1.1 De aspirant-student kan uitleggen waarom jagers-
verzamelaars nomaden waren. Uit de periode van jagers-verzamelaars
kennen we geen schriftelijke bronnen, maar door allerlei voorwerpen en overblijfselen (zoals
werktuigen van botten en vuursteen) uit die periode hebben we wel een beeld van de mensen die
toen leefden. De jagers-verzamelaars leefden van de jacht en van het verzamelen van voedsel en
waren daarom afhankelijk van de natuur. Ze volgden het wild en hadden een nomadisch bestaan.
Hun kunstuitingen bestonden uit kleine beeldjes en grotschilderingen.
Het leven van de eerste bewoners van Europa werd vooral bepaald door de ijstijden: koude perioden
die werden afgewisseld door minder koude perioden. Op de toendra’s werd jacht gemaakt op
mammoeten en rendieren.
In ons land trokken van 12000 tot 8000 v. C. rendierjagers (nomaden) door het land. Dat waren
mensen die leefden van de jacht op rendieren. Vanaf 8000 v. C. werd het warmer in ons land en
trokken de rendieren en de rendierjagers naar het noorden. De enige sporen die ze achtergelaten
hebben zijn sporen van hun kampen.
1.2 De aspirant-student kan veranderingen toelichten die het
gevolg waren van de agrarische revolutie.
De eerste landbouw ontstond in het
Midden-Oosten. De overgang van jagen-verzamelen naar akkerbouw en veeteelt deed zich het eerst
voor omstreeks 7000 v.C. In plaats van rond te trekken, vestigden mensen zich nu op een plek. Ze
zetten de natuur naar hun hand en hadden ook meer bezit dan jagers-verzamelaars, zoals aardewerk.
Vanuit het Midden-Oosten verspreidde de landbouw zich over Europa. De eerste landbouwers in de
Lage Landen waren de Bandkeramiekers (5300-4900 v. C.). Zij vestigden zich op de Lössgronden in
het huidige Zuid-Limburg. Zij hebben de naam Bandkeramiekers gekregen door hun aardewerk. De
eerste agrarische samenleving boven de grote rivieren was die van de hunebedbouwers (3400-2850
v.C.). Zij behoorden tot de Trechterbekercultuur, genoemd naar hun aardewerk. De belangrijkste
sporen van deze cultuur zijn de overblijfselen van hun graven, de hunebedden die te vinden zijn op
het Drents plateau. De hunebedden zijn gemaakt van grote stenen die tijdens de ijstijd vanuit
Scandinavië̈ door het ijs werden aangevoerd. Van mensen uit de prehistorie weten we dat ze
geloofden in een leven na de dood door vondsten van grafgiften in graven uit die tijd.
Zesduizend jaar geleden werd in het Midden-Oosten het schrift ontwikkeld op kleitabletten. Daarmee
kwam in het Midden-Oosten een einde aan de prehistorie.
Tijdvak 2: Tijd van de Grieken en Romeinen (3000 v.C. – 500)
,2.1 De aspirant-student kan Grieks-Romeinse cultuur herkennen
en beschrijven. De Grieks-Romeinse cultuur werd de heersende cultuur in de
landen aan de Middellandse Zee en in Europa. In de vele landen die de Romeinen veroverd hebben,
staan nu nog restanten van gebouwen uit de Grieks-Romeinse cultuur, zoals aquaducten, villa ś en
badhuizen met heteluchtverwarming, amfitheaters (waar gladiatorengevechten gehouden werden),
triomfbogen, theaters en tempels. Ook zijn uit die tijd kunstwerken bewaard gebleven, zoals
beeldhouwwerken en mozaïekvloeren. De Romeinen geloofden in vele goden die zij in tempels
vereerden. In het Romeinse Rijk werden op vele plaatsen steden gebouwd. Slavernij was een
belangrijk onderdeel van de Romeinse samenleving.
2.2 De aspirant-student kan voorbeelden herkennen en
beschrijven van de beïnvloeding van de Grieks-Romeinse cultuur
op de Germaanse cultuur. Door
veroveringen groeide het dorpje Rome in duizend jaar tijd (circa 750 v.C. tot circa 400 n.C.) uit tot
een machtig wereldrijk dat onder andere de hele Middellandse Zee omvatte. Julius Caesar speelde
hierin met zijn verovering van Gallië̈ een belangrijke rol. In alle landen die door de Romeinen bezet
werden, voerden ze hun wetten en bestuur in. Door de verbeterde veiligheid nam de handel toe en
ontstonden steeds meer ambachten. De agrarische cultuur van de Germanen veranderde langzaam
in een agrarisch-stedelijke cultuur.
