Hoe veroorzaakten omstreeks 1900 de industriële ontwikkelingen, nationalisme en modern imperialisme
spanningen in Europa?
Keizers, burgers en arbeiders
Eind 19e eeuw waren Berlijn, Londen, Parijs, Sint-Petersburg en Wenen de centra van de politieke
macht. De keizers en koningen hadden het goed en de adel speelde nog steeds een belangrijke rol in
het landsbestuur, maar ook rijke fabrikanten, handelaren en bankiers eisten hun plaats op. Zij
vormden de toplaag van een middenklasse van hoger personeel, ondernemers, professoren en
juristen. In vergelijking met de middenklasse was de grote massa van industriearbeiders arm. Toch
hadden ze het iets beter; minder werkuren en meer vrije tijd. De toegenomen welvaart en vrije tijd
leidden tot optimisme. Ondertussen kwamen arbeiders nog steeds op voor hun
levensomstandigheden. De stakingen/demonstraties voor bijvoorbeeld hogere lonen en kiesrecht liet
de burgerij bedreigd voelen.
Nationalisme (verlangen naar onafhankelijkheid)
In 1870-1871 voerden ruim dertig Duitse staatjes onder leiden van de Pruisen oorlog tegen Frankrijk.
De samenwerking van de staatjes leidde tot de overwinning en tot de uitroeping van het Duitse
Keizerrijk. De koning van Pruisen, Wilhelm I, werd de eerste keizer van deze eenheidsstaat.
Nationalisme in Duitsland leidde tot eenheid, maar op de Balkan juist tot het uiteenvallen van de
staten. Oostenrijk-Hongarije en het Turkse Rijk waren veelvolkerenstaten. De volken werden
nationalistisch, waardoor hun verlangen naar onafhankelijkheid groeide. In 1867 hadden de
Hongaren een grote mate van zelfbestuur. Eind negentiende eeuw was het Turkse Rijk een aantal
gebieden verloren. Terwijl het Turkse Rijk verzwakte, wist Oostenrijk-Hongarije sterker te blijven en
hun macht uit te breiden naar Bosnië-Herzegovina, een gebied dat het Turkse Rijk had vrijgevochten.
In 1908 werd Bosnië-Herzegovina officieel ingenomen door Oostenrijk-Hongarije.
Imperialisme (streven naar een wereldrijk)
Keizer Wilhelm II (1888-1918) was ontevreden zoals veel industriëlen in zijn land, des ondanks ze een
sterk geïndustrialiseerde Europese macht waren. Zij wilden dat Duitsland een koloniale macht zou
worden. De keizer liet de oorlogsvloot (vloot van oorlogsschepen) vergroten om dat te bereiken. De
Duitse streven maakte Groot-Brittannië onrustig. Ze waren bang dat ze hun koloniën gingen
lastigvallen. Er liep spanning op tussen de koloniale mogendheden. Bij de bevolkingen van de
Europese naties leefde een sterk militarisme. Er vond een bewapeningswedloop/wapenwedloop
plaats, waarbij alle grote mogendheden steeds meer en sterkere wapens produceerden.
Bondgenootschappen
Vanwege de onderlinge spanningen gingen de landen bondgenootschappen sluiten.
Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië vormden de ‘Driebond’ (Centralen). Frankrijk sloot er een
met Rusland. Groot-Brittannië maakte afspraken met Rusland en Frankrijk, zij vormden de ‘Triple
Entente’ (Geallieerden).
De grootste angst van de Duitsers was dat ze een tweefrontenoorlog zouden moeten voeren tegen
Frankrijk en Duitsland. De Duitse generaal Von Schlieffen bedacht een plan om dit te voorkomen. Het
uitganspunt van het Schlieffenplan was dat de Russen zes weken nodig hadden om hun leger naar de
grens van Rusland te brengen. Zodra de Russen mobiliseerden, zou Duitsland Frankrijk binnenvallen
en hun binnen zes weken verslaan. Maar hun grens was zwaar verdedigd. Ze besloten om ze via het
noorden aan te vallen, via de neutrale landen België, Luxemburg en Nederland. Er werd berekend dat
Duitsland veertig dagen hadden voor hun aanval en twee om met treinen naar het oosten te gaan en
de Russen op te vangen.
