H2, H3, H12 en H13
Goede toetsvragen:
Waarom hebben vrouwen op latere leeftijd vaak last van osteoporose (botafbraak)?
Osteoclasten breken botweefsel af en osteoblasten bouwen dit weer op. Ze begraven zichzelf in
het bot. De achtergebleven osteoblasten zijn osteocyten. Oestrogeen en testosteron remmen
osteoclasten. Zonder deze hormonen breek je te veel bot af. Vrouwen worden sneller
onvruchtbaar en maken weinig tot geen hormonen meer aan Ze hebben dus vaker last van
osteoporose
Hoe kan het dat de afvoerende arteriole meer zuurstof bevat dan de aanvoerende bij het
kapsel van Bowman?
In het kapsel van Bowman wordt voorurine geproduceerd door middel van ultrafiltratie. Dit
proces is erg zuinig qua zuurstof en opereert vooral d.m.v de bloeddruk. De hoeveelheid
zuurstof neemt natuurlijk wel nog af, maar er verdwijnt ook heel veel vocht voor voorurine.
Hierdoor wordt de concentratie zuurstof dus hoger.
, H2
Organisatie Niveaus:
Molecuul -> Organel -> Cel -> Weefsel -> Orgaan -> Orgaanstelsel -> Organisme -> Populatie
-> Levensgemeenschap -> Ecosysteem -> Systeem Aarde
Emergente eigenschap: een eigenschap die ontstaat die op een lager organisatieniveau er
niet is.
Levenskenmerken: eigenschappen en processen die typisch zijn voor het leven dat wij op
aarde kennen.
1. Beweging
2. Groei en ontwikkeling
3. Voortplanting
4. Stofwisseling
5. Waarnemen en reageren
Diabetes
Normaal wordt er door je lichaam insuline aangemaakt die dienen als een sleutel voor je cellen
die het suiker naar binnen laten. Bij diabetes gaat dit mis.
Type 1: er wordt te weinig insuline aangemaakt door de pancreas (erfelijk)
Type 2: de insuline receptor laat het klepje niet open en is ongevoelig (zelf)
Er zijn veel verschillende groottes, vormen en functies van cellen. Dit heet celdifferentiatie.
Stamcellen:
1. Hebben nog geen functie
2. Kunnen zich snel en altijd delen
3. Maken maar 1 type cel
Grote inhoud = klein oppervlak
Kleine inhoud = groot oppervlak
Bij een groot oppervlak (kleine dieren) heb je een hoger metabolisme nodig om warm te blijven.
Kleine cellen kunnen beter stoffen uitwisselen dan grotere cellen in verhouding.
Verschillende celtypen
Eukaryoten: dieren, planten, schimmels (wel celkern)
Prokaryoten: bacteriën (geen celkern)
Organellen + functie
Celmembraan: bepaalt wat er in en uit de cel beweegt. Het bestaat uit een dubbele
fosfolipidenlaag. Dit is de cholesterol. Laat kleine gassen en vetachtige stoffen zoals hormonen
door. Hydrofiele stoffen niet. Hier kan osmose plaatsvinden.
Mitochondriën: waar m.b.v zuurstof energie vrijkomt in de vorm ATP en wordt bewaard
tot wanneer nodig. Het aantal is afhankelijk van de activiteit van de cel.
Kern: bevat DNA en bestuurt de functies van de cel. DNA bevat de code waarmee eiwitten
gemaakt kunnen worden. Bijna alle processen in ons lichaam doen dat d.m.v eiwitten.
Ribosoom: waar eiwitsynthese plaatsvindt. Zit los in het cytoplasma en op het Endoplasmatisch
Reticulum. Krijgt informatie van het DNA waarmee hij eiwitten kan maken.
Cytoplasma: waar de meerderheid van de activiteiten plaatsvindt