De noordelijke grens van het Romeinse Rijk werd gevormd door de Rijn en de Donau en een
verdedigingslinie die beide rivieren verbond. Die grens van het Romeinse Rijk werd de Limes
genoemd. In de Lage Landen werd de grens gevormd door de rivier de Rijn, die werd bewaakt door
wachttorens en versterkte nederzettingen. Bovendien werd er een goed wegennet in het rijk
aangelegd om legers te kunnen verplaatsen. De Romeinen werkten vaak samen met de plaatselijke
bevolking. In de Lage Landen waren dat onder meer de Bataven (in de huidige Betuwe). Ten zuiden
van de grote rivieren bouwden de Romeinen grote landbouwbedrijven met villa’s. De invloed van de
Romeinse cultuur op niet-Romeinse volkeren wordt romanisatie genoemd, bijvoorbeeld de
kennismaking met het Romeinse geloof, geld, schrift en glaswerk. In onze streken werd het schrift
geïntroduceerd door de Romeinen omstreeks 50 v.C. Door deze geschreven bronnen kwam er een
einde aan de prehistorie in de Lage Landen.
2.3 De aspirant-student kan de ontwikkeling van het christendom
in het Romeinse Rijk beschrijven.
In Palestina ontstond het christendom op basis van
de boodschap van Jezus, die in de Bijbel is opgenomen. Jezus werd in ongeveer 30 n.C. door de
Romeinen gekruisigd. Na zijn kruisiging verspreidde het christendom zich over het Romeinse Rijk. De
Romeinen vervolgden de christenen, omdat de christenen de keizer niet als god wilden vereren. In de
vierde eeuw na Christus werd het christendom in het Romeinse Rijk toegestaan door keizer
Constantijn.
, Tijdvak 3: Tijd van de Monniken en ridders (500 – 1000)
3.1 De aspirant-student kan beschrijven hoe het christendom zich
in Europa verspreidde. Missionarissen probeerden het christendom vanuit het huidige
Engeland naar de Lage Landen te brengen. Twee beroemde zendelingen waren Willibrord (hij werkte
in de omgeving van Utrecht) en Bonifatius (hij werkte in Friesland). Er werden kerken en kloosters
gebouwd van waaruit het christendom zich verbreidde. De monniken in de kloosters waren de
bewaarders van de schriftelijke cultuur. In rijkversierd handschrift kopieerden zij vele boeken.
De Franken waren het eerste Germaanse volk dat zich bekeerde tot het christendom. Door
veroveringen kreeg dit volk de macht over een groot gebied. Zo verspreidde het christendom zich in
grote delen van West-Europa.
3.2 De aspirant-student kan het ontstaan van de islam
beschrijven. In het jaar 622 ontstond in Mekka de islam. De
stichter van dit geloof was de Arabische koopman Mohammed. Zijn boodschap werd opgeschreven
in de Koran, het heilige boek van de moslims.
3.3 De aspirant-student kan beschrijven hoe de islam zich
verspreidde. De islam verspreidde zich, na de dood van Mohammed
in 632, doordat delen van Azië̈, Afrika en Europa werden veroverd. Volgens de heilige
́ oorlog ́ is het
de taak van moslims hun geloof te verspreiden.
3.4 De aspirant-student kan hofstelsel, leenstelsel en horigheid
uitleggen. Door de invallen van Germaanse stammen uit het noorden en
oosten moest het Romeinse leger zich uit de veroverde gebieden terugtrekken. Deze tijd wordt ook
wel de tijd van de volksverhuizingen genoemd.
Het vertrek van de Romeinen had belangrijke gevolgen voor de economie en de veiligheid. Zo waren
er regelmatig aanvallen door de Noormannen. Omstreeks 800 kwam Karel de Grote, een belangrijke
Frankische vorst, aan de macht. Deze vorst wist zijn rijk enorm uit te breiden. Het was opgedeeld in
gebieden die bestuurd werden door edelen en bisschoppen, die als leenmannen (vazallen) van de
koning (leenheer) een stuk grond als leen hadden gekregen (leenstelsel of feodale stelsel). Deze
leenmannen gedroegen zich later steeds meer als onafhankelijke vorsten. Op de zelfvoorzienende
landgoederen van de leenmannen werkten boeren. Deze boeren waren als horigen aan het land
verbonden en hadden verplichtingen aan de landbezitter (hofstelsel). Ze moesten niet alleen
diensten voor hun heer verrichten, maar ook op vastgestelde tijden producten leveren. In ruil
daarvoor kregen ze bescherming. In die tijd ontstonden drie maatschappelijke standen: de adel, de
geestelijkheid en de boeren.