, 3.3 Van moordaanslag naar wereldoorlog
Hoe kon een moordaanslag leiden tot een wereldoorlog?
Sarajevo
Op 28 juni 1914 was de vredeswil van Franz Ferdinand, de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije, niet
sterk genoeg meer. Die dag bezocht Franz Sarajevo, de hoofdstad van Bosnië-Herzegovina die was
vrijgevochten en ingenomen in 1908 door Oostenrijk. Een aantal leden van de Servische
terroristische organisatie De Zwarte Hand besloot een aanslag te plegen op de kroonprins, om zo de
Oostenrijkers te dwingen Bosnië-Herzegovina af te staan. De terrorist Gavrilo Princip schoot de Franz
Ferdinand en zijn vrouw Sophie in de open auto dood. Hij kwam levenslang in de gevangenis te zitten.
Toen die daar zat brak de wereldoorlog los, waar zijn daad de aanleiding van was.
Van aanslag tot oorlog
Na de moord op de kroonprins eiste de Oostenrijks-Hongaarse regering dat ze in Servië een
onderzoek mochten doen naar de organisatie achter de moordaanslag. Hierbij zouden duizenden
Oostenrijkse soldaten worden betrokken. Servië weigerde die eis te accepteren, omdat het er op leek
dat de Oostenrijkse soldaten Servië feitelijk zouden bezetten. Duitsland steunde Oostenrijk-Hongarije.
Rusland beloofde Servië te steunen, net zoals Frankrijk beloofde. Zo raakten verschillende
grootmachten betrokken bij een conflict dat tussen twee landen was. Doordat Servië de Oostenrijkse
eis weigerde, verklaarde Oostenrijk-Hongarije Servië de oorlog. Rusland mobiliseerde het leger, om
Servië te helpen wanneer nodig. De Duitse generaals drongen in lijn met het Schlieffenplan toen aan
op een oorlogsverklaring aan Frankrijk en Rusland. Op 1 augustus viel Duitsland België en Luxemburg
binnen. Door een wijziging in het Schlieffenplan werd het zuidoosten van Nederland niet aangevallen.
Vanwege de inbreuk op de Belgische en Luxemburgse neutraliteit besloot Groot-Britannië tot
deelname aan de oorlog, aan de kant van Frankrijk en Rusland.
De Grote Oorlog, bekend als de Eerste Wereldoorlog, was begonnen.
Aanval op België
Iedereen dacht dat de oorlog kort zou duren. Volgens het Schlieffenplan moest de Duitse opmars
door België en Frankrijk immers razendsnel gaan.
Er waren nieuwe technieken beschikbaar die daarbij handig waren: spoorwegen en vrachtauto’s om
snel veel soldaten te vervoeren, telefoon voor communicatie tussen verschillende legeronderdelen,
en vliegtuigen om verkenningsopdrachten uit te voeren en bommen af te werpen.
De smalle Belgisch wegen maakten de snel, verwachte verplaatsingen met de tank voor de Duitse
soldaten onmogelijk. De Duitse vuurkracht kon alleen effectief zijn als er een goede communicatie
was tussen de artillerie en de oprukkende soldaten, de infanterie. Maar de telefoonlijnen waren erg
kwetsbaar, waardoor men afhankelijk werd van koeriers en postduiven. Uit woede en angst voor
Belgische burgers die, volgens geruchten, vanuit huis op de Duitse soldaten schoten, terroriseerden
Duitse soldaten Belgische dropen en steden.
Van bewegingsoorlog naar loopgravenoorlog
De Fransen bleken sneller dan verwacht naar het noorden op te rukken, waardoor de Belgen steeds
meer Franse steun kregen. Ook brachten de Britten hun grote groepen soldaten naar Frankrijk.
Bovendien waren de Russen sneller dan verwacht volgens het Schlieffenplan in het oosten. De Russen
vielen Duitsland aan en behaalden enkele overwinningen. De Duitse legerleider verplaatste zijn
troepen van het westen naar het oosten. Door al deze oorzaken liep de Duitse opmars vast bij de
Noord-Franse rivier de Marne en de rivier de IJzer in Zuidwest-België. Aan dit westfront beschoten
beide partijen elkaar zo lang en hevig, dat de soldaten zich moesten ingraven. Van een
bewegingsoorlog werd de oorlog een loopgravenoorlog. In het oosten bleef het front tussen de