College 1
- angst en mood stoornissen komen vaak voor bij kinderen en adolescenten
- angst vooral bij kinderen
- depressie vooral bij adolescenten
- er is steeds meer aandacht voor angststoornissen en moodstoornissen
- het lijkt te maken hebben met de maatschappij en omgeving -> er wordt veel van mensen
gevraagd, erfelijke aanleg
Waarom angst en depressie?
- Vallen onder meest voorkomende stoornissen bij kinderen en adolescenten
- Bv gemiddeld 1 kind per klas op basisschool heeft een angststoornis
- Sterke voorspellers van latere psychopathologie (Kessler et al. 2012)
- vaak niet herkend: minder dan 20% van kinderen met een angststoornis is in behandeling
in tegenstelling tot 45‐60% voor externaliserende problemen
- het is een internaliserende stoornis
- WHO: 2030 depressie nummer 1 oorzaak van ziektelast wereldwijd
Opzet vak
- Internaliserende problematiek centraal
- Specifieke onderwerpen belicht door gastsprekers
- Tentamenstof: colleges, literatuur
- Twee colleges per week
- Geen werkgroepen, wel actieve inbreng
- 80% aanwezigheid verplicht (max 3 missen)
- Weekopdrachten
- Toepassen stof
- Oefenen open vragen voor tentamen
- Minimaal 5 v/d 7 voldoende, minimaal 4 inleveren om te herkansen
- Toetsing
- Open‐vragen tentamen (80%)
- Gemiddelde cijfer van 7 weekopdrachten (20%)
- beargumenteer je antwoord goed -> leg uit aan de hand van de DSM en de literatuur
- zie tips op canvas
Angst en depressie
- de leeftijd waarop het gebeurt is verschillend
- lifetime prevalentie = is cumulatief -> hoeveel van de kinderen hebben de stoornis op een bepaalde
leeftijd gehad
- de leeftijd waarop angst en depressie opkomen verschilt
- depressie ontwikkelt zich later
- er is ook een verschil in de mate waarin mensen belemmert worden in het dagelijks functioneren
op basis van de klachten die ze ervaren
Overzicht college
- Wat is angst?
- Van normaal naar afwijkend
1
,- Vier angststoornissen
- SAD = separatie-angststoornis
- SF = specifieke fobie
- GAD = gegeneraliseerde angststoornis
- SP = sociale angststoornis
Wat is angst?
- angst is normaal en nuttig
- angst kan ervoor zorgen dat we in sommige situaties beter presteren
- mensen die nooit/weinig angst voelen hebben soms geen voordeel
- fear versus anxiety
- fear = kortdurende angst
- anxiety = langdurende angst -> komt continu terug en is probleem voor functioneren
- in het Nederlands hebben we niet echt onderscheid
- er is een cognitieve bias voor angst
- experiment met 3 tot 5 jarigen met plaatjes van slangen en bloemen
- kinderen moesten de slang of de bloem herkennen
- als kinderen de slang tussen de bloem moeten vinden, zijn ze sneller dan als ze de bloem
tussen de slangen moeten vinden
→ zelfs jonge kinderen zijn al snel in het herkennen van gevaar
- op jonge leeftijd hebben we de systemen hiervoor al
- als de angst overheersend wordt, wordt het een probleem
- 71% van de kinderen/peuters heeft wel eens angst
- dit is heel normaal -> kinderen zijn wel eens angstig
- we moeten goed begrijpen hoe de normale ontwikkeling in elkaar zit om onderscheid te makken
tussen normale angst en een angststoornis
- verschillende kinderen van dezelfde leeftijden tonen vaak dezelfde angst
- als een kind vast blijft houden aan een angst die niet meer gepast is voor de leeftijd, kan er
sprake zijn van een angststoornis
- de zorgen en angsten die kinderen hebben zijn gerelateerd aan de fase in de ontwikkeling
- we kijken altijd op een continuüm van normaal naar afwijkend
- adaptief -> problematisch -> pathologisch
2
,- jongeren hebben meer angsten dan volwassenen, omdat je meer kan relativeren als je ouder wordt
- kenmerken van problematische of patholoogische angst
- intensiteit: de angst is intenser dan gepast is voor de situatie
- onaangepastheid: de angst is niet passend voor de situatie
- volhardendheid: de angst komt steeds terug in de situatie en neemt niet af
- controleverlies: gedrag kan niet gereguleerd worden in de situatite -> vb. vermijding
Wanneer wordt angst een probleem?
