Neuropsychologie
Hoorcollege 1
Hoofdstuk 1
De oudheid: dachten dat de gedachtes uit het hart kwamen, maar gevoelens liggen in hersens.
- Hippocrates bedacht dat het functioneren van de hersenen invloed heeft op iets wat we
kunnen.
- Aristoteles: eerste die kwam met bewustzijn / psyche = verantwoordelijk voor gedrag, en
grote invloed op moderne neuropsychologie.
Middeleeuwen en Renaissance: Op observatie gebaseerde neuroanatomie
- Leonardo da Vinci (1452-1519)
- Vesalius (1514-1564)
17de eeuw: Begin van moderne wetenschap van het brein
- Descartes (1596-1650) en het Dualisme
- Lichaam=stoffelijk; Geest=niet-stoffelijk (dus geest is ongrijpbaar en gaat na de dood verder)
- Lichaam-geestprobleem: hoe hangen deze twee samen?
18de eeuw: elektriciteit van het brein
- Galvani kwam hierachter (1737 - 1798) > dode kikker dan elekriciteit op zetten dan spannen
toch de poten aan.
19de eeuw: lokalisatie van functies (door linkerhersenhelft aan zijkant is taal. Achterkant is visie >
specifieke functies op specifieke plekken) > frenologie: als je sterk bent in taal, dan zou aan de zijkant
het hersengebied groter zijn, dus mensen gingen aan de hersenen voelen van mensen.
- Gall (1758 - 1828) en Spurzheim (1776 - 1832)
- Paul Broca (1824 - 1880) ontdekte veel op het gebied van taal
o Gebied van Broca (productie van taal)
Evolutie, genen en gedrag
- Darwin (1809 - 1892) en het materialisme
o Gedrag verklaren door werking van het zenuwstelsel (waarom lijken zenuwstelsels op
elkaar, zoals hoe een boom georganiseerd is, dus evolutionaire oorsprong), er is geen
rol voor de mind
20ste eeuw: neurotransmitters, psychofarmaca, kraken DNA-code
- Otto Loewi (1873 - 1961)
- Francis Crick (1916 - 2004) en James Watson (1928 - ….)
,Historische visies op hersenen & gedrag
- Gedistribueerde functies
o Voorheen dacht met dat (kleine) gebieden specialistische functies hebben. Dat is
deels wel zo, maar grotere functies zijn meestal over de hersenen verdeeld dus meer
hiërarchische organisatie.
- Hiërarchische organisatie, hersendelen zijn vooral betrokken bij bijvoorbeeld taal, maar
andere gebieden bemoeien zich er ook mee.
o Meerdere geheugensystemen
o Twee hersenhelften
o Bewuste en onbewuste informatiestroom, overgrote deel is volledig onbewust, zoals
het praten met je handen.
Neuroscience in de 21ste eeuw
- Nieuwe methoden, opkomst hersenscantechnieken, fMRI bijvoorbeeld.
- Intensievere samenwerking tussen disciplines
- Nieuwe inzichten verschijnen in hoog tempo > sterke toename van publicaties (echter niet
allemaal evidenced-based, ontstaan neuromythes).
- Onderzoeksgeld voor fundamenteel en toegepast onderzoek
Neuropsychologie bestudeert de relatie tussen fysiologie in de hersenen en gedrag.
Gedrag: dat wat iemand doet, dat is wat je iemand ziet doen. Is in fysieke uitingen, maar ook hoe je
scoort op een toets.
- Heeft zowel een doel als functie.
- Vaak een reactie op omgeving, een vraag of een auto ontwijken bijvoorbeeld.
- Bepaald door endocriene systeem en zenuwstelsel, gedrag zie je niet zonder de
betrokkenheid van deze systemen.
Gedrag varieert in:
- Complexiteit
- Mate waarin het automatisch en aangeboren is
- Mate waarin het aangeleerd is
Hoofdstuk 2
Ontstaan van complexere brein, is waardoor wij slimmer zijn geworden en meer kunnen.
