Kennistoets deel 1
Hoofdstuk 1 - Van moetivatie naar zin om te sporten
De ZDT schenkt aandacht aan de redenen ’waarom we doen wat we doen’. Hier
wordt niet de mate waarin we gemotiveerd zijn belangrijk geacht (intensiteit),
maar ook het soort motivatie dat we tonen (kwaliteit).
Spelplezier: intrinsieke motivatie
Wanneer jongeren activiteiten uitvoeren die ze leuk vinden of boeiend vinden,
dan zeggen motivatiepsychologen dat ze intrinsiek gemotiveerd zijn. De
activiteit op zich schenkt voldoening. Nieuwsgierigheid, interesse, geboeidheid
en uitdaging vormen de drijfveren bij het uitvoeren van intrinsiek motiverende
activiteiten.
Als het spelplezier ontbreekt: extrinsieke motivatie
Bij extrinsieke motivatie hebben jongeren het gevoel dat ze aan externe
verwachtingen moeten voldoen. Vaak vereist sport vaak veel trainingen en
discipline, waarbij dezelfde activiteiten vaak herhaald worden. Dergelijke
routineactiviteiten zijn meestal niet echt opwindend; ze zijn niet intrinsiek
boeiend. Bij extrinsieke motivatie wordt sporten als een middel gebruikt om een
selectie af te dwingen, roem of waardering te krijgen, technische progressie te
maken of fysiek sterker te worden.
Intrinsieke motivatie en extrinsieke motivatie zijn tegenpolen van elkaar --> Men
ging ervan uit dat hoe meer plezier jongeren beleefden aan hun sport op zich,
hoe minder externe factoren een rol speelde en omgekeerd. De ZDT nuanceert
de opdeling tussen intrinsiek en extrinsiek vanuit het idee dat ook extrinsieke
gemotiveerde sporters op een vrijwillige wijze kunnen handelen, bijvoorbeeld
door het inzien waarom een bepaalde oefening tijdens de training zinvol is.
Als de druk van buitenaf komt: externe druk
Sporters spannen zich in om aan de verwachtingen te voldoen.
, Als de druk van binnen komt: interne druk
Interne druk kan zowel voortkomen uit het vermijden van negatieve gevoelens
(schuld, schaamte of angst) als uit het nastreven van positieve gevoelens
(zichzelf bewijzen). Sporters met dit type motivatie hebben alvast een voordeel
ten opzichte van hen die gedreven worden door externe druk: hun motivatie
komt van binnenuit, ze zijn intern gemotiveerd.
Atleetgebonden voorwaardelijke eigenwaarde = coaches die zichzelf
waardevoller ervaren als hun sporters goed presteren, terwijl ze zichzelf een
loser vinden als hun sporters falen. Ze wentelen zich sterk in de successen en de
roem van hun sporters, terwijl ze het falen van hun sporters ervaren als een
persoonlijk falen. Deze houding leidt tot innerlijke spanning, die mogelijk
afstraalt op de manier waarop de coach omgaat met zijn sporters.
Naar vrijwillig functioneren: persoonlijke zinvolheid
Sporters die ervoor kiezen om zich voor hun sport in te zetten.
Volwaardig eigenaarschap: harmonie en integratie
Sporters vertonen in dit type motivatie als ze de redenen voor hun
sportbeoefening een zinvolle plaats weten te geven binnen andere waarden en
doelen die ze hebben. In dit type motivatie kan dan ook gesproken worden van
volwaardig eigenaarschap: verschillende persoonlijke zinvolle activiteiten zijn
ingebed in een groter geheel van waarden, doelen en motieven.
Een verfrissend onderscheid: over mOEtivatie en zin om te sporten
Gecontroleerde motivatie (moetivatie): externe en interne druk
Autonome motivatie (zin): intrinsieke motivatie, integratie en persoonlijke
zinvolheid —> sporters hebben het gevoel zelf de oorsprong te zijn van hun
gedrag, waardoor ze ook meer verantwoordelijkheid opnemen voor hun eigen
leerproces.
Het ZDT laat zien dat het onderscheid tussen intrinsiek en extrinsiek niet
samenvalt met het onderscheid tussen gecontroleerde en autonome motivatie:
intrinsieke motivatie vormt immers slechts een van de drie types autonome
motivatie en extrinsieke motivatie bevat types die zowel gedwongen als vrijwillig
van aard zijn.
De cruciale vraag: heeft de sporter het gevoel dat hij/zij de activiteit wil of
moet uitvoeren?
Amotivatie: als motivatie afwezig is
Sporters tonen weinig tot geen energie en motivatie tijdens de activiteit. —> kan
omdat de verwachtingen van de coach boven hun mogelijkheden liggen. Op
lange termijn kunnen sporters hulpeloos of onverschillig worden.
- Gebrek aan zelfvertrouwen of gebrekkig geloof in eigen kunnen
- Gebrek aan geloof in een bepaalde trainingsmethode, techniek of tactiek
Hoofdstuk 2 – Loont het om te investeren in de motivatie van sporters?
