Hoorcollege 1: Een inleiding
Casus Miran
▪ Hulpverlening van Miran startte rond zijn zesde levensjaar: moeder vraagt adies bi het
opvoedspreekuur van centrum voor Jeugd en Gezin.
▪ Miran is negen jaar en zowel ouders als leerkracht hebben vragen over zijn ontwikkeling. Er
vinden opnieuw gesprekken plaats bij het CJG
▪ Nu: verder onderzoek lijkt nodig om de vragen te beantwoorden. We volgen in deze casus de
GZ-psycholoog die dit uitvoert.
DEEL 1: Basisbegrippen diagnostiek
Wat is diagnostiek?
▪ Dia = uit elkaar halen
▪ Gignoskein = begrijpen, te weten komen
▪ Diagnostiek = kunnen onderscheiden van beelden, wat laat het kind en welke vorm van problematiek
is dit? Je wilt iets vaststellen op grond van verschijnselen.
* De definitie van De Zeeuw (1983) is te smal, Rispens komt al iets meer in de buurt van het concept
diagnosticeren onder orthopedagogen maar de definitie uit Tak e.a. is pas volledig.
Orthopedagogen volgen het probleemoplossingsproces bij het werken naar een oplossing
Psychodiagnostiek Onder orthopedagogen
De nadruk op het individu Handelingsgerichte diagnostiek van het kind in
context
Diagnostiek als classificatie of als uitspraak/ Het hele proces van kennismaking, het
onderzoek en, of als hulpverlening verzamelen van informatie en komen tot een
oplossing.
Diagnostiek als de praktijk en/of de leer
Smalle definitie Brede definitie
Therapeutische alliantie: aansluiten bij de hulpvraag en hier een gezamenlijk proces van weten te
maken. Het draait om de relatie tussen kind-gezin en de hulpverlener. Deze relatie vraagt om
overeenstemming over de doelen en middelen en vertrouwen in elkaars vermogen die te (helpen)
bereiken.
,Als orthopedagoog heb je kennis nodig over….
Theorieën en concepten (1)
▪ Je werkt vanuit theorieën over individuele verschillen tussen personen en omgevingen en over de
ontwikkeling van personen.
▪ Centrale begrippen: eigenschappen, kenmerken, gedragingen, belevingen, ontwikkeling, individu
en omgeving
▪ Geven ons een kader om te kijken naar een persoon en diens omgeving en een basis voor het
ontwikkelen van meetinstrumenten
Je krijgt vaak te maken met waarom en hoe vragen.. juist voor deze vragen heb je geen classificatie
nodig. Het gaat om interacterende kind- en omgevingsfactoren.
Meetinstrumenten (2)
▪ Je hebt (kennis over) middelen nodig om iets te weten te komen over een persoon en/of diens
omgeving zoals observatietechnieken, vragenlijsten, interviews en testen
▪ Centrale begrippen: items, vragen, opdrachten, observatiecategorieën en schaalconstructie.
▪ Middelen om kenmerken of gedragingen van een persoon weer te geven in een getal en te kunnen
interpreteren zodat we een diagnose kunnen stellen.
Testleer (3)
▪ Om het juiste instrument te kiezen hebben we kennis nodig van psychometrie, de leer van meten.
▪ Omvat statistische en methodologische kennis voor keuze van instrumenten en interpretatie
▪ Centrale begrippen: betrouwbaarheid, validiteit en normering
▪ Pas als we iets weten over de verdeling van kenmerken in een populatie en hoe we die kunnen
vaststellen bij één persoon kunnen we aangeven of de score van die persoon afwijkend of
problematisch is.
De drie voorgaande onderdelen maken deel uit van het diagnostisch proces. Er zijn normatieve modellen
of procedures die voorschrijven welke stappen hierbij in welke volgorde moeten worden genomen, van
aanmelding tot advies. Centrale begrippen zijn hierbij regulatieve cyclus, empirische cyclus en de NVO
richtlijnen. Je doet als diagnosticus dus niet zomaar iets maar je volgt een vaststaande procedure die
navolgbaar is voor cliënten en collega’s.