- Is de angst buitensporig in relatie tot de eisen vanuit de omgeving van het kind?
- Is het mogelijk afdoende uitleg te geven of via redenaties de angst bij het kind weg te krijgen?
- Kan het kind de angst niet meer zelf onder controle houden?
- Blijft de angstige reactie hetzelfde over langere tijd?
- Leidt de angst tot vermijding van de situatie?
- Is de angst onaangepast?
- Is de angst passend bij de leeftijd of de ontwikkelingsfase?
- Interfereert de angst met het sociale, emotionele en academische functioneren van het kind?
- deze vragen kan een psycholoog stellen aan de ouders
- kinderen zien de problemen vaak niet -> ze vinden niet dat het gedrag aangepast is
Kenmerken van angststoornissen
- intense, persisterende angst
- symptomen zijn stresserend en ongewenst -> mensen willen zich niet zo angstig voelen
- verstoring is volhardend
- symptomen schenden sociale normen niet actief
- het is internaliserend en niet externaliserend
- internaliserende symptomen -> piekeren, buikpijn
Symptomen van angst
Gedragsmatig Cognitief
- vermijding - piekeren
- freeze - rumineren
- huilen - concentratieproblemen
- vastklampen aan ouders - cognitieve bias voor situaties die angst kunnen aanwakkeren
Fysiologisch Sociaal
- snellere hartslag - minder vrienden
- buikpijn - weinig aansluiting bij leeftijdsgenoten
- adrenaline - problemen op school
- bij jonge kinderen onduidelijke klachten
Angststoornissen in de DSM-V
- Gegeneraliseerde angststoornis (GAD)
- Specifieke fobieën (SF)
- Sociale angststoornis (SP)
- Separatie‐angststoornis (SAD): < 18 jaar
- Agorafobie
- Paniekstoornis (PD)
- Selectief mutisme
3
, - Obsessief compulsieve stoornis (OCD) -> valt nu niet meer onder angststoornissen
SAD: drie of meer kenmerken
1. Recidiverend excessief van streek zijn door het verwachten of ervaren van een scheiding
van thuis of van belangrijke hechtingspersonen.
2. Persisterende en excessieve bezorgdheid over het verliezen van belangrijke
hechtingspersonen of bezorgdheid dat hun iets kan overkomen, zoals ziekte, verwonding,
rampen of overlijden.
3. Persisterende en excessieve bezorgdheid over het meemaken van een ongelukkige
gebeurtenis (zoals verdwalen, ontvoerd worden, een ongeluk krijgen, ziek worden) die zou
leiden tot scheiding van een belangrijke hechtingspersoon.
4. Persisterende tegenzin of weigering om, vanwege scheidingsangst, naar buiten, weg
van huis, naar school, naar het werk of ergens anders naartoe te gaan.
5. Persisterende en excessieve vrees of tegenzin om thuis of in andere settings alleen of
zonder belangrijke hechtingspersonen te zijn.
6. Persisterende en excessieve tegenzin of weigering om ergens anders dan thuis te slapen
of te gaan slapen zonder dat een belangrijke hechtingspersoon in de buurt is.
7. Herhaalde nachtmerries over het thema separatie.
8. Herhaalde lichamelijke klachten (zoals hoofdpijn, buikpijn, misselijkheid, braken) op
het moment dat een scheiding van belangrijke hechtingspersonen plaatsvindt of wordt
verwacht.
- kinderen moeten hier 4 weken last van hebben en volwassenen 6 maanden
- je moet een aantal kenmerken/criteria weten van elke stoornis voor het tentamen
- Een van de meest voorkomende angststoornissen bij jonge kinderen (4% ‐10%).
- Jonge onset (7‐8 jaar), vaak na traumatische gebeurtenis
- een kind moet gehecht zijn voordat deze stoornis zich ontwikkeld
- hele jonge kinderen hebben eerder een hechtingsprobleem
- Geuit als:
- Overmatig piekeren over mogelijk gevaar (verlaten worden, ziek worden, ouders
buitenshuis kwijtraken)
- Somatische klachten (hoofdpijn, buikpijn)
- Opeisen aandacht verzorgers
- Belangrijk: effect of dagelijks functioneren
- Hoge comorbiditeit(66%) met angststoornissen en depressie. Minst stabiele stoornis, hoge
herstelratio
4