Oorzaken dat wij zijn gegroeid:
- Mutaties in genen
- Omgeving (survival of the fittest)
- Voedsel (fatty acids zit in vis en dit hadden we nodig, aangezien vet elektriciteit geleid, brein
werkt dan dus sneller)
Relatief hebben wij grote hersenen voor ons lichaam. Grote dieren hebben enorme hersenen, maar
vooral nodig voor enorme lijf, grootste deel hersenen is aansturen van beweging om bijvoorbeeld
naar eten te zwemmen. Hoe relatief groter je hersenen t.o.v. je lichaam, hoe slimmer je kunt zijn,
meer hersenen voor taal gebied bijvoorbeeld.
,Vergelijkend onderzoek
- Vergelijkingen binnen een soort zijn vaak al moeilijk en tussen soorten nog meer.
- Toch kan dergelijk onderzoek meer waard hebben als het gaat om onderzoek dat minder
makkelijk of niet ethisch bij mensen uitgevoerd kan worden.
- Neurologische modellen van Parkinson bij muizen, ratten en apen geven toch informatie die
nuttig zijn bij het bestrijden van Parkinson bij mensen, maar geen 1-op-1 vergelijking. Hoe
verder een dier van ons afstaan, hoe minder nuttig ze zijn, dus muizen minder dan apen.
- Hoe verder een dier van ons af staat, hoe minder makkelijk iets nog relevant voor de mens is.
Invloed van erfelijkheid, biologie en omgeving
Viertal relaties tussen het:
- Genotype = genetische informatie die je in je hebt zitten.
- Fenotype = de uitingen die bepaalde eigenschappen hebben.
Relatie 1: genotypen ouders en genotype kind
- Genetisch materiaal wordt doorgegeven via chromosomen – lange, draadachtige moleculen
bestaande uit DNA
- Dragen alle biochemische instructies die betrokken zijn bij de vorming en functioneren van
een organisme.
- Genen zijn delen van chromosomen: basiseenheden van erfelijkheid
Bijvoorbeeld: Y of X van vader gekregen. Intelligentie is heel genetisch bepaald, dus hangt af van de
potentie van je ouders. Fysieke en gedragskenmerken voor een groot deel genetisch ingebouwd.
Relatie 2: genotype en fenotype van kind
- Hoewel elke cel in je lichaam kopieën bevat van alle genen die je van je ouders hebt
gekregen, komen slechts enkele van deze genen tot uitdrukking.
Fenotype komt dus tot uiting. Zoals kleur ogen.
Relatie 3: omgeving en fenotype van kind
- Zoals model laat zien, zijn de observeerbare eigenschappen van kind het resultaat van de
interactie tussen de omgevingsfactoren en de genetische aanleg. Opgegroeid in arbeidsgezin:
geen boeken en geen nieuwe speeltjes, dan weinig succes waarschijnlijk op school, dus geen
kans tot uiting van genotype, dus zie je niet in het fenotype.
Relatie 4: fenotype en omgeving van kind
- Kinderen scheppen actief hun eigen omgeving, actief fenotype gaat actief met omgeving om.
- Dankzij hun aard en gedrag roepen ze bepaalde reacties van anderen op
- Ze kiezen ook actief hun omgeving en ervaringen die hun interesses, talenten en
persoonlijkheidskenmerken ondersteunen.
, Hoorcollege 2
Hoofdstuk 3
Het schedeldak opgelicht
Hersenen worden op verschillende manieren beschermd. Er zijn verschillende lagen met functies.
Hersenvliesontsteking = Meningites.
Meninges bestaat uit duramater, arachnoid membrane en pia meter.
- Duramater is stevige laag die alles bij elkaar moet houden, zorgt voor een stevige buitenlaag.
