ontwikkelingspyschopathologie en diagnostiek
Hoorcollege 1 – gezinsdiagnostiek in de forensische context
Ramaswami et al. (2022). Family health development in life course research: a scoping
review of family functioning measures
Doel: identificeren van veelvoorkomende meetinstrumenten voor het functioneren van
gezinnen en beoordelen of deze aansluiten bij de perspectieven op de ontwikkeling van family
health (gezinsgezondheid) en de levensloop.
Family Resilience Framework (FRF) geeft 3 kerndimensies van familiefunctioneren die het
vermogen van een gezin om tegenslagen in de loop van de tijd succesvol te weerstaan
faciliteert.
1) Belief systems (eg. betekenis geven aan tegenspoed, een positieve instelling,
transcendentie en spiritualiteit)
2) Organisatiepatronen (eg. flexibiliteit, verbondenheid en sociale en economische
middelen)
3) Communicatieproces (eg. helderheid van communicatie, open emotionele uitwisseling
en gezamenlijke probleemoplossing)
In de review zijn 50 meetinstrumenten geïdentificeerd:
- 23 (46%) meten belief systems
- 47 (94%) meten organisatiepatronen
- 27 (54%) meten communicatieprocessen
Family health (gezinsgezondheid) vanuit een life-course perspectief kan een set van
ontwikkelingscapaciteiten reflecteren die in de loop van de tijd het welzijn van families en
haar leden kan bevorderen.
Deze capaciteiten bevatten verschillende domeinen van familiefunctioneren of de processen
waarin families als systeem hun doelen en functies nagaan in de loop van de tijd.
Met gebruik van het FRF is gevonden dat veelvoorkomende meetinstrumenten voor
familiefunctioneren in verschillende mate in staat zijn om rijke informatie over belief systems,
organisatiepatronen en communicatieprocessen te vangen.
Life-course onderzoekers kunnen hiermee een goed begrip krijgen van belangrijke
familieprocessen als context voor gezondheid en welzijn.
Aanbevelingen voor toekomstige verbetering in instrumenten:
Volgend onderzoek zou items moeten ontwikkelen die universeel toepasbaar zijn op
verschillende leeftijden en fasen van het familie-leven (1) of zou items moeten
ontwikkelen die betrekking hebben op plausibele familieleeftijden en -fasen.
Volgend onderzoek moet meer aandacht hebben aan de geschiktheid van de items mbt
de identiteit en kenmerken van het gezin.
Volgend onderzoek moet binnen meetinstrumenten meer informatie opnemen over de
bredere context van het gezin.
,Pritchett et al. (2011). Quick, simple measures of family relationships for use in clinical
practice and research: a systematic review.
Doel: systematisch identificeren van alle vragenlijsten over het familiefunctioneren die
geschikt zijn voor gebruik in de eerstelijnszorg en in onderzoek.
De self-report vragenlijsten worden gebruikt om het familiefunctioneren te onderzoeken en de
rol daarvan in het ontstaan van psychopathologie in kind en volwassene.
Metingen van familiefunctioneren zijn onderverdeeld in 6 secties:
1) Ouder-kindrelaties
2) Ouderpraktijken en discipline
3) Ouderlijke overtuigingen (parental beliefs)
4) Huwelijkskwaliteit
5) Globaal familiefunctioneren
6) Situatiespecifieke metingen
Self-report vragenlijsten bleken meer geschikt voor het meten van het ene aspect dan het
andere. Zo is het niet waardevol in onderzoek naar ouderlijkpraktijken en discipline evenals in
onderzoek naar gehechtheid. Echter is het wel heel waardevol in onderzoek naar ouderlijke
overtuigingen.
,Hoorcollege 2 – Ontwikkelingspsychopathologie en veerkracht
Drabick & Kendall (2010). Developmental psychopathology and the diagnosis of mental
health problems among youth.
Doel: handvatten bieden voor begrijpen van comorbiditeit bij jongeren door principes van
ontwikkelingspsychopathologie te verbinden aan mogelijke verklaringen voor het samen
voorkomen van stoornissen.
Er worden verschillende manieren beschreven hoe een ontwikkelingspsychopathologisch
perspectief een diagnostisch besluit kunnen beïnvloeden.
Normatief vs. atypische ontwikkeling
De ontwikkelingspsychopathologische benadering benadrukt dat normatieve ontwikkeling een
cruciale vergelijking biedt om te bepalen of gedrag atypisch of problematisch is. Voor ouders
kan bepaald gedrag storend of lastig zijn, terwijl het leeftijdsadequaat is. De wijde range van
wat we zien als ‘typisch’ gedrag maakt het soms lastig om te bepalen wat atypisch is de
DSM houdt hier rekening mee door te stellen dat het gedrag in meerdere contexten vertoont
moet worden en aan een minimaal aantal symptomen moet voldoen.
Meer kennis van ontwikkelingsnormen zijn belangrijk in diagnostiek.
Categorisch vs. dimensionaal model
Categorisch is belangrijk voor epidemiologie, communicatie tussen professionals,
behandelonderzoek en het verkrijgen van diensten. Dimensionale modellen kunnen
aanvullende informatie geven over risico, veerkracht, etiologie, preventie en interventie.
