H1: Gedrag, H2: Cellen, H3.3: Onderzoek doen, H9: Erfelijkheid &
H4: Voortplanting
Hoofdstuk 1- Gedrag
www.biologiepagina.nl
1.1- Gedrag en overleven
Gedrag bestaat uit alles wat een dier of mens doet of juist niet doet. Sommige gedragingen zijn
belangrijk voor overleving, zoals het zoeken van eten of bescherming. Maar gedrag kan ook een
sociale functie hebben, zoals samen spelen of samenwerken.
Ritueel gedrag
Ritueel gedrag helpt om spanning te verminderen in nieuwe of onbekende situaties. Dit bestaat uit
vaste handelingen in een bepaalde volgorde, zoals een begroeting bij het ontmoeten van iemand. Een
voorbeeld hiervan is hoe mensen elkaar groeten door een hand te geven of een knikje te maken. Ook
dieren vertonen ritueel gedrag, zoals wolven die elkaar besnuffelen om de rangorde te bepalen.
Tijdens de coronapandemie veranderde rituelen, zoals het schudden van handen werd vervangen door
een ellebooggroet. Rituelen spelen ook een rol in relaties, bijvoorbeeld bij paringsgedrag bij dieren.
Communicatie binnen groepen
Dieren en mensen communiceren binnen groepen om samen te werken en conflicten te voorkomen.
Sommige mensen krijgen meer aandacht in een groep door hun houding, manier van praten en
kleding. Bij dieren, zoals wolven, bepaalt lichaamstaal wie de leider is en wie ondergeschikt is. Dit
helpt de groep om beter samen te werken en te overleven.
Territoriumgedrag
Dieren verdedigen hun territorium (leefgebied) door signalen af te geven. Dit kan op verschillende
manieren:
Geluid: Vogels zingen om hun gebied af te bakenen.
Geur: Wolven markeren hun territorium met urine.
Lichaamstaal: Herten imponeren elkaar door hun grootte te tonen.
Een eigen territorium helpt dieren om voedsel en veiligheid te behouden. Ook mensen markeren hun
territorium, bijvoorbeeld met hekken of borden.
Dreiggedrag
Als een indringer een territorium binnenkomt, kan dreiggedrag ontstaan. Dit is een agressieve houding
om de ander weg te jagen en een gevecht te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn:
Orang-oetans laten hun tanden zien en nemen een dominante houding aan.
Wolven staren elkaar aan en blazen hun keelzakken op.
Bij mensen kan een soldaat in uniform gezag uitstralen bij een ingang.
,Als de indringer niet vertrekt na het dreigen, kan er een gevecht ontstaan, wat risico's met zich
meebrengt. Daarom proberen dieren vaak eerst met dreiggedrag een gevecht te vermijden.
1.2- Prikkels
In- en uitwendige prikkels
Gedrag ontstaat door prikkels. Dit zijn signalen die het lichaam ontvangt en verwerkt:
Inwendige (interne) prikkels: komen uit het lichaam, zoals honger en pijn.
Uitwendige (externe) prikkels: komen uit de omgeving, zoals kou of vijanden.
Een voorbeeld is de aardhommel. De temperatuur beïnvloedt haar gedrag: bij 12°C wordt ze actief en
zoekt ze voedsel. Andere prikkels, zoals licht en geur, helpen bij het vinden van bloemen.
Sleutelprikkels en supernormale prikkels
Sommige prikkels lokken automatisch een vast gedrag uit, zoals een lege honingpot die hommels
aanzet tot voedsel zoeken. Dit heet een sleutelprikkel. Sommige bloemen imiteren vrouwelijke
wespen om mannetjes aan te trekken, wat een supernormale prikkel is. Mensen zijn hier ook gevoelig
voor, bijvoorbeeld in reclame.
Motivatie
Hoe sterker een prikkel en hoe hoger de motivatie, hoe groter de kans dat een dier een bepaalde
handeling uitvoert. Als een hommel honger heeft, stijgt de motivatie om voedsel te zoeken. Dit wordt
de drempelwaarde genoemd: als de motivatie een bepaald punt bereikt, volgt een reactie.
Aangeboren of aangeleerd gedrag
Sommige gedrag is aangeboren, zoals het vaste patroon waarmee een hommelkoningin een nieuwe
kolonie start. Ander gedrag is aangeleerd, zoals politiepaarden die wennen aan harde geluiden, zodat
ze niet meer schrikken van vuurwerk.
