Hij gebruikte een vergelijking met chemie: een levende cel bestaat uit chemische deeltjes zoals waterstof, zuurstof,
koolstof en stikstof. Maar "leven" zelf zit niet in die losse deeltjes – het ontstaat pas door hun samenkomst. Zo werkt het
ook met de samenleving: individuen vormen samen iets nieuws dat niet alleen uit hun eigenschappen is af te leiden.
Wanneer mensen samenkomen, ontstaat er een sociale werkelijkheid die niet te herleiden is tot alleen individuele
gedachten of gedragingen.
Dit "extra" is waar sociologen zich op richten. Durkheim noemt dit het sociaal feit = manieren van denken, voelen en
handelen die extern aan, maar met een dwingende invloed op het individu zijn.
Belangrijke kenmerken:
● Extern aan: sociale feiten bestaan buiten het individu. Ze ontstaan pas zodra individuen samenkomen.
● Dwingende invloed: je kan jezelf er nauwelijks aan onttrekken, deze feiten zitten buiten je, maar beïnvloeden je
wel.
‘Niet alleen zijn deze vormen van handelen en denken extern aan het individu, ze hebben ook een dwingende en
overtuigende kracht waardoor, of iemand het nu wil of niet, ze zich aan hem/haar opdringen.’
Het sociale leven dringt zich dus op allerlei manieren aan je op, je wordt gedwongen je ertoe te verhouden, zelfs al moet
je er niks van hebben.
Soorten sociale feiten:
● Materiële sociale feiten → tastbare dingen VB: architectuur, architectuur dwingt je om een bepaalde weg te
nemen omdat je een andere weg niet kan nemen. Architectuur kan iets met je gevoel doen)
● Immateriële sociale feiten → dingen die niet tastbaar zijn VB: collectieve representaties, mythes, legendes,
religieuze verhalen etc.) al deze dingen hebben invloed op het individu terwijl ze niet in het individu zitten. Labels
en wetenschappelijke kennis als immateriële sociale feiten; ze hebben (dwingende) invloed op mensen, hun
zelfbeeld, biografie, ideeën over waarom ze dingen wel/niet kunnen.
Soorten immateriële sociale feiten:
○ Moraliteit: Morele regels ontstaan in de samenleving en bepalen hoe mensen zich horen te gedragen.
Durkheim zag moraliteit als essentieel voor sociale orde en vond dat eigenbelang niet de overhand zou
krijgen.
○ Collectief bewustzijn: Dit is het geheel van gedeelde overtuigingen en normen in een samenleving. In
traditionele samenlevingen was dit sterker, omdat mensen meer dezelfde waarden deelden.
○ Collectieve representaties: Symbolen, mythes en rituelen weerspiegelen de gedeelde normen en
overtuigingen van een samenleving. Ze beïnvloeden hoe mensen denken en handelen.
○ Sociale stromingen: Sterke collectieve gevoelens, zoals enthousiasme of protest, die individuen kunnen
meeslepen. Ze beïnvloeden gedrag en kunnen maatschappelijke veranderingen veroorzaken.
→ Je kunt sociale feiten alleen maar verklaren door andere sociale feiten (VB: Criminaliteit kun je niet alleen verklaren
door persoonlijke keuzes, maar ook door armoede en sociale ongelijkheid)
Hoe draagt dit bij aan onze sociologische verbeelding?
Durkheims concept van het sociaal feit helpt ons bij het vermogen om individuele ervaringen in verband te brengen met
bredere sociale structuren. Door sociale feiten te analyseren, helpt de sociologie ons om sociale problemen niet alleen
als individuele kwesties te zien, maar als structurele fenomenen die een bredere maatschappelijke verklaring vereisen.
VB: Bijvoorbeeld, criminaliteit kan niet simpelweg verklaard worden als het resultaat van individuele keuzes, maar moet
worden gezien binnen een sociale context. Factoren zoals economische ongelijkheid, normverandering en sociale
cohesie spelen een rol in het begrijpen waarom criminaliteit ontstaat en in welke mate.
,Leerdoel 2: Begrippen
Division of labour
Het begrip "division of labour" (arbeidsverdeling) bij Durkheim verwijst naar hoe taken in de samenleving worden
verdeeld tussen mensen.
