HOOFDSTUK 1
Ultimum remedium > onze strafrechtscultuur is terughoudend.
Absolute vergeldingstheorieen: misdrijf vormt de grondslag van de straf, niet het
effect ervan en het doel.
Relatieve/doel theorieen: rechtvaardiging van de straf is gelegen in het doel
daarvan.
Beccaria --> klassieke richting; sociaal contract; vrijheid van burger voorop, staat
onthield zich van ingrijpen; maximale geluk voor maximale aantal mensen. Voor het
strafrecht betekent dit: alleen nog geschreven wetboeken, geen onnodige
strafbaarstellingen, duidelijke formuleringen, proportionele straffen...
Moderne richting > niet de daad maar de dader staat centraal.
Verenigingstheorie > sterk onderscheid tussen rechtsgrond en doel.
Assimilatie beginsel: lidstaten moeten schendingen op een manier bestraffen die
analoog is aan de bestraffing van overtreding van vergelijkbare nationale normen.
Richtlijn --> termijn om te implementeren, deze is dwingend.
Verordening --> algemene strekking, in al haar onderdelen bindend en is
rechtstreeks toepasselijk.
HOOFDSTUK 2
Strafbaar feit, drie dimensies van het begrip:
1. Historisch strafbaar feit > gedraging, leidende tot een bepaald ongewenst
resultaat is een strafbaar feit omdat de wet dit als zodanig omschrijft
2. Wettelijke strafbare feiten > delictsomschrijving in de wettelijke bepaling
waarop in beginsel de algemene bepalingen van het Wetboek van Strafrecht
van toepassing zijn
3. Juridisch strafbaar feit > er zijn strafrechtdogmatische voorwaarden voor
strafbaarheid, die nadere condities inhouden om een wettelijk strafbaar feit
ook inderdaad een strafbaar feit te laten zijn
Nederlands strafrecht definitie strafbaar feit: (1) gedraging van natuurlijk of
rechtspersoon, (2) die een wettelijke delictsomschrijving vervult, (3) die
wederrechtelijk is, (4) en aan schuld verwijtbaar is.
De gedraging: iedere delictsomschrijving bevat een vorm van menselijk gedrag.
Delicten...
- Commissie en ommissie delicten (doen en laten)
- Materieel en formeel omschreven delicten (naar gevolg geschreven en
formeel en specifiek geschreven)
- Krenkings en gevaarzettingsdelicten (daadwerkelijke krenking van
rechtsgoed en in gevaar brengen van rechtsgoed strafbaar gesteld)
,Strafbaarstelling van een menselijke gedraging onder bepaalde omstandigheden.
Dit kunnen persoonlijke of onpersoonlijke omstandigheden zijn.
Persoonlijke omstandigheden > inwendig: psychische gesteldheid, ziet op
subjectieve bestanddelen opzet en culpa. Uitwendig: bepaalde hoedanigheid of
kwaliteit van de dader. Delicten die een bepaalde kwaliteit vereisen heten
kwaliteitsdelicten.
Onpersoonlijke omstandigheden > begeleidende omstandigheden van de
gedraging: omstandigheden in het delict waar aan voldaan moet zijn voor
strafbaarstelling.
Gevolgen van de gedraging: aan een gevolg moet zijn voldaan voor
strafbaarstelling.
Bijkomende voorwaarde van strafbaarheid: omstandigheid die nog niet
aanwezig is op moment van de gedraging maar pas later intreedt. Een voorwaarde
die de gedraging ex post strafbaar maakt, zonder intreden is het niet strafbaar.
Hoofdvragen van 350 Sv:
1. Is bewezen dat het feit, zoals ten laste gelegd, door de verdachte is begaan?
Zo ja > bewezenverklaard. Niet bewezen: vrijspraak.
2. Is het feit strafbaar? --> kwalificatie van het bewezenverklaarde in termen
van de toepasselijke delictsomschrijving, en is het bewezenverklaarde en
gekwalificeerde feit ook wederrechtelijk? (niet wederrechtelijk bij
rechtvaardigingsgrond). Geen wettelijk strafbaar feit: OVAR.