Wat is een orthopedagoog dan eigenlijk?
▪ Een onpartijdige gesprekspartner met kennis van zaken
▪ Diagnostisch onderzoek doen en hulp bieden
▪ Doel: Professionele relatie aangaan en aansluiten bij de cliënt
Om tot één diagnose onder meerdere diagnostici te komen is
controleerbaarheid en herhaalbaar van belang. Dit kan bereikt
worden door kwaliteitsbewaking
DEEL 2: Typen diagnostische vragen & typen diagnostiek
Screening kan buiten de context van individueel diagnostisch onderzoek in het kader van preventie
plaatsvinden. Het doel ervan is om in een kort tijdsbestel een overzicht te verkrijgen van diverse
domeinen of aspecten van het functioneren en de relatief sterkte en zwakke elementen hierin. Zo kan
men eventuele problemen of achterstanden in de ontwikkeling vroeg signaleren en vervolgens snel met
,relatief simpele middelen ingrijpen om erger te voorkomen. De term screening wordt ook gebruikt
binnen de context van de individuele diagnostiek maar staat dan voor het inwinnen van zogenaamde
bredeband-informatie ter verkenning van de problematiek van een individueel kind.
1. Hoe ervaren alle betrokkenen het gedrag van het kind?
▪ Geen gerichte vraag, je wilt een beeld schetsen van de omgeving
▪ = verhelderde diagnostiek, pas je toe in de beginfase
▪ Je ordent in dit proces de klachten en hulpvragen
▪ Het ziet op het vergaren van oppervlakkige informatie over een breed scala aan onderwerpen
▪ Je zoekt geen antwoord of maakt ook geen beslissing, het gaat om het vormgeven van het
verdere diagnostisch- en hulpverleningsproces
▪ Preventieve diagnostiek (kinderen blijvend volgen ook zonder problematiek) past binnen deze
verhelderende diagnostiek. Je kunt de gegevens ontzettend goed gebruiken om een basis beeld
te schetsen.
2. Wat is er aan de hand meet het kind? waaruit bestaat het probleem?
▪ = onderkennende diagnostiek
▪ Er zijn allerlei signalen en symptomen en hier wil je een naam aangeven, je wilt deze clusteren.
▪ Je gebruikt een nieuwe naam om gedrag van een kind te beschrijven, maar weet daarmee nog
niks/ niet veel over de oorzaak en aanpak van de problemen.
▪ Dit doe je door de volgende stappen: objectieve beschrijving van het probleem → classificatie
→ niveaubepaling
▪ Waarom classificeren? Alleen maar classificeren geeft geen directe aanleiding tot verandering
maar soms is classificeren wel heel erg nuttig omdat… classificeren toegang geeft tot literatuur,
toegang geeft tot financiering, toegang geeft tot behandelingen, soms vormt classificatie een
voorwaarde voor plaatsing en soms geeft een naam zelfs extra inzicht in de problematiek.
▪ Anders dan verhelderend omdat je in de verhelderende diagnostiek over veel bredere
onderwerpen spreekt. Gedurende de onderkennende diagnostiek zoom je specifieker in op
bepaalde onderwerpen.
▪ Onderkennen ≠ verklaren
3. Waarom zijn deze problemen met dit kind er nu? Hoe komt het? Wat zijn de oorzaken van de
problematische situatie?
▪ = verklarende diagnostiek
▪ De problematiek is helder maar nu ben je geïnteresseerd in de kenmerken die in negatieve of
positieve zin bijdragen aan het probleem (kunnen ook interpretaties of ideeën zijn).
▪ Je wilt weten hoe het komt dat bepaald probleemgedrag voorkomt, zodat je de problematiek
begrijpt en aanknopingspunten hebt voor de behandeling.
▪