Hij zag arbeidsverdeling als een belangrijk kenmerk van moderne samenlevingen, waarbij mensen zich steeds meer
specialiseren in bepaalde beroepen. Dit zorgt ervoor dat mensen van elkaar afhankelijk worden, wat bijdraagt aan
sociale samenhang omdat iedereen verschillende taken en verantwoordelijkheden heeft (=organische solidariteit). In
traditionele samenlevingen was er minder arbeidsdeling en was de sociale samenhang vooral gebaseerd op gedeelde
normen en waarden. De band tussen mensen is dat ze allemaal vergelijkbare activiteiten uitvoeren en vergelijkbare
verantwoordelijkheden hebben (=mechanische solidariteit).
● Mechanische solidariteit: kan je zonder elkaar leven.
● Organische solidariteit: je hebt elkaar nodig om te leven.
Repressief en restitutief recht
In The Division of Labor in Society koos Durkheim ervoor om de verschillen tussen het recht in samenlevingen met
mechanische solidariteit en het recht in samenlevingen met organische solidariteit te bestuderen.
● Een samenleving met mechanische solidariteit werd gekarakteriseerd door repressief recht. VB: kleine
overtredingen worden zwaar bestraft, omdat mensen sterk geloven in een gemeenschappelijke moraal.
● Een samenleving met organische solidariteit werd gekarakteriseerd door restitutieve wetgeving, waarbij
misdadigers schade vergoeden in plaats van zwaar bestraft te worden. Overtredingen worden gezien als
aanvallen op individuen of groepen, niet op het collectieve morele systeem, en de reactie is vaak minder
emotioneel.
→ Mensen moeten hersteld worden want ze moeten weer mee kunnen draaien in de samenleving.
Dynamische dichtheid
De overgang van mechanische- naar organische solidariteit kwam door de dynamische dichtheid. Dynamische
dichtheid verwijst naar de bevolkingsgrootte en interacties binnen een samenleving. Door industrialisatie en
arbeidsverdeling nam samenwerking af, waardoor mechanische solidariteit werd vervangen door organische solidariteit.
Dit maakte het collectief bewustzijn zwakker, omdat mensen minder gedeelde ervaringen hadden.
Collectief bewustzijn
= Het geheel van gedeelde overtuigingen, normen en waarden binnen een samenleving, dat het gedrag van individuen
beïnvloedt.
Sociale pathologie
Afwijken van het normale wees volgens Durkheim op een pathologische samenleving. Door het afwijken van normaal
kan een samenleving ‘ongezond’ worden. Het idee hierachter is dat een samenleving, net als een organisme, kan lijden
aan ziekten (VB: criminaliteit, armoede) als mensen zich niet aan de normen houden.
Anomie
Normloosheid. Het ontstaat wanneer sociale normen vervagen of niet meer duidelijk zijn, vaak door snelle
maatschappelijke veranderingen. VB: Industrialisatie, wat leidt tot werkloosheid en onzekerheid, wat weer sociale
ontwrichting kan veroorzaken.
Hoe hebben deze begrippen met elkaar te maken?
Durkheim stelde dat de samenleving meer is dan de optelsom van individuen. Hij introduceerde het sociaal feit: externe, dwingende structuren
zoals moraliteit, collectief bewustzijn, collectieve representaties en sociale stromingen, die individuen beïnvloeden.
Door arbeidsverdeling (division of labour) veranderde de sociale structuur. In traditionele samenlevingen heerste mechanische solidariteit
(gemeenschappelijke normen, repressief recht), terwijl moderne samenlevingen gekenmerkt worden door organische solidariteit (specialisatie,
onderlinge afhankelijkheid, restitutief recht). Dit proces werd aangedreven door dynamische dichtheid (groeiende bevolking en interacties).
Wanneer normen verdwijnen of verzwakken, ontstaat anomie (normloosheid), bijvoorbeeld door industrialisatie en werkloosheid. Dit kan leiden tot
sociale pathologie, waarbij afwijkingen van normen de samenleving "ongezond" maken, zoals bij criminaliteit of armoede.
