Hoorcollege 6: De adolescentie
Adolescent, storm & stress?
Hall (1900) & Freud (1960/1970)
▪ ‘Detachement’ binnen het gezin → gaat samen met de ouder-adolescent conflicten
= normaal, gezond en onvermijdbaar
= universeel (iedereen maakt dit door)
▪ Vaak sprake van fluctuaties in gevoelens & sprake van risicogedrag
Maar is de ontwikkeling wel zo universeel? Wat verandert er en waarom?
Ontwikkeling van waargenomen steun/ warmte (longitudinale studie, zelfrapportage jeugd)
* In de adolescentie neemt het iets af maar de hoeveelheid mate steun/warmte blijft redelijk hoog.
Richting de late adolescentie neemt dit weer extra toe.
* Bij moeders is de hoeveelheid steun/ warmte gemiddeld genomen hoger wat het gevolg kan zijn van
meer nabijheid
* Bij meiden wordt de hoeveelheid steun/warmte echt hoger, bij jongens is dit minder in de late
adolescentie. Ouders ervaren het bieden van steun/warmte bij meiden als makkelijker en jongens zetten
zich sneller af (hypothetisch)
Ontwikkeling van negatieve interactie (longitudinale studie, zelfrapportage jeugd)
* Negatieve interactie neemt toe, vanaf zestien neemt dit gedrag af
,Ontwikkeling van dominantie (longitudinale studie, zelfrapportage jeugd)
* De hoeveelheid controle/ dominantie neemt af over de adolescentie heen.
Concluderend ontwikkeling, de relatie is…. (van jeugd naar de tienertijd)
Verticaal → horizontaal (gelijkwaardiger)
Asymmetrisch → symmetrisch (wederzijdse interacties)
Afhankelijk → onafhankelijk
Maar…… er zijn veel individuele verschillen
▪ De meeste relaties zijn goed (veel steun,
positieve interacties) van de vroege
adolescentie tot de midden adolescentie, dit
neemt vanaf zestien jaar toe (harmonieus). – de
grootste groep
▪ Turbulente relaties (weinig steun, veel
negatieve interacties) komen ook voor van de
vroege adolescentie tot de midden
adolescentie, maar neemt af vanaf zestien jaar.
Dus de ontwikkeling van adolescenten ≠ vacuüm
▪ De ontwikkelingsgeschiedenis van ouder-kind interactiepatronen en relatiekwaliteit voor de
adolescentie is belangrijk!
▪ “the poor get poorer”: waar het voor de adolescentie niet goed ging, werkt dit vaak in ergere mate
door gedurende de adolescentie
▪ Individuele verschillen moeten in acht genomen worden, in de basis hebben zonen bijvoorbeeld een
warmere relatie met hun moeder maar zijn ze closer met hun vader maar dit hoeft niet zo te zijn.
Twee contrasterende hypothesen beschrijven het potentiële effect van de kwaliteit van de interouderlijke
relatie of conflict op de aanpassing van adolescenten en de kwaliteit van de ouder-adolescent relatie:
▪ De spilloverhypothese: een lagere kwaliteit van de interouderlijke relatie of conflict slaat over naar
een negatieve invloed op de kwaliteit van de ouder-adolescentrelatie.
▪ De compensatiehypothese: een lagere kwaliteit van de interouderlijke relatie draagt bij aan een
hogere kwaliteit van de ouder-adolescentrelatie.
,Is er nou sprake van storm & stress?
JA NEE
Toename van conflicten in de adolescentie Gemiddeld, maar variatie tussen individuen
Afname van warmte/steun Minor argumenten, geen invloed van
relatiekwaliteit
Adolescentie als moeilijkste Niet in alle culturen
ontwikkelingsperiode
Ouder-adolescent relatie: ontwikkeling en conflicten
De ouder-kindrelatie wordt gekenmerkt door drie belangrijke kenmerken; nabijheid (1) wat fungeert als
potentiële aantrekker voor het vormen van verbindingen tussen gezinsleden, conflict (2) wat juist
fungeert als een potentiële afstoting omwille het creëren van psychologische en fysieke afstand tussen
gezinsleden en tot slot ouderlijk toezicht (3).
Conflicten nemen toe gedurende de adolescentie, dit is een normaal aspect van de ontwikkeling…
▪ Een onderscheid tussen hoe vaak (frequentie) en hoe ernstig de conflicten zijn (intensiteit)
o Frequentie neemt af gedurende de adolescentie, met het toppunt gedurende de vroege
adolescentie daarna neemt dit af.
o De intensiteit neemt toe gedurende de adolescentie, met het toppunt gedurende de midden
adolescentie (daarna neemt het wat af) → dit zien we voornamelijk bij moeders (en hun
dochters)
- 20-25% van deze conflicten kan echt geclassificeerd worden als ‘erg’.
