Dit oefententamen bevat 15 vragen. Er kan in totaal 40 punten worden behaald.
Berekening van je cijfer = (aantal behaalde punten/ 40) x10
In Utrecht bevindt zich een fietsenbedrijf. Dit bedrijf heeft aan variabele kosten €
248.000 gemaakt. De totale kosten bedragen € 748.000 in dit jaar. Er zijn 5000
fietsen geproduceerd. De verkoopprijs bedraagt € 87,12 (incl. btw). De afzet
bedraagt 25.000 stuks.
1. Bereken de veiligheidsmarge. 4pt
2. Wat geldt als de productieomvang stijgt binnen het relevante productie-
interval? 2pt
a) De totale vasten kosten blijven gelijk en de totale variabele kosten dalen.
b) De totale vaste kosten en de totale variabele kosten blijven gelijk.
c) De totale vaste kosten en de totale variabele kosten stijgen.
d) De totale vaste kosten blijven gelijk en de totale variabele kosten stijgen.
De totale kosten van een bepaald product kennen het volgende verloop:
Productie in stuks Totale kosten
5.000 € 75.000
6.000 € 90.000
7.000 € 105.000
8.000 € 120.000
1. Bereken de totale variabele kosten bij een productie van 6.500 stuks. 4pt
2. Welke stelling met betrekking tot constante kosten is juist? 2pt
a) Constante kosten zijn onafhankelijk van prijsbewegingen.
b) Constante kosten zijn afhankelijk van de beschikbare capaciteit.
c) Constante kosten per eenheid product zijn onafhankelijk van de
capaciteitsbezetting.
d) Contante kosten variëren met de capaciteitsbezetting.
1. Welke stelling over differentiële kosten is juist? 2pt
a) Differentiële kosten leiden tot prijsbederf op de afzetmarkt.
b) Differentiële kosten kunnen bestaan uit variabele en vaste kosten.
c) Differentiële variabele kosten zijn degressief variabel.
d) Differentiële kosten bestaan alleen uit variabele kosten.
1. Welke kwaliteitskenmerken kunnen onderling strijdig zijn? 2pt
a) Betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid
b) Begrijpelijkheid en betrouwbaarheid
c) Betrouwbaarheid en relevantie
d) Begrijpelijkheid en relevantie
1