Een combinatie zou het begrip van ontwikkeling, instandhouding, prognose, behandeling en
verloopt van aandoeningen makkelijker maken het zou ook begrip van de ontwikkeling
van co-occurerende symptomen en comorbide syndromen kunnen vergroten.
Contextuele invloeden
Hoewel erkend wordt dat context van groot belang is binnen psychopathologie, heeft de DSM
hier geen aandacht voor. Het ontwikkelingspsychopathologisch perspectief bekijkt de
interactie tussen individu en omgeving (vb. oudergedrag X temperament kind). Deze
interactie kan variëren, waarbij 1 enkele risicofactor kan leiden tot verschillende uitkomsten
(= multifinaliteit). Equifinaliteit (= verschillende risicofactoren kunnen leiden tot dezelfde
uitkomst) biedt een basis voor verklaring van comorbiditeit verschillende symptomen van
stoornissen worden ook beschreven als symptomen van andere stoornissen.
Comorbiditeit bij jeugdstoornissen
Comorbiditeit komt vaak voor en wordt geassocieerd met toegenomen ernst van de
symptomen, ernstigere negatieve correlaties en gevolgen, een ander behandelrespons en een
verschillend beloop belangrijk om comorbiditeit in acht te nemen bij psychopathologische
modellen. Binnen medische modellen is er een gemeenschappelijke verklarende factor, terwijl
de etiologische mechanismen waarschijnlijk complexe interacties tussen risico- en
veerkrachtvariabelen omvatten (stemt overeen met ontwikkelingspsychopathologisch
perspectief). Het is dus makkelijker om comordibiteit op symptoomniveau te kijken en wordt
een gedeeld etiologisch proces gezien als een van de vele mogelijke verklaringen van
comorbiditeit.
Verklaringen
, Kunstmatige en methodologische verklaringen suggereren dat comorbiditeit kan worden
veroorzaakt door toeval, methodologische- en beoordelingskwesties of problemen met
diagnosesysteem.
Toeval. Comborbiditeit wordt soms ten onrechte toegeschreven aan toeval.
Epidemiologische studies bewijzen dat bepaalde paren van stoornissen vaker samen
voorkomen dan obv kans verwacht kan worden.
Methodologische factoren. Comorbiditeit kan beïnvloed worden door
methodologische factoren, zoals Berkson’s bias (= mensen met meerdere stoornissen hebben
meer kans om hulp te zoeken). Epidemiologische studies zijn representatiever voor algemene
bevolking en verminderen deze vertekening. Methodologische biases kunnen bijdragen aan
verhoogde comorbiditeitscijfers (vb. manier van meten, informant, steekproef en
onderzoeksopzet). Door verschillende soorten studies te gebruiken is comorbiditeit
onwaarschijnlijk enkel aan deze bias te wijten.
Population stratification. Door risicofactoren die specifiek zijn voor sommige
subgroepen lijkt comorbiditeit voor te komen. Bijv. depressieve moeder die vaker
huwelijksproblemen ervaren, leidt bij kinderen tot verhoogde kans op depressie EN
gedragsproblemen, zonder een directe relatie tussen stoornissen zelf.
Symptoom overlap. Verschillende aandoeningen tonen dezelfde symptomen, waardoor
een kind met criteria van de ene stoornis ook voldoen aan een andere comorbiditeit
kunstmatig hoog. Dit wordt gecorrigeerd door overlappende symptomen niet mee te tellen.
Atypische vorm van één stoornis. Comorbiditeit wordt gezien als een atypische vorm
van één stoornis symptomen van tweede stoornis zijn een uiting van eerste stoornis in
andere vorm. Bijv. gedragsproblemen als gemaskeerde vorm van depressie.
Potentiële causale verklaringen suggereren dat comorbiditeit kan ontstaan omdat de ene
stoornis risico biedt voor een andere stoornis, of dat gedeelde risicofactoren verantwoordelijk
zijn voor het gelijktijdig voorkomen.
Causaliteit. Het hebben van één stoornis verhoogt het risico om andere stoornis te
ontwikkelen. Bijv. kids met ADHD zijn vatbaarder voor depressie, omdat ADHD’ers vaak
moeite hebben met interpersoonlijke relaties en schoolprestaties dat kan leiden tot
depressie.
Gedeelde risicofactoren. Beide stoornissen hebben overlappende risicofactoren die
bijdragen aan comorbiditeit.
Multifinaliteit en invloed van protectieve- en risicofactoren over tijd moeten onderzocht
worden om comorbiditeit beter te begrijpen.
Conclusie: comorbide stoornissen moeten onderzocht worden vanuit een
ontwikkelingspsychopathologisch perspectief, waarbij zowel normale als atypische
ontwikkeling, context en ontwikkelingspaden worden overwogen.
Masten (2015). Pathways to integrated resilience science.
Doel: bespreekt uitdaging in onderzoek naar psychologische veerkracht vanuit een
ontwikkelingssystemen perspectief.
Veerkracht = ‘resilience can be broadly defined as the potential or manifested capacity of a
dynamic system to adapt successfully to disturbances that threaten the function, survival, or
development of the system’
- Dynamic system is individueel of gezin