- Arachnoide membraan is webachtige constructie, zorgt voor iets flexibiliteit in de hersenen,
soort spons. Als onze hersenen vol zouden zitten en er zit niks tussen wat ruimte creëert en je
stoot je hoofd dan krijg je dus hersenschade, dus zorgt dat op het moment dat je je hoofd
stoot dat de hersenen mee kunnen buigen / stuiteren zodat hersenen veilig blijven, dus
sponsig meebewegen > gaat dit wel te hard dan helpt het niet genoeg en hersenen nog
steeds tegen schedel en dan hersenschudding. Nadeel: is veerkrachtig, dan stuiteren dus je
hersenen tegen de voorkant, maar stuitert ook tegen de achterkant, zorgt voor 80% minder
voor hersenschade.
- Pia mater is verzorgende laag, met bloedvaten en zuurstof en brandstof, zorgt voor
voedingsstoffen en energie voor de hersenen.
- Subarachnoid space waar hersenvloeistof doorheen loopt, zorgt dat er extra voeding komt in
de gliale cellen.
- Schedel is de hardste laag en zorgt dat er niks in de hersenen komt.
Onze hersenen van buiten
Hersenen
- Grote hersenen; zijn de verschillende kwabben. Vindt het denken plaats, de
informatieverwerking, nadenken, geluid opvangen. Daarna krijg je door hoe erg de pijn is als
je hand op een gloeiende plaat ligt.
- Kleine hersenen; kleine motoriek en deel reflexen, het wapperen van hand na hand op een
gloeiende plaat.
- Hersenstam; reflexen en dingen die lichaam van nature moet doen, temperatuur meten.
Voor aansturing van ons lijf en informatie die ons lijf binnenkomt
Hersenschors (cortex; buitenlaag waar grootste deel van neuronen liggen)
- Omvat 80% van de hersenen
- 1,5 – 3 mm dik
- 6 verschillende lagen cellen
➢ Allemaal kronkels en vervormingen in de hersenen; zodat er meer oppervlakte is en meer
ruimte voor cellen etc. hoe meer oppervlakte hoe beter.
Hoorcollege 1
Hoofdstuk 1
De oudheid: dachten dat de gedachtes uit het hart kwamen, maar gevoelens liggen in hersens.
- Hippocrates bedacht dat het functioneren van de hersenen invloed heeft op iets wat we
kunnen.
- Aristoteles: eerste die kwam met bewustzijn / psyche = verantwoordelijk voor gedrag, en
grote invloed op moderne neuropsychologie.
Middeleeuwen en Renaissance: Op observatie gebaseerde neuroanatomie
- Leonardo da Vinci (1452-1519)
- Vesalius (1514-1564)
17de eeuw: Begin van moderne wetenschap van het brein
- Descartes (1596-1650) en het Dualisme
- Lichaam=stoffelijk; Geest=niet-stoffelijk (dus geest is ongrijpbaar en gaat na de dood verder)
- Lichaam-geestprobleem: hoe hangen deze twee samen?
18de eeuw: elektriciteit van het brein
- Galvani kwam hierachter (1737 - 1798) > dode kikker dan elekriciteit op zetten dan spannen
toch de poten aan.
19de eeuw: lokalisatie van functies (door linkerhersenhelft aan zijkant is taal. Achterkant is visie >
specifieke functies op specifieke plekken) > frenologie: als je sterk bent in taal, dan zou aan de zijkant
het hersengebied groter zijn, dus mensen gingen aan de hersenen voelen van mensen.
- Gall (1758 - 1828) en Spurzheim (1776 - 1832)
- Paul Broca (1824 - 1880) ontdekte veel op het gebied van taal
o Gebied van Broca (productie van taal)
Evolutie, genen en gedrag
- Darwin (1809 - 1892) en het materialisme
o Gedrag verklaren door werking van het zenuwstelsel (waarom lijken zenuwstelsels op
elkaar, zoals hoe een boom georganiseerd is, dus evolutionaire oorsprong), er is geen
rol voor de mind
20ste eeuw: neurotransmitters, psychofarmaca, kraken DNA-code
- Otto Loewi (1873 - 1961)
- Francis Crick (1916 - 2004) en James Watson (1928 - ….)