, Sociale integratie
Sociale integratie betekent dat individuen de normen en waarden van een groep overnemen en er deel van uitmaken.
Dit kan plaatsvinden via:
● Religie - biedt een sociale context en houvast
● Politiek - kan mensen verbinden door gedeelde waarden en regels
● Familie - de hechtheid van familiebanden bepaalt hoe sterk iemand sociaal geïntegreerd is
● Overige factoren - zoals werk of vriendschappen
Suicide
Durkheim zag suicide niet als puur individueel, maar als gevolg van sociale factoren. Hij onderscheid 4 typen:
1. Egoïstische zelfmoord: gevolg afwezigheid van sociale integratie. Individuen die sociaal verstoten zijn en zich
zelf eenzaam en een outsider voelen. VB: een student die naar een nieuwe stad verhuist en zich sociaal
geïsoleerd voelt.
2. Altruïstische zelfmoord: gevolg te veel aanwezigheid van sociale integratie. Individuen zijn zo erg geïntegreerd
dat zij bereid zijn hun eigen leven op te geven om een bepaalde verplichting voor de groep na te komen. Doden
zichzelf voor het collectieve voordeel. VB: 9/11, piloten offeren zichzelf op voor de rest van de groep/geloof.
3. Anomische zelfmoord: gevolg van afwezigheid van sociale regulatie. Komt voor tijdens hoge niveaus van stress
en frustratie. Kan ontstaan door gevoel van anomie: onrust door plotselinge veranderingen, gebrek aan normen en
waarden etc. VB: een extreem financieel verlies leidt tot teleurstelling en stress
4. Fatalistische zelfmoord: gevolg van de aanwezigheid van te veel regulatie. Individu staat onder extreme regels of
er worden hoge verwachtingen gesteld, waardoor het zelfgevoel en individualiteit wordt weggenomen. VB:
slavernij en vervolging; individuen hebben geen vooruitzicht op individuele regulatie en zien geen andere uitweg
→ Integratie: Sterkte van de band met de samenleving
→ Regulatie: Mate van externe dwang op mensen.
Imitatie
Durkheim bespreekt in suicide de rol van imitatie:
Imitatie = nabootsen van gedrag van anderen. Durkheim onderscheidde drie vormen van imitatie:
1. Collectieve actie – mensen gedragen zich hetzelfde omdat ze zich in dezelfde sociale omstandigheden
bevinden.
2. Sociale imitatie – mensen kopiëren gedrag van personen met hoge status of prestige. Dit wordt gestuurd door
de sociale autoriteit.
3. Eenvoudige besmetting – psychologische imitatie, waarbij gedrag zich als een soort virus verspreidt.
Durkheim benadrukte vooral sociale imitatie, waarbij autoriteit en prestige een rol spelen. In zijn studie over zelfmoord
onderzocht hij of imitatie suïcidaal gedrag veroorzaakt. Hij vond echter dat imitatie alleen invloed heeft als er al een
sociale predispositie (VB: anomie of lage sociale integratie) aanwezig is.
Sociale disfunctie
Sociale disfunctie bij Durkheim verwijst naar verstoringen in sociale structuren die leiden tot problemen zoals anomie,
criminaliteit en sociale desintegratie. Dit gebeurt wanneer sociale instituties (familie, religie, onderwijs, etc.) falen
in hun regulerende en bindende functie. Gevolgen zijn VB: normloosheid, zwakke sociale cohesie en toenemende
spanning in de samenleving. Hoewel sociale disfunctie negatieve effecten heeft, kan het ook duiden op de noodzaak
van maatschappelijke verandering.
Leerdoel 3: Hoe kan Durkheims werk toegepast worden op bijvoorbeeld deviantie/delinquentie? Wat levert dat
ons op?
Delinquentie als sociaal feit
● Crimineel gedrag is geen puur individuele keuze, maar een sociaal feit dat wordt beïnvloed door externe factoren
zoals familiebanden en sociale omgeving.
● Het wordt verklaard door andere sociale feiten (VB: slechte sociale bindingen)
Oorzaken van delinquentie
● Imitatie: Mensen nemen gedrag over van anderen, vooral van personen met prestige of invloed. Dit sluit aan bij
theorieën zoals sociale leertheorie.