Filosofie
I Inleiding
Reader hoofdstuk 1 Problemen en oplossingen
Wij ondervinden op onze levensweg voortdurend allerlei voorspelbare en minder
voorspelbare problemen. Problemen vallen niet altijd gemakkelijk op te lossen, maar zolang
je er niet alleen voor staat hoeft dit niet verontrustend te zijn. Als we er met elkaar niet uit
komen is er in samenlevingen als de onze ook nog de mogelijkheid om oplossingen te ‘kopen’
door de hulp in te roepen van mensen die gespecialiseerd zijn in het oplossen van problemen
van een bepaald type.
Vanaf de verlichting in de 17de en 18de eeuw spreken we steeds meer van maakbaarheid. Dit
houdt in dat we met z’n allen steeds meer kunnen en hoeven we voor weinig meer vervaard te
zijn. In de moderne industriële maatschappijen zijn in de loop der tijd steeds meer professies
ontstaan. Psychologen en maatschappelijk werkers hebben zich veel later aangediend dan
artsen. Naast deze professionaliseringsprocessen spelen nog andere processen af. Zo hebben
we het verschijnsel protoprofessionalisering dat inhoudt dat mensen voordat ze een vakman
hebben geraadpleegd zelf al vaktermen op zich zelf hebben gegooid.
Vanaf het begin van de verlichting tot nu toe is twijfel geuit aan het vertrouwen in het
menselijk vermogen tot het oplossen van problemen. De hoofdstroom van het westerse
denken is sinds de verlichting bijna onafgebroken liberaal, rationalistisch en in wezen ook
technocratisch geweest. Maar aan tegenspraak heeft het nooit ontbroken:
• In de eerste plaats war er kritiek vanuit het traditionele denken. In het toen gangbare
religieuze wereldbeeld had men geen hoge pet op van de menselijke mogelijkheden.
De menselijke afhankelijkheid werd benadrukt, en het besef van die afhankelijkheid
gold als de sleutel tot het geluk.
• In de tweede plaats is er de ‘moderne’ kritiek vanuit de beweging van de romantiek
sinds het begin van de 19de eeuw. Hierin speelt de afhankelijkheidsgedachte van de
natuur een rol. Het denkvermogen van mensen wordt minder hoog aangeslagen dan in
de verlichting en het gevoel en die intuïtie worden daarentegen belangrijker
• Een derde type kritiek is die van de socialistische beweging die in de vorige eeuw is
ontstaan, een kritiek op de modern-westerse samenlevingen die meestal kortweg wordt
aangeduid als maatschappijkritiek. Deze kritiek richt zich tegen de ongelijkheid in die
samenlevingen.
• De laatste type kritiek is het postmoderne kritiek waarin de zelfvoldane westerse mens
van zijn voetstuk wordt gestoten en de hele maakbaarheidgedachte als een illusie
wordt beschouwd. In het postmoderne denken worden mensen er op allerlei manieren
aan herinnerd hoe klein en betrekkelijk hun individuele bijdrage is in de grote
culturele stroom.
Maatschappelijk werk en sociaal-pedagogische hulpverlening zijn werkvormen die zich van
dergelijke sociale technieken bedien. De verschillende vormen van welzijnswerk
veronderstellen alle in zekere mate de maakbaarheid van welzijn.
Van bergen introduceerde een indeling in drie stromingen, drie modellen waarmee gewerkt
kan worden. De hoofdstroom vormde het technisch-professionele model en de tegen
bewegingen waren het persoonlijke groei model en het politiek kritisch model.
, In de persoonlijke groeibenadering staan persoonlijk en professioneel niet tegenover elkaar,
maar wordt het als goed vakmanschap beschouwd om invoelend en persoonlijk betrokken,
oftewel ‘empathisch’ naar de cliënt te kunnen luisteren.
In de politiekkritische benadering wordt het beroepsmatig handelen opgevalt als
emancipatiewerk, als een vorm van solidariteit met de sociale categorie waarvan de cliënt deel
uitmaakt.
In een pastoraat bewerkstelligen mensen niet hun welzijn, maar wordt welzijn vooral gezien
als geschenk, dat mensen ten deel kan vallen, zonder dat zij daar aanspraak op kunnen maken.
Pastorale werkers hebben een werkterrein dat veel overeenkomsten heeft met de geestelijke
gezondheidszorg en de agogische dienstverlening.