- Is er dan misschien sprake van moderatoren die het verband tussen de relatie en het ervaren
van conflicten verklaren? Dit zou de relatiekwaliteit kunnen zijn, de familiestructuur
(éénoudergezin, scheiding etc.), de mate van empathie bij het kind (hoe hoger, des te minder
conflict) maar geslacht en de leeftijd van zowel de ouders als heet kind.
Drie typen delicten
1. Explosieve dyaden: onregelmatige en zeer intense conflicten
2. Kibbelende dyaden: frequente conflicten en een negatieve relatiekwaliteit
3. Rustige dyaden: lage conflictintensiteit en lage negativiteit in relaties
, Vooral type 1 en 2 lijden tot internaliserend en externaliserend probleemgedrag. In de praktijk blijkt dat
de manier van oplossen wat betreft conflicten nog beter is dan het voorkomen ervan.
Waarom maken ouders en de adolescent ruzie?
▪ In de midden adolescentie zitten ouder en kind vaak niet op één lijn, de overeenstemming neemt toe
naarmate de puberteit vordert
▪ Autonomie-gerelateerde issues (zijn eigenlijk ook control-issues) = het streven naar autonomie
vanuit de adolescent (gevoel van zelf als zelfstandig, onafhankelijk en een zelfbeslissend individu)
en juist een toename van controle vanuit de ouder.
o Meer behoefte aan privacy
o Autonome keuzes maken en beslissingen nemen
o Autonome gedachten en gevoelens
Waarom zien we conflicten gedurende de adolescentie?
▪ Muturational perspective: de cognitieve ontwikkeling, adolescenten zijn klaar voor meer
autonomie naarmate het cognitieve vermogen ontwikkelt. (twijfel over ouderlijke legitimiteit van
‘controle’ + egalitair)
▪ Expectancy violationrealign theory: Adolescentie streven naar autonomie maar… Verschillen in
de verwachting over timing van transities in autonomie en zelfregulatie.
▪ Social domain theory: de effectiviteit van ouderlijk toezicht is afhankelijk van het domein. Er is
vaak sprake van een verschil in perspectief van de adolescent en ouder over persoonlijke versus
verstandige, emotionele, morele issues
Ouder-adolescent conflict duidt eigenlijk op een herorganisatie (realignment) van de ouder-kind
relatie
Ook broers en zusjes spelen een ontzettend belangrijke rol. Uit onderzoek kwamen drie soorten relatie
tussen broers en zussen in de vroege adolescentie: vijandige relaties (20%) gekenmerkt door weinig
warmte en veel conflict, een affectieve intensieve relatie (40%) gekenmerkt door veel warmte en veel
conflict en tot slot een harmonieuze (40%) relatie met veel warmte en weinig conflict (Branje, S.,
Mastrotheodoros, S., & Laursen, B., 2021).
▪ De warmte en intimiteit tussen broers en zussen zijn over het algemeen stabiel voor paren van
hetzelfde geslacht en vertonen een U-vormig patroon voor paren van gemengd geslacht. Conflicten
tussen broers en zussen nemen over het algemeen af na de vroege adolescentie.
▪ Relatieve macht in de broer-zusrelatie neemt ook af tijdens de adolescentie.
▪ Zusparen rapporteren over het algemeen de hoogste niveaus van warmte.
▪ Broer-zusrelaties verschillen ook tussen culturen; broers en zussen in westerse culturen rapporteren
over het algemeen minder warmte en machtsonevenwicht dan broers en zussen in oosterse culturen
of minderheidsgroepen.
▪ Hogere broer- zuswarmte en intimiteit is gerelateerd aan hogere moederlijke warmte, en hoger
broer-zusconflict is gerelateerd aan hoger conflict in de vader-adolescentrelatie. Deze onderlinge
relaties zijn mogelijk sterker voor meisjes dan voor jongens: hogere relatiekwaliteit tussen broers
en zussen was gekoppeld aan hogere relatiekwaliteit met ouders voor meisjes, maar niet voor
jongens
▪ Een kwalitatief goede broer-zusrelatie kan een belangrijke bron van steun zijn en kan bijdragen aan
een betere aanpassing. Relaties tussen broers en zussen van lagere kwaliteit hangen samen met