,Historische visies op hersenen & gedrag
- Gedistribueerde functies
o Voorheen dacht met dat (kleine) gebieden specialistische functies hebben. Dat is
deels wel zo, maar grotere functies zijn meestal over de hersenen verdeeld dus meer
hiërarchische organisatie.
- Hiërarchische organisatie, hersendelen zijn vooral betrokken bij bijvoorbeeld taal, maar
andere gebieden bemoeien zich er ook mee.
o Meerdere geheugensystemen
o Twee hersenhelften
o Bewuste en onbewuste informatiestroom, overgrote deel is volledig onbewust, zoals
het praten met je handen.
Neuroscience in de 21ste eeuw
- Nieuwe methoden, opkomst hersenscantechnieken, fMRI bijvoorbeeld.
- Intensievere samenwerking tussen disciplines
- Nieuwe inzichten verschijnen in hoog tempo > sterke toename van publicaties (echter niet
allemaal evidenced-based, ontstaan neuromythes).
- Onderzoeksgeld voor fundamenteel en toegepast onderzoek
Neuropsychologie bestudeert de relatie tussen fysiologie in de hersenen en gedrag.
Gedrag: dat wat iemand doet, dat is wat je iemand ziet doen. Is in fysieke uitingen, maar ook hoe je
scoort op een toets.
- Heeft zowel een doel als functie.
- Vaak een reactie op omgeving, een vraag of een auto ontwijken bijvoorbeeld.
- Bepaald door endocriene systeem en zenuwstelsel, gedrag zie je niet zonder de
betrokkenheid van deze systemen.
Gedrag varieert in:
- Complexiteit
- Mate waarin het automatisch en aangeboren is
- Mate waarin het aangeleerd is
Hoofdstuk 2
Ontstaan van complexere brein, is waardoor wij slimmer zijn geworden en meer kunnen.
Oorzaken dat wij zijn gegroeid:
- Mutaties in genen
- Omgeving (survival of the fittest)
- Voedsel (fatty acids zit in vis en dit hadden we nodig, aangezien vet elektriciteit geleid, brein
werkt dan dus sneller)
Relatief hebben wij grote hersenen voor ons lichaam. Grote dieren hebben enorme hersenen, maar
vooral nodig voor enorme lijf, grootste deel hersenen is aansturen van beweging om bijvoorbeeld
naar eten te zwemmen. Hoe relatief groter je hersenen t.o.v. je lichaam, hoe slimmer je kunt zijn,
meer hersenen voor taal gebied bijvoorbeeld.
,Vergelijkend onderzoek
- Vergelijkingen binnen een soort zijn vaak al moeilijk en tussen soorten nog meer.
- Toch kan dergelijk onderzoek meer waard hebben als het gaat om onderzoek dat minder
makkelijk of niet ethisch bij mensen uitgevoerd kan worden.
- Neurologische modellen van Parkinson bij muizen, ratten en apen geven toch informatie die
nuttig zijn bij het bestrijden van Parkinson bij mensen, maar geen 1-op-1 vergelijking. Hoe
verder een dier van ons afstaan, hoe minder nuttig ze zijn, dus muizen minder dan apen.
- Hoe verder een dier van ons af staat, hoe minder makkelijk iets nog relevant voor de mens is.
Invloed van erfelijkheid, biologie en omgeving
Viertal relaties tussen het:
- Genotype = genetische informatie die je in je hebt zitten.
- Fenotype = de uitingen die bepaalde eigenschappen hebben.
Relatie 1: genotypen ouders en genotype kind
- Genetisch materiaal wordt doorgegeven via chromosomen – lange, draadachtige moleculen
bestaande uit DNA
- Dragen alle biochemische instructies die betrokken zijn bij de vorming en functioneren van
een organisme.
