001:
“Introductie in Statistiek met SPSS”
Par 1.3.1-1.3.2:
1.3:
Keuze van statische analysetechniek:
- Gaat het in de vraagstelling om frequenties (hoe vaak/in welke mate), om een
verschil of om een samenhang? Of een combi
- Wat is het meetniveau (nominaal, ordinaal, of interval-/rationiveau) van de gegevens
die je verzameld hebt?
- Steekproef of populatie?
Specifieke onderzoeksvragen:
- Frequentie: hoe vaak of in welke mate
- Verschil
- Samenhang
Meetniveau:
- Nominaal: het is het een of het ander (man of vrouw) (kwalitatief)
- Ordinaal: meer of minder (1,2,3,4,5)
- Interval/ratio: verschil tussen categorieën in termen van meer of minder
o Interval: geen nulpunt
▪ Meetniveau waarbij gelijke verschillen tussen meetwaarden (getallen)
van een variabele duiden op gelijke verschillen tussen de eenheden in
werkelijkheid
o Ratio: wel nulpunt
▪ Meetniveau waarbij de verhouding tussen meetwaarden (getallen) van
een variabele eveneens de verhouding weergeeft tussen de waarden
van de begrippen in de werkelijkheid
o Bij SPSS valt het onder scale (nominal en ordinal)
Continue variabelen:
- Gegevens waarbij oneindig veel waarden voor kunnen komen
o Lengte
o Leeftijd
Discrete variabelen:
- Gegevens waarbij alleen gehele getallen voorkomen
, o Aantal auto’s
o Aantal kids
2 vormen statistiek:
- Beschrijvende
o Gebruik je wanneer je onderzoek doet bij een populatie
o Je hebt een populatie wanneer je alle eenheden waarover je uitspraken wilt
doen in je onderzoek betrekt.
- Inductieve
o Statische technieken waarbij je schattingen over populatiekenmerken doet op
basis van steekproefgegevens
o Steekproef: de opzet is dat je uitspraken doet over de totale populatie
Voor analyse van gegevens, stel je jezelf de vraag over welke eenheden (wie,wat) je uitspraken wilt
doen.
Alle personen betrekken is populatieonderzoek
Ook over andere personen die er niet bij betrokken zijn is steekproef
H2:
2.1:
Variabele view-scherm: aangeven welke variabelen in het bestand voorkomen en wat de
eigenschappen zijn van de variabelen
Name: korte naam voor de variabelen die je gebruikt
Label: omschrijving van de name
De variabelennaam moet beginnen met een letter en mag geen spatie bevatten
Casenummer: eerste variabele
Elke variabele geef je een unieke naam
Gegevens kan je het beste met cijfers invoeren = numeriek
Bij values aangeven dat man =1 en vrouw =2
Bij het type string kunnen mensen tekst invullen als antwoord
Hierbij heb je meerdere posities nodig, dus pas je de width aan
,Width: aantal posities die je voor een variabele waarde kan instellen
- Bv 8 posities = 8 letters
Bij decimalen is het erg handig om ze op 0 te zetten
Als je gegevens mist dan druk je de spatie knop in, SPSS denkt dat dit Missing Value is en noemt dit
system missing values.
Ze veranderen de spatie in een punt
Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen gegevens die ontbreken of niet ingevuld
User missing values: je voert dan een getal in als dat antwoord ontbreekt
Columns heeft dezelfde waarde als width
Allign kun je aangeven hoe het getal en de tekst in een cel eruit moet komen te staan
Measure: meetniveau van de variabelen
Interval-rationiveau staat onder scale
Alles tegelijk voor het hele bestand instellen = editor
2.2:
Geen gegevens ingevoerd? = lege datamatrix
Datamatrix:
- Onderzoekseenheden of respondenten op de rijen (horizontaal)
- Vragen of variabelen op de kolommen (verticaal)
Als je knop 1 en A indrukt veranderen de cijfers naar antwoorden. Bv 1 = auto
2.3:
Op de knop File Save As bewaar je de datagegevens
2.4:
Frequentieverdeling: om te kijken of er fouten zijn gemaakt in de codering of typfouten
, - Stap 1:
o Opslaan
o Analyze
o Descriptive statistics
o Frequencies
- Stap 2:
o Er is een overzicht
o Met muis op eerste variabelen, druk de linkermuisknop in
o Alles selecteren
o Geen identificatienummer
- Stap 3:
o Verplaats ze naar het kader: variables
▪ Door op de pijlknop tussen 2 vensters te klikken
o Zet vinkje bij display frequency tables
- Stap 4:
o OK klikken
o Als het goed is krijg je frequentieverdeling
2.5:
Ingevoerde gegevens oproepen:
File Open data open
H3:
3.1:
Gegevens coderen:
Transform
- Stap 1:
o Recode into same variables of recode into different variables
o Om verwarring te voorkomen: recode into different variables
- Stap 2 & 3:
o Markeer de variabelen die je wilt hercoderen
o Verplaats ze naar Output variable vak
- Stap 4 & 5:
o Nieuwe naam kiezen
▪ Name in het vakje output variable
▪ Bevestigen door change te klikken
- Stap 6:
o Aangeven hoe je de variables gaat hercoderen via Old and new values
- Stap 7,8,9: