HC 2: Paradigma’s
Paradigma bestaat uit drie dingen:
Ontologie: wat is realiteit? Hoe ziet de realiteit eruit? Bestaat er een
realiteit extern aan de mens? Of alleen wat wij als mens zijn
realiseren?
Epistemologie: hoe is kennis over die realiteit mogelijk? Wat is de
relatie tot dat wat te kennen valt en de kenner?
Methodologie: hoe kan de onderzoeker iets te weten komen over wat
hij denkt en wat er te kennen valt?
Ontologisch continuüm
Twee uitersten:
Dualisme: de wereld is zoals hij is, los van of er wel of geen mensen
zijn. ‘’Er is geluid, ook als niemand dat hoort’’.
Subjectivistisch: twijfel aan een realiteit zonder menselijkheid, want
dat kun je nooit controleren. De manier van kennis opdoen is altijd
afhankelijk van door welke ogen je kijkt, welk lichaam, welke
afkomst etc. ‘’Je weet niet of er geluid is als niemand dat gehoord
heeft’’.
, Positivisme / post-positivisme:
Gaat ervan uit dat er een ‘objectieve werkelijkheid’ buiten ons
bestaat;
Deze werkelijkheid is onderhevig aan natuurwetten (wetmatig);
Te kennen door afstand tussen kenner (subject) en gekende (object);
Subject en object beïnvloeden elkaar niet (dualisme);
Controleerbare en repliceerbare methoden (unity of methods);
Onderzoek is objectief, rationeel en neutraal (waardevrij).
Fenomenologie (sub: constructivisme):
‘’De werkelijkheid hoe die zich werkelijk aandient, en niet hoe die
door de wetenschapper wordt bekeken’’
Subjectieve ervaring: zintuigelijk en pre-reflexief
Betekenisgeving vanuit ‘’stock of knowledge’’ gereedschapskistje
met ideeën, theorieën, waarden (constructen) waarmee we de
wereld interpreteren.
Betekenisgeving is niet individueel, maar wordt van generatie op
generatie doorgegeven.
Sociaal constructivisme (sub: constructivisme):
Wetenschappelijke kennis wordt niet ‘’ontdekt’’, maar
‘’geconstrueerd’’ of ‘’geproduceerd’’ tijdens een onderzoek;
Kenner en gekende zijn met elkaar verbonden, kennis ontstaat in
‘interactie’ tussen onderzoeker en onderzoeksobject;
Die kennis is afhankelijk van de politieke, sociaal, historische context
waarin die kennis gemaakt wordt.
Kritische theorie:
Kijkt naar de manier waarop sociale structuren (klasse, ras, gender)
een invloed uitoefenen op subjectieve ervaringen;
Dit zijn ‘historisch gevormde’ en ‘reëel gemaakte’ structuren;
Normatief: daagt historisch gevormde structuren uit door ze te
deconstrueren;
Justice oriented: aandacht voor privilege en marginalisatie;
Aandacht voor hoe maatschappelijke ongelijkheid met elkaar
samenhangt (intersectionaliteit).
Paradigma bestaat uit drie dingen:
Ontologie: wat is realiteit? Hoe ziet de realiteit eruit? Bestaat er een
realiteit extern aan de mens? Of alleen wat wij als mens zijn
realiseren?
Epistemologie: hoe is kennis over die realiteit mogelijk? Wat is de
relatie tot dat wat te kennen valt en de kenner?
Methodologie: hoe kan de onderzoeker iets te weten komen over wat
hij denkt en wat er te kennen valt?
Ontologisch continuüm
Twee uitersten:
Dualisme: de wereld is zoals hij is, los van of er wel of geen mensen
zijn. ‘’Er is geluid, ook als niemand dat hoort’’.
Subjectivistisch: twijfel aan een realiteit zonder menselijkheid, want
dat kun je nooit controleren. De manier van kennis opdoen is altijd
afhankelijk van door welke ogen je kijkt, welk lichaam, welke
afkomst etc. ‘’Je weet niet of er geluid is als niemand dat gehoord
heeft’’.
, Positivisme / post-positivisme:
Gaat ervan uit dat er een ‘objectieve werkelijkheid’ buiten ons
bestaat;
Deze werkelijkheid is onderhevig aan natuurwetten (wetmatig);
Te kennen door afstand tussen kenner (subject) en gekende (object);
Subject en object beïnvloeden elkaar niet (dualisme);
Controleerbare en repliceerbare methoden (unity of methods);
Onderzoek is objectief, rationeel en neutraal (waardevrij).
Fenomenologie (sub: constructivisme):
‘’De werkelijkheid hoe die zich werkelijk aandient, en niet hoe die
door de wetenschapper wordt bekeken’’
Subjectieve ervaring: zintuigelijk en pre-reflexief
Betekenisgeving vanuit ‘’stock of knowledge’’ gereedschapskistje
met ideeën, theorieën, waarden (constructen) waarmee we de
wereld interpreteren.
Betekenisgeving is niet individueel, maar wordt van generatie op
generatie doorgegeven.
Sociaal constructivisme (sub: constructivisme):
Wetenschappelijke kennis wordt niet ‘’ontdekt’’, maar
‘’geconstrueerd’’ of ‘’geproduceerd’’ tijdens een onderzoek;
Kenner en gekende zijn met elkaar verbonden, kennis ontstaat in
‘interactie’ tussen onderzoeker en onderzoeksobject;
Die kennis is afhankelijk van de politieke, sociaal, historische context
waarin die kennis gemaakt wordt.
Kritische theorie:
Kijkt naar de manier waarop sociale structuren (klasse, ras, gender)
een invloed uitoefenen op subjectieve ervaringen;
Dit zijn ‘historisch gevormde’ en ‘reëel gemaakte’ structuren;
Normatief: daagt historisch gevormde structuren uit door ze te
deconstrueren;
Justice oriented: aandacht voor privilege en marginalisatie;
Aandacht voor hoe maatschappelijke ongelijkheid met elkaar
samenhangt (intersectionaliteit).