‘Softe’ gedragsuitkomsten
Hoofdstuk 1 - Van moetivatie naar zin om te sporten
De ZDT schenkt aandacht aan de redenen ’waarom we doen wat we doen’. Hier
wordt niet de mate waarin we gemotiveerd zijn belangrijk geacht (intensiteit),
maar ook het soort motivatie dat we tonen (kwaliteit).
Spelplezier: intrinsieke motivatie
Wanneer jongeren activiteiten uitvoeren die ze leuk vinden of boeiend vinden,
dan zeggen motivatiepsychologen dat ze intrinsiek gemotiveerd zijn. De
activiteit op zich schenkt voldoening. Nieuwsgierigheid, interesse, geboeidheid
en uitdaging vormen de drijfveren bij het uitvoeren van intrinsiek motiverende
activiteiten.
Als het spelplezier ontbreekt: extrinsieke motivatie
Bij extrinsieke motivatie hebben jongeren het gevoel dat ze aan externe
verwachtingen moeten voldoen. Vaak vereist sport vaak veel trainingen en
discipline, waarbij dezelfde activiteiten vaak herhaald worden. Dergelijke
routineactiviteiten zijn meestal niet echt opwindend; ze zijn niet intrinsiek
boeiend. Bij extrinsieke motivatie wordt sporten als een middel gebruikt om een
selectie af te dwingen, roem of waardering te krijgen, technische progressie te
maken of fysiek sterker te worden.
Intrinsieke motivatie en extrinsieke motivatie zijn tegenpolen van elkaar --> Men
ging ervan uit dat hoe meer plezier jongeren beleefden aan hun sport op zich,
hoe minder externe factoren een rol speelde en omgekeerd. De ZDT nuanceert
de opdeling tussen intrinsiek en extrinsiek vanuit het idee dat ook extrinsieke
gemotiveerde sporters op een vrijwillige wijze kunnen handelen, bijvoorbeeld
door het inzien waarom een bepaalde oefening tijdens de training zinvol is.
Als de druk van buitenaf komt: externe druk
Sporters spannen zich in om aan de verwachtingen te voldoen.
, Als de druk van binnen komt: interne druk
Interne druk kan zowel voortkomen uit het vermijden van negatieve gevoelens
(schuld, schaamte of angst) als uit het nastreven van positieve gevoelens
(zichzelf bewijzen). Sporters met dit type motivatie hebben alvast een voordeel
ten opzichte van hen die gedreven worden door externe druk: hun motivatie
komt van binnenuit, ze zijn intern gemotiveerd.
Atleetgebonden voorwaardelijke eigenwaarde = coaches die zichzelf
waardevoller ervaren als hun sporters goed presteren, terwijl ze zichzelf een
loser vinden als hun sporters falen. Ze wentelen zich sterk in de successen en de
roem van hun sporters, terwijl ze het falen van hun sporters ervaren als een
persoonlijk falen. Deze houding leidt tot innerlijke spanning, die mogelijk
afstraalt op de manier waarop de coach omgaat met zijn sporters.
Naar vrijwillig functioneren: persoonlijke zinvolheid
Sporters die ervoor kiezen om zich voor hun sport in te zetten.
Volwaardig eigenaarschap: harmonie en integratie
Sporters vertonen in dit type motivatie als ze de redenen voor hun
sportbeoefening een zinvolle plaats weten te geven binnen andere waarden en
doelen die ze hebben. In dit type motivatie kan dan ook gesproken worden van
volwaardig eigenaarschap: verschillende persoonlijke zinvolle activiteiten zijn
ingebed in een groter geheel van waarden, doelen en motieven.
Een verfrissend onderscheid: over mOEtivatie en zin om te sporten
Gecontroleerde motivatie (moetivatie): externe en interne druk
Autonome motivatie (zin): intrinsieke motivatie, integratie en persoonlijke
zinvolheid —> sporters hebben het gevoel zelf de oorsprong te zijn van hun
gedrag, waardoor ze ook meer verantwoordelijkheid opnemen voor hun eigen
leerproces.
Het ZDT laat zien dat het onderscheid tussen intrinsiek en extrinsiek niet
samenvalt met het onderscheid tussen gecontroleerde en autonome motivatie:
intrinsieke motivatie vormt immers slechts een van de drie types autonome
motivatie en extrinsieke motivatie bevat types die zowel gedwongen als vrijwillig
van aard zijn.
De cruciale vraag: heeft de sporter het gevoel dat hij/zij de activiteit wil of
moet uitvoeren?
Amotivatie: als motivatie afwezig is
Sporters tonen weinig tot geen energie en motivatie tijdens de activiteit. —> kan
omdat de verwachtingen van de coach boven hun mogelijkheden liggen. Op
lange termijn kunnen sporters hulpeloos of onverschillig worden.
- Gebrek aan zelfvertrouwen of gebrekkig geloof in eigen kunnen
- Gebrek aan geloof in een bepaalde trainingsmethode, techniek of tactiek
Hoofdstuk 2 – Loont het om te investeren in de motivatie van sporters?
‘Softe’ gedragsuitkomsten