1.3- Conflictgedrag en leergedrag via conditioneren
Vechten of vluchten?
Dieren, zoals de aangewezen hond, kunnen in een conflictsituatie twijfelen tussen vluchten en
vechten. Dit wordt conflictgedrag genoemd. Wanneer tegenstrijdige gedragssystemen tegelijk actief
zijn, kan ambivalent gedrag ontstaan, waarbij elementen van beide gedragingen zichtbaar zijn.
Soms leidt conflictgedrag tot overspronggedrag, waarbij een dier een schijnbaar irrelevante
handeling uitvoert, zoals zichzelf krabben. Dit komt doordat het dier spanning ervaart en niet direct
weet hoe te reageren.
Omgericht gedrag ontstaat wanneer de opgekropte spanning zich uit op een ander object of individu,
bijvoorbeeld een hond die een bank sloopt in plaats van zijn woede op een ander dier te richten.
Klassiek conditioneren
Ivan Pavlov ontdekte klassiek conditioneren bij honden. Hij koppelde een neutrale prikkel (een bel)
aan voedsel, waardoor de honden leerden speeksel af te scheiden bij het horen van de bel, zelfs zonder
voedsel. Dit leerproces is gebaseerd op associaties tussen prikkels.
, Operant conditioneren
Operant conditioneren draait om beloning en straf. Gedrag dat beloond wordt, neemt toe, terwijl
gedrag dat bestraft wordt, afneemt. Dit principe wordt vaak toegepast bij huisdieren en mensen, zoals
bij het trainen van een puppy of het onderwijzen van leerlingen. Een goed cijfer motiveert
bijvoorbeeld om harder te studeren.
1.4- Gedragsonderzoek
Gedrag aanleren door imitatie
Vroeger werd weinig aandacht besteed aan het welzijn van dieren in dierentuinen. Dieren raakten
verzwakt, waardoor ze ander gedrag gingen vertonen. Nu worden er onderzoeken gedaan naar
diergedrag en worden dierentuinen aangepast. Een voorbeeld hiervan is de training van olifanten voor
hun verzorging. Dit gebeurt stap voor stap met beloningen. Jonge olifanten leren door te kijken naar
oudere olifanten. Dit heet imitatiegedrag.
Inzicht
Een olifant die vastzit met een ketting aan zijn poot, ontdekt hoe hij zichzelf kan bevrijden door
logisch na te denken. Hij leert oorzaak en gevolg begrijpen, wat inzicht wordt genoemd.
Bouwstenen van gedrag
Gedrag bestaat uit verschillende gedragselementen. Sommige gedragselementen horen bij elkaar en
vormen een gedragssysteem, zoals voedsel zoeken en eten.
Gedrag beschrijven
Bij onderzoek naar gedrag is het belangrijk om gedrag objectief te beschrijven. Dit gebeurt met een
ethogram, waarin gedragselementen kort worden genoteerd. Een protocol helpt om te meten hoe vaak
bepaald gedrag voorkomt.
Gedrag bestuderen
In een dierentuin is het makkelijker om gedrag te bestuderen dan in het wild. Onderzoekers stellen
duidelijke onderzoeksvragen, bijvoorbeeld over het slaappatroon van olifanten. Door observaties en
metingen kunnen ze antwoorden vinden en het welzijn van de dieren verbeteren.
1.5- Ontwikkeling van gedrag
Ontwikkeling van gedrag
Bij het consultatiebureau wordt gekeken naar de groei en ontwikkeling van een baby. Elk kind
ontwikkelt zich anders, maar er is een vaste volgorde te herkennen.
Aangeboren of aangeleerd?
Pasgeboren baby's hebben veel reflexen, zoals schrikken en grijpen. Sommige gedragingen worden
aangeleerd, bijvoorbeeld lachen als reactie op anderen. Rond acht maanden worden baby's zich
bewust van hun omgeving en gaan ze leren door te kijken en na te doen. Lopen begint met kruipen en
staan, wat wordt beïnvloed door de hersenontwikkeling.
Imitatie en inprenting
Gedrag verandert met de tijd. Kinderen leren door anderen na te doen. Imitatie speelt een rol in hoe
kinderen zich sociaal gedragen, bijvoorbeeld bij het spelen van jongens en meisjes. Sommige
gedragingen worden in een bepaalde periode aangeleerd en blijven daarna vaststaan, zoals taal of
dierlijk gedrag zoals vogels die zingen om een partner te vinden.