Deelvragen
1. Welke rol speelden migratie en natuurlijke omstandigheden in de spreiding en
dichtheid van de bevolking?
2. Wat was de invloed van de aanleg van infrastructuur op het aantal inwoners en op
hun leefwijze?
3. Welke verschillen zijn er in de leeftijdsopbouw en wat is daarvan de oorzaak?
Waar mensen wonen
Zuid-Amerika telt de minste inwoners als werelddeel. -> De
bevolkingsdichtheid is erg laag.
De spreiding over het continent, maar ook binnen de landen is
erg verdeeld (figuur 2.1).
De spreiding verklaard
Verklaring spreiding en groei van de bevolking:
geboorteoverschot en migratie.
Er zijn 4 perioden te onderscheiden: de prekoloniale of
precolumbiaanse tijd, de koloniale tijd, de traditionele
postkoloniale tijd en de moderne tijd.
Natuurlijke omstandigheden oefenen veel invloed uit op de
demografische ontwikkeling.
Figuur 2.1
Migratie in de prekoloniale tijd
De eerste bewoners: via de Straat Bering en Alaska, naar
Amerika. Ze verspreidden zich via Noord-Amerika ->
Zuid-Amerika (via Andes).
Andesgebergte was erg aantrekkelijk: koeler en geschikt
voor de landbouw. (Figuur 2.2)
Terrassenlandbouw (=terrassen boven elkaar op een
helling, 1 voor elke maand) met een systeem van
kanalen -> verdeling regen- en smeltwater.
Dit + vruchtbare vulkanische grond -> machtige
Incacultuur met hoge bevolkingsdichtheid.
Figuur 2.2
Migratie in de koloniale tijd
1494: Verdrag van Tordesillas -> Portugal kreeg Brazilië en Spanje de rest. -> Drijfveer:
vinden van kostbare delfstoffen. (Figuur 2.5 lesboek)
Economisch (en daarmee demografisch) zwaartepunt verschuift van Andes -> lagere
gebieden. Hier was grootschalige plantageteelt mogelijk. Inheemse arbeidskrachten
vervangen door tot slaaf gemaakte Afrikanen. (Figuur 2.6 lesboek)
Inheemse bevolking stierf deels door de Europeaanse meegebrachte ziektes en door
strijd. Immigratie niet mogelijk door Portugal of Spanje.
Grote delen ZA blijft dunbevolkt -> zelfvoorzienende nomaden & zwerflandbouw.
, Migratie in de postkoloniale tijd
Omstreeks 1830: landen in ZA onafhankelijk geworden van het moederland. -> 1850:
migratiestromen komen op gang, door goedkoper en sneller vervoer per schip. Ook
kwamen er spoorwegen.
Ontstaan handelssteden langs de kust, door koeltechnieken. -> export naar
overkant oceanen.
Goedkope landbouwgrond zorgt voor immigratiestromen uit Europa. Ze streken bij
voorkeur neer in subtropische gebieden.
Migratie in moderne tijd
Na 1945: politieke onrust en onderdrukking door militaire regimes (o.a. Argentinië en
Chili). -> Na jaren 90: rust (democratisering) en welvaart.
Toename intra-continentale migratie (vooral Argentinië en Chili).
Binnenlandse migratie na 1960
Vanaf 1960: groei kleinere steden en verspreiding bevolking vanuit kust naar het
binneland.
Migratiestromen in ZA:
o Brazilië: vanuit droge noordoosten -> binnenland.
o Argentinië: vanuit platteland naar middelgrote en grote steden door jongeren.
o Chili: trek naar Santiago en noordoostelijke mijnstreken door werkloze boeren
en arme stedelingen.
Negatieve gevolgen voor de vertrekgebieden.
Natuurlijke bevolkingsgroei
Ook veel natuurlijke groei naast immigratie.
Vanaf 1930: daling sterftecijfers, geboortecijfer bleef hoog -> fase 3 demografische
transitie. -> 1960: geboortecijfer daalt nu ook, 4de fase (lage sterfte- en
geboortecijfers). (Figuur 2.3)
Dit + grotere groep ouderen -> toename
demografische druk. Daling van geboortecijfer
door geboortebeperking (anticonceptie etc.).
Sterftecijfer daalde door verbeterde
(medische) voorzieningen (riolering etc.) ->
hierdoor sterke stijging levensverwachting.
Verschillen in levensverwachting, vruchtbaarheid
en sterftecijfer tussen de landen erg groot.
Toename vergrijzing (vooral Uruguay) ->
kwetsbaarheid ouderen neemt toe.
Gezinsplanning
Welvaart, verstedelijking, afnemende rol kerk en
religie en anticonceptie maakt gezinsplanning
mogelijk.
Figuur 2.3
Medische hulp bereikt arme vrouwen en kinderen
onvoldoende -> hoog geboortecijfer en sterftecijfer kinderen op platteland.