- Genen zijn delen van chromosomen: basiseenheden van erfelijkheid
Bijvoorbeeld: Y of X van vader gekregen. Intelligentie is heel genetisch bepaald, dus hangt af van de
potentie van je ouders. Fysieke en gedragskenmerken voor een groot deel genetisch ingebouwd.
Relatie 2: genotype en fenotype van kind
- Hoewel elke cel in je lichaam kopieën bevat van alle genen die je van je ouders hebt
gekregen, komen slechts enkele van deze genen tot uitdrukking.
Fenotype komt dus tot uiting. Zoals kleur ogen.
Relatie 3: omgeving en fenotype van kind
- Zoals model laat zien, zijn de observeerbare eigenschappen van kind het resultaat van de
interactie tussen de omgevingsfactoren en de genetische aanleg. Opgegroeid in arbeidsgezin:
geen boeken en geen nieuwe speeltjes, dan weinig succes waarschijnlijk op school, dus geen
kans tot uiting van genotype, dus zie je niet in het fenotype.
Relatie 4: fenotype en omgeving van kind
- Kinderen scheppen actief hun eigen omgeving, actief fenotype gaat actief met omgeving om.
- Dankzij hun aard en gedrag roepen ze bepaalde reacties van anderen op
- Ze kiezen ook actief hun omgeving en ervaringen die hun interesses, talenten en
persoonlijkheidskenmerken ondersteunen.
, Hoorcollege 2
Hoofdstuk 3
Het schedeldak opgelicht
Hersenen worden op verschillende manieren beschermd. Er zijn verschillende lagen met functies.
Hersenvliesontsteking = Meningites.
Meninges bestaat uit duramater, arachnoid membrane en pia meter.
- Duramater is stevige laag die alles bij elkaar moet houden, zorgt voor een stevige buitenlaag.
- Arachnoide membraan is webachtige constructie, zorgt voor iets flexibiliteit in de hersenen,
soort spons. Als onze hersenen vol zouden zitten en er zit niks tussen wat ruimte creëert en je
stoot je hoofd dan krijg je dus hersenschade, dus zorgt dat op het moment dat je je hoofd
stoot dat de hersenen mee kunnen buigen / stuiteren zodat hersenen veilig blijven, dus
sponsig meebewegen > gaat dit wel te hard dan helpt het niet genoeg en hersenen nog
steeds tegen schedel en dan hersenschudding. Nadeel: is veerkrachtig, dan stuiteren dus je
hersenen tegen de voorkant, maar stuitert ook tegen de achterkant, zorgt voor 80% minder
voor hersenschade.
- Pia mater is verzorgende laag, met bloedvaten en zuurstof en brandstof, zorgt voor
voedingsstoffen en energie voor de hersenen.
- Subarachnoid space waar hersenvloeistof doorheen loopt, zorgt dat er extra voeding komt in
de gliale cellen.
- Schedel is de hardste laag en zorgt dat er niks in de hersenen komt.
Onze hersenen van buiten
Hersenen
- Grote hersenen; zijn de verschillende kwabben. Vindt het denken plaats, de
informatieverwerking, nadenken, geluid opvangen. Daarna krijg je door hoe erg de pijn is als
je hand op een gloeiende plaat ligt.
- Kleine hersenen; kleine motoriek en deel reflexen, het wapperen van hand na hand op een
gloeiende plaat.
- Hersenstam; reflexen en dingen die lichaam van nature moet doen, temperatuur meten.
Voor aansturing van ons lijf en informatie die ons lijf binnenkomt
Hersenschors (cortex; buitenlaag waar grootste deel van neuronen liggen)
- Omvat 80% van de hersenen
- 1,5 – 3 mm dik
- 6 verschillende lagen cellen
➢ Allemaal kronkels en vervormingen in de hersenen; zodat er meer oppervlakte is en meer
ruimte voor cellen etc. hoe meer oppervlakte hoe beter.