Myrthe van der Houwen s2843023
1: Criminele carrières volgens Blokland et al. (2010) en Cho et al. (2019)
Voor deze opdracht zullen de artikelen van Blokland et al. (2010) en Cho et al. (2019) over
minderjarige daders nader worden toegelicht. Beide artikelen richten zich op verschillende
criminele carrière dimensies onder deze dadergroep. Hierna zal de levensloop-verklaring van
Laub et al. (2018) in combinatie met de inzichten van Giordano et al. (2014) gebruikt worden
om het desistance-proces in minderjarige daders te verklaren. Tot slot gebruiken we deze
kennis om de Nederlandse interventie Ouderschap met Liefde en Grenzen, gericht op onze
doelgroep, te evalueren.
In het eerste onderzoek door Blokland en collega’s (2010) wordt er gekeken naar
geregistreerde criminaliteit onder jongens en meisjes uit verschillende herkomstgroepen in de
leeftijd van twaalf tot 22 jaar. De politiecontacten (HKS) van het totale cohort in 1984 werd
geanalyseerd, met in totaal 170.892 jongeren, waaronder 87.529 mannen en 83.363 vrouwen.
De studie richt zich op criminele carrièredimensies zoals de startleeftijd, type delict en de
delictsfrequentie.
Uit het artikel blijkt dat Nederlandse jongens gemiddeld starten met het plegen van
criminaliteit op de leeftijd van 18,5 jaar, terwijl voor andere herkomstgroepen de gemiddelde
leeftijd 18 jaar is. Meisjes beginnen hun criminele carrière gemiddeld iets later, de startleeftijd
ligt hier tussen de 17,9 en 18,4. In het onderzoek wordt ook de frequentie van delicten
gemeten, waaruit blijkt dat jongeren met een vroege startleeftijd vaak een hogere frequentie
van crimineel gedrag vertonen gedurende hun carrière. De delictsfrequentie neemt af rond de
leeftijd van 20 jaar. De studie toont aan dat meisjes gemiddeld een lagere delictsfrequentie
vertonen, ongeacht herkomstgroep. Het type delict wat door minderjarigen wordt gepleegd
verschilt ook per geslacht en herkomstgroep. Zo zijn jongens vaker betrokken bij gewelds- en
vermogensdelicten, terwijl meisjes zich slechts richten op vermogensdelicten.
Samenvattend geeft dit artikel waardevolle inzichten in de startleeftijd,
delictsfrequentie en type delicten van jongeren geboren in 1984. Resultaten laten zien dat
vroege starters ook een hogere delictsfrequentie vertonen. Dit komt overeen met andere
criminologische bevindingen (Blokland et al., 2010). Het artikel biedt geen inzicht in het
desistance-proces onder Nederlandse jongeren die in de HKS geregistreerd zijn. Ook wordt er
geen aandacht besteed aan psychosociale factoren die bijdragen aan verschillen in crimineel
carrière dimensies voor geslacht en herkomstgroepen.
Het onderzoek van Cho et al. (2019) identificeert de risicofactoren voor vroege onset
van de criminele carrière onder minderjarigen, zoals geslacht, etniciteit, emotionele
stoornissen en schoolervaringen. De focus ligt hier dus vooral op de startleeftijd van
minderjarige delinquenten. Resultaten laten zien dat jongeren die mishandeld zijn in het
verleden een grotere kans hebben op een vroege onset van de criminele carrière, dan jongeren
die niet mishandeld zijn. Uit het artikel blijkt ook dat jongeren met meer dan drie meldingen
van mishandeling dubbel zoveel kans hebben op vroege delinquentie. Daarnaast verhogen
schorsingen op school en emotionele stoornissen de kans op vroeg vertonen van crimineel
gedrag.
1: Criminele carrières volgens Blokland et al. (2010) en Cho et al. (2019)
Voor deze opdracht zullen de artikelen van Blokland et al. (2010) en Cho et al. (2019) over
minderjarige daders nader worden toegelicht. Beide artikelen richten zich op verschillende
criminele carrière dimensies onder deze dadergroep. Hierna zal de levensloop-verklaring van
Laub et al. (2018) in combinatie met de inzichten van Giordano et al. (2014) gebruikt worden
om het desistance-proces in minderjarige daders te verklaren. Tot slot gebruiken we deze
kennis om de Nederlandse interventie Ouderschap met Liefde en Grenzen, gericht op onze
doelgroep, te evalueren.
In het eerste onderzoek door Blokland en collega’s (2010) wordt er gekeken naar
geregistreerde criminaliteit onder jongens en meisjes uit verschillende herkomstgroepen in de
leeftijd van twaalf tot 22 jaar. De politiecontacten (HKS) van het totale cohort in 1984 werd
geanalyseerd, met in totaal 170.892 jongeren, waaronder 87.529 mannen en 83.363 vrouwen.
De studie richt zich op criminele carrièredimensies zoals de startleeftijd, type delict en de
delictsfrequentie.
Uit het artikel blijkt dat Nederlandse jongens gemiddeld starten met het plegen van
criminaliteit op de leeftijd van 18,5 jaar, terwijl voor andere herkomstgroepen de gemiddelde
leeftijd 18 jaar is. Meisjes beginnen hun criminele carrière gemiddeld iets later, de startleeftijd
ligt hier tussen de 17,9 en 18,4. In het onderzoek wordt ook de frequentie van delicten
gemeten, waaruit blijkt dat jongeren met een vroege startleeftijd vaak een hogere frequentie
van crimineel gedrag vertonen gedurende hun carrière. De delictsfrequentie neemt af rond de
leeftijd van 20 jaar. De studie toont aan dat meisjes gemiddeld een lagere delictsfrequentie
vertonen, ongeacht herkomstgroep. Het type delict wat door minderjarigen wordt gepleegd
verschilt ook per geslacht en herkomstgroep. Zo zijn jongens vaker betrokken bij gewelds- en
vermogensdelicten, terwijl meisjes zich slechts richten op vermogensdelicten.
Samenvattend geeft dit artikel waardevolle inzichten in de startleeftijd,
delictsfrequentie en type delicten van jongeren geboren in 1984. Resultaten laten zien dat
vroege starters ook een hogere delictsfrequentie vertonen. Dit komt overeen met andere
criminologische bevindingen (Blokland et al., 2010). Het artikel biedt geen inzicht in het
desistance-proces onder Nederlandse jongeren die in de HKS geregistreerd zijn. Ook wordt er
geen aandacht besteed aan psychosociale factoren die bijdragen aan verschillen in crimineel
carrière dimensies voor geslacht en herkomstgroepen.
Het onderzoek van Cho et al. (2019) identificeert de risicofactoren voor vroege onset
van de criminele carrière onder minderjarigen, zoals geslacht, etniciteit, emotionele
stoornissen en schoolervaringen. De focus ligt hier dus vooral op de startleeftijd van
minderjarige delinquenten. Resultaten laten zien dat jongeren die mishandeld zijn in het
verleden een grotere kans hebben op een vroege onset van de criminele carrière, dan jongeren
die niet mishandeld zijn. Uit het artikel blijkt ook dat jongeren met meer dan drie meldingen
van mishandeling dubbel zoveel kans hebben op vroege delinquentie. Daarnaast verhogen
schorsingen op school en emotionele stoornissen de kans op vroeg vertonen van crimineel
gedrag.