Bij eencellige dieren, zoals een amoebe, vindt ademhaling plaats via het celmembraan. De
oppervlakte van het celmembraan is groot genoeg om het als ademhalingsorgaan te gebruiken.
Eencellig dieren hebben dan verder ook geen special ademhalingsorganen.
Ademhalingsorganen bij dieren
Bij meercellige dieren is de oppervlakte van het lichaam niet groot genoeg om voldoende
zuurstof te kunnen opnemen en voldoende co 2 te kunnen afgeven. Bij veel dieren is ook de
huid ondoorlaatbaar voor stoffen. Deze dieren hebben speciale ademhalingsorganen.
Voorbeelden zijn longen, tracheeën en kieuwen.
Tracheeën
Insecten hebben tracheeën. Tracheeën zijn sterk vertakte buisjes in het lichaam van een
insect. Alle tracheeën van een insect bij elkaar noem je het tracheeënstelsel. Via openingen
komt lucht in het stelsel. Die openingen heten
stigma’s. De vertakkingen eindigen overal in het
lichaam. De vertakkingen hebben samen een grote
oppervlakte zodat gaswisseling snel plaatsvindt.
Spieren zorgen ervoor dat het achterlijf heen en
Weer beweegt om de lucht te verversen.
Kieuwen
Vissen halen adem met kieuwen. Bij een vis
Liggen de kieuwen vlak achter de kop in de
Kieuwholten. De kieuwholten zijn bedekt door kieuw-
Deksels. Elke kieuw bestaat uit een kieuwboog, met daarop een aantal kieuwplaatjes. Op die
plaatjes bevinden zich kieuwlamellen. Tussen de kieuwbogen bevinden zich de
kieuwspleten. In de kieuwlamellen liggen
Veel dunnen bloedvaatjes. Door de
Oppervlakte kan gaswisseling snel plaatsvin-
Den. Door het open en dichtdoen van de bek
wordt het water in de kieuwen ververst.