10.1 Dekolonisatie
Na de Tweede Wereldoorlog wonnen in Groot-Brittannië de sociaaldemocraten de
verkiezingen. Dit had grote gevolgen voor de koloniën. In maart 1946 mocht India van
president Attlee onafhankelijk worden, maar moslimleider Jinnah wilde een islamitische staat.
Dit leidde tot geweld tussen hindoes en moslims. Uiteindelijk werd Brits-Indië opgedeeld in
India en Pakistan. In 1971 viel Pakistan uiteen en werd Oost-Pakistan het onafhankelijke
Bangladesh.
Ook in de rest van Azië kwam een einde aan de westerse hegemonie.
China: In 1912 werd China een republiek na een revolutie tegen de keizer. Tussen
1945 en 1949 namen de communisten onder leiding van Mao Zedong de macht over,
waardoor alle westerse invloed verdween. In 1997 stonden de Britten Hongkong af.
Indonesië: Op 17 augustus 1945 riep Soekarno de Republiek Indonesië uit. Dit
leidde tot een onafhankelijkheidsoorlog tegen eerst de Britten en daarna Nederland. In
juni 1947 kwam er een politionele actie op Java en Sumatra, deze was eerst
succesvol, maar daarna werd Nederland het doelwit van guerillastrijders. Einde 1948
kwam de tweede operatie waar Soekarno’s gevangen werd genomen. Op 27 december
1949 droeg Nederland onder druk van de VS de soevereiniteit over aan Indonesië.
Vietnam: Tot 1954 was Vietnam koloniaal bezit van Frankrijk. Vietnam kreeg de
hulp van China om onafhankelijk te worden van Frankrijk (die hulp kreeg van de
Verenigde Staten). In 1954 werd Vietnam onafhankelijk.
Palestina en het Midden-Oosten
De Britten bestuurden Palestina, waar geweld uitbrak tussen Arabische Palestijnen en Joodse
immigranten (= zionisten). De zionisten wilden een eigen staat in Palestina. Na de Holocaust
(1945) trokken veel Joden naar Palestina, wat leidde tot een burgeroorlog. De Britten trokken
zich terug en de Joodse staat Israël werd opgericht.
In Egypte kwam Nasser aan de macht en behaalde een overwinning in de Suez-crisis,
waardoor Groot-Brittannië afhankelijk werd van de VS. Na Egypte en Irak nam ook in Syrië
(1961) het leger met een staatsgreep de macht over.
Dekolonisatie van Afrika
In 1954 begon de onafhankelijkheidsoorlog in Algerije. Frankrijk sloeg hard terug, maar gaf
in 1962 de strijd op. In 1956 werden Tunesië en Marokko al onafhankelijk. Na de Suez-crisis
besloten Groot-Brittannië en Frankrijk hun Afrikaanse koloniën op te geven. In 1965 was
vrijwel heel Afrika onafhankelijk. In Zuid-Afrika kwam in 1994 algemeen kiesrecht en
werd Nelson Mandela president.
, 10.2 De Koude Oorlog
De conferentie van Potsdam in Berlijn was het begin van een wapenwedloop. De VS had als
eerste een atoombom, en Stalin wilde er nu ook een. Na Potsdam groeide het wantrouwen uit
tot vijandschap. Stalin bracht communistische dictaturen aan de macht, en dwars door Europa
ontstond het IJzeren Gordijn. President Truman probeerde via economische en militaire steun
landen te helpen die door het communisme werden bedreigd. Dit werd de Marshallhulp
genoemd en maakte deel uit van de containmentpolitiek.
In 1949 werden de BRD en de DDR opgericht. De DDR moest democratisch lijken, maar was
dat in werkelijkheid niet. In datzelfde jaar werd de NAVO opgericht, een militair
bondgenootschap tussen de VS en West-Europese landen. In 1955 sloten de communistische
landen een eigen militair verdrag, het Warschaupact.
De VS en de Sovjet-Unie groeiden uit tot supermachten. Ze raakten niet direct in oorlog met
elkaar, maar bevochten elkaar op economisch, politiek en technologisch vlak. De strijd
draaide om twee ideologieën: kapitalisme tegenover communisme. Dit leidde tot blokvorming
en een verdeling van de wereld in twee ideologische machtsblokken: het Oostblok en het vrije
Westen.
In 1950 viel communistisch Noord-Korea, onder leiding van Stalin, Zuid-Korea aan. De VS
reageerde snel en hielp Zuid-Korea. Ondertussen zorgden de Russische atoombom en de
Chinese revolutie voor chaos in de VS. In 1953 werd een wapenstilstand gesloten. Ook in
Vietnam speelde een soortgelijke situatie. Volgens de dominotheorie zou, als één land
communistisch werd, dit ervoor zorgen dat meer landen zouden volgen.
Door de wapenwedloop nam de vernietigingskracht enorm toe. In 1953 beschikten zowel de
VS als de Sovjet-Unie over waterstofbommen. Een atoomoorlog kon de menselijke
beschaving volledig vernietigen. Chroesjtsjov, de opvolger van Stalin, stelde daarom dat
vreedzame co-existentie tussen communisme en kapitalisme noodzakelijk was.
De grens tussen Oost- en West-Berlijn was het enige gat in het IJzeren Gordijn. In 1961
bouwde de DDR de Berlijnse Muur. Eind 1962 ontdekten de VS dat de Sovjet-Unie
kernraketten op Cuba had geplaatst. President Kennedy dreigde met atoomoorlog als de
raketten niet werden weggehaald. Chroesjtsjov gaf toe en liet de raketten verwijderen. Na de
Cubacrisis werd Chroesjtsjov afgezet en vervangen door Brezjnev. Er volgde een periode van
ontspanning (détente), maar de twee supermachten bleven kernwapens ontwikkelen en
bouwden alsnog intercontinentale raketten.
Vanaf 1975 nam de vijandigheid weer toe. De Sovjet-Unie
bouwde middellangeafstandsraketten, en de NAVO deed dat ook. Rond 1980 leek er geen
einde te komen aan de Koude Oorlog. Toch kreeg de Sovjet-Unie steeds meer interne
problemen. Volgens Gorbatsjov, die in 1985 leider werd, was het communisme alleen te
redden door meer openheid (glasnost) en economische hervormingen (perestrojka). Ook
wilde hij een einde maken aan de kostbare wapenwedloop. De Sovjet-bevolking stond positief
tegenover deze veranderingen. In 1989 werd het IJzeren Gordijn afgebroken, en niet veel later
viel de Berlijnse Muur. In december 1989 verklaarden Gorbatsjov en de Amerikaanse
president Bush senior dat de Koude Oorlog voorbij was.