3. Is ook de verdachte strafbaar? --> verwijtbaarheid verdachte (niet aanwezig
bij schulduitsluitingsgrond). Verdachte niet strafbaar: OVAR.
4. Welke straf en/of maatregel dient te worden opgelegd?
Vraag 1 en 2 worden door de rechter beantwoord ´op de grondslag ter
tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting´. Vraag 3
en 4 worden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting beantwoord.
Vraag 1: alle bestanddelen van het delict dienen in de tenlastelegging te worden
verwerkt, omdat anders de bewezenverklaring van het ten laste gelegde geen
strafbaar feit oplevert.
Vraag 2: kwalificatie van de bewezenverklaring > welke wettelijke
delictsomschrijving past bij de bewezenverklaring. Alle bestanddelen van de
delictsomschrijving moeten in de tenlastelegging staan. Daarnaast moet er gekeken
worden naar rechtvaardigingsgronden. Aanwezigheid van een
rechtvaardigingsgrond neemt het element wederrechtelijkheid weg.
Rechtsvaardigingsgrond betreft de objectieve kant van het strafbare feit.
Vraag 3: schulduitsluitingsgrond betreft de subjectieve kant van het strafbare feit.
Schuld in de zin van verwijtbaarheid van de dader wordt hierdoor uitgesloten.
Voorvragen in art 348 en 349 Sv.
, Normadressaat > maakt duidelijk tot welke potentiele dader een strafbepaling
zich richt. Dader kan ook zijn een poger (45 Sr), deelnemer (47 Sr), of rechtspersoon
(51 Sr). Ook kan er sprake zijn van een functionele dader --> degene die de daad
niet fysiek of feitelijk heeft verricht, maar op grond van maatschappelijke
verhoudingen toch als dader aan te merken is.
HOOFDSTUK 3
Materieel legaliteitsbeginsel, art 1 Sr: geen feit is strafbaar dan uit kracht van een
daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.
Procesrechtelijk legaliteitsbeginsel, art 1 Sv: strafvordering heeft alleen plaats op de
wijze bij wet voorzien.
Rule of Law/rechtsstaatgedachte --> publiekrechtelijk beginsel dat betrekking
heeft op verhouding tussen staat en individu, en dat vooral ziet op de begrenzing
van de macht die de staat jegens de individu.
Dimensies van het legaliteitsbeginsel:
1. Constitutionele dimensie > de wet deelt macht toe aan staatsorganen en
bevoegdheden aan overheidsfunctionarissen om deze binnen de grenzen van
het geldende patroon van machtsverdeling aan te wenden
(machtenscheiding, trias politica).
2. Rechtsbechermende dimensie > door de wettelijke basis van het strafrecht
wordt de rechtsgelijkheid onder de burgers en de rechtszekerheid gediend.
3. Generaal-preventieve dimensie > bewerkstelligt dat derden zich van
strafbare feiten laten weerhouden door de waarschuwende werking van het
strafrecht.
Eerste implicatie van legaliteitsbeginsel --> lex certa vereiste: de wet moet
duidelijk zijn verwoord. De delictsomschrijving moet zo simpel en kort mogelijk
geformuleerd zijn, niet te ingewikkeld, heldere begrenzing van strafbaarheid.
Verschillende methoden om delicten te formuleren:
- Enkel een kwalificatie
- Opsomming van bestanddelen, gedragingen en omstandigheden zonder
daarbij een kwalificatie te noemen.
- Een combinatie van kwalificatie en opsomming van bestanddelen
Legaliteitsbeginsel brengt ook mee dat de rechter zijn bevoegdheden niet te buiten
gaat. Meest gangbare typen van interpretatie in het strafrecht:
- Grammaticaal > interpretatie afstemmen op de evident uit de tekst
sprekende betekenis.
- Wetshistorisch > interpreteren naar de bedoeling van de wetgever.