Het verschil tussen moeilijkheden en problemen is dat moeilijkheden kunnen vertaald worden
in problemen. Problemen vragen om oplossingen. Dus als je de moeilijkheden van het leven
benoemt in termen van problemen, denk je dus in feite al oplossingsgericht.
Reader hoofdstuk 2 Agogische benaderingen; introductie
Alles is aan verandering onderhevig. Sommige veranderingen verlopen spontaan, andere
veranderingen worden deskundig begeleid. Door een agoog bijvoorbeeld. Zodra de agoog
optreedt, hanteert deze een of meerdere opvattingen: opvattingen over wat wel en wat niet
moet worden beïnvloed, welke methoden en technieken daar wel en niet bij moeten worden
toepast en wat wel en niet gewenste uitkomsten van diens bemoeienis zijn. Het lijkt er dus
steeds meer op dat een agoog dan ook alles behalve neutraal is: steeds worden normatieve
keuzes gemaakt en daarop wordt het handen geschraagd.
Bij een vooronderstelling wordt aangegeven dat men van tevoren een bepaalde opvatting of
visie als bestaand aanneemt of voor waar laat gelden, een normatieve ‘bril’ opzet. Een ander
belangrijk gegeven is dat men zich niet altijd van tevoren van alle persoonlijke
vooronderstellingen bewust hoeft te zijn.
Professioneel optreden houdt in dat de agoog bereid is om zijn eigen vooronderstellingen te
onderzoeken en – zich bewust van de normatieve keuzes die hij maakt - bereid is om met
anderen in dialoog te blijven over die keuzes.
We weten tot op het heden nog niet precies wat de werkelijkheid nou is. Het begin van alle
kennis is een of ander geloof: geloof in aannames dat het zus moet zitten en niet zo. Ieder
begrip van de werkelijkheid zegt maar ten dele iets over wat er aan de hand is: het zegt ook
iets over degene die waarneemt. Waarnemingen zijn andere woorden, ten dele waar: waar is
ook dat de waarnemer op een zekere wijze kijkt en interpreteert.
Wanneer je een vaste overtuiging hebt, en daar strak aan vasthoudt, dan loop je het gevaar star
en dogmatisch te gaan denken, te denken vanuit vaste leerstellingen. Twijfel is dan verboden:
de wereld mag maar op één wijze begrepen worden. Alles past binnen één interpretatiekader
I Inleiding
Reader hoofdstuk 1 Problemen en oplossingen
Wij ondervinden op onze levensweg voortdurend allerlei voorspelbare en minder
voorspelbare problemen. Problemen vallen niet altijd gemakkelijk op te lossen, maar zolang
je er niet alleen voor staat hoeft dit niet verontrustend te zijn. Als we er met elkaar niet uit
komen is er in samenlevingen als de onze ook nog de mogelijkheid om oplossingen te ‘kopen’
door de hulp in te roepen van mensen die gespecialiseerd zijn in het oplossen van problemen
van een bepaald type.
Vanaf de verlichting in de 17de en 18de eeuw spreken we steeds meer van maakbaarheid. Dit
houdt in dat we met z’n allen steeds meer kunnen en hoeven we voor weinig meer vervaard te
zijn. In de moderne industriële maatschappijen zijn in de loop der tijd steeds meer professies
ontstaan. Psychologen en maatschappelijk werkers hebben zich veel later aangediend dan
artsen. Naast deze professionaliseringsprocessen spelen nog andere processen af. Zo hebben
we het verschijnsel protoprofessionalisering dat inhoudt dat mensen voordat ze een vakman
hebben geraadpleegd zelf al vaktermen op zich zelf hebben gegooid.
Vanaf het begin van de verlichting tot nu toe is twijfel geuit aan het vertrouwen in het
menselijk vermogen tot het oplossen van problemen. De hoofdstroom van het westerse
denken is sinds de verlichting bijna onafgebroken liberaal, rationalistisch en in wezen ook
technocratisch geweest. Maar aan tegenspraak heeft het nooit ontbroken:
• In de eerste plaats war er kritiek vanuit het traditionele denken. In het toen gangbare
religieuze wereldbeeld had men geen hoge pet op van de menselijke mogelijkheden.
De menselijke afhankelijkheid werd benadrukt, en het besef van die afhankelijkheid
gold als de sleutel tot het geluk.
• In de tweede plaats is er de ‘moderne’ kritiek vanuit de beweging van de romantiek
sinds het begin van de 19de eeuw. Hierin speelt de afhankelijkheidsgedachte van de
natuur een rol. Het denkvermogen van mensen wordt minder hoog aangeslagen dan in
de verlichting en het gevoel en die intuïtie worden daarentegen belangrijker
• Een derde type kritiek is die van de socialistische beweging die in de vorige eeuw is
ontstaan, een kritiek op de modern-westerse samenlevingen die meestal kortweg wordt
aangeduid als maatschappijkritiek. Deze kritiek richt zich tegen de ongelijkheid in die
samenlevingen.
• De laatste type kritiek is het postmoderne kritiek waarin de zelfvoldane westerse mens
van zijn voetstuk wordt gestoten en de hele maakbaarheidgedachte als een illusie
wordt beschouwd. In het postmoderne denken worden mensen er op allerlei manieren
aan herinnerd hoe klein en betrekkelijk hun individuele bijdrage is in de grote
culturele stroom.
Maatschappelijk werk en sociaal-pedagogische hulpverlening zijn werkvormen die zich van
dergelijke sociale technieken bedien. De verschillende vormen van welzijnswerk
veronderstellen alle in zekere mate de maakbaarheid van welzijn.
Van bergen introduceerde een indeling in drie stromingen, drie modellen waarmee gewerkt
kan worden. De hoofdstroom vormde het technisch-professionele model en de tegen
bewegingen waren het persoonlijke groei model en het politiek kritisch model.
, In de persoonlijke groeibenadering staan persoonlijk en professioneel niet tegenover elkaar,
maar wordt het als goed vakmanschap beschouwd om invoelend en persoonlijk betrokken,
oftewel ‘empathisch’ naar de cliënt te kunnen luisteren.
In de politiekkritische benadering wordt het beroepsmatig handelen opgevalt als
emancipatiewerk, als een vorm van solidariteit met de sociale categorie waarvan de cliënt deel
uitmaakt.
In een pastoraat bewerkstelligen mensen niet hun welzijn, maar wordt welzijn vooral gezien
als geschenk, dat mensen ten deel kan vallen, zonder dat zij daar aanspraak op kunnen maken.
Pastorale werkers hebben een werkterrein dat veel overeenkomsten heeft met de geestelijke
gezondheidszorg en de agogische dienstverlening.
Het verschil tussen moeilijkheden en problemen is dat moeilijkheden kunnen vertaald worden
in problemen. Problemen vragen om oplossingen. Dus als je de moeilijkheden van het leven
benoemt in termen van problemen, denk je dus in feite al oplossingsgericht.
Reader hoofdstuk 2 Agogische benaderingen; introductie
Alles is aan verandering onderhevig. Sommige veranderingen verlopen spontaan, andere
veranderingen worden deskundig begeleid. Door een agoog bijvoorbeeld. Zodra de agoog
optreedt, hanteert deze een of meerdere opvattingen: opvattingen over wat wel en wat niet
moet worden beïnvloed, welke methoden en technieken daar wel en niet bij moeten worden
toepast en wat wel en niet gewenste uitkomsten van diens bemoeienis zijn. Het lijkt er dus
steeds meer op dat een agoog dan ook alles behalve neutraal is: steeds worden normatieve
keuzes gemaakt en daarop wordt het handen geschraagd.
Bij een vooronderstelling wordt aangegeven dat men van tevoren een bepaalde opvatting of
visie als bestaand aanneemt of voor waar laat gelden, een normatieve ‘bril’ opzet. Een ander
belangrijk gegeven is dat men zich niet altijd van tevoren van alle persoonlijke
vooronderstellingen bewust hoeft te zijn.
Professioneel optreden houdt in dat de agoog bereid is om zijn eigen vooronderstellingen te
onderzoeken en – zich bewust van de normatieve keuzes die hij maakt - bereid is om met
anderen in dialoog te blijven over die keuzes.
We weten tot op het heden nog niet precies wat de werkelijkheid nou is. Het begin van alle
kennis is een of ander geloof: geloof in aannames dat het zus moet zitten en niet zo. Ieder
begrip van de werkelijkheid zegt maar ten dele iets over wat er aan de hand is: het zegt ook
iets over degene die waarneemt. Waarnemingen zijn andere woorden, ten dele waar: waar is
ook dat de waarnemer op een zekere wijze kijkt en interpreteert.
Wanneer je een vaste overtuiging hebt, en daar strak aan vasthoudt, dan loop je het gevaar star
en dogmatisch te gaan denken, te denken vanuit vaste leerstellingen. Twijfel is dan verboden:
de wereld mag maar op één wijze begrepen worden. Alles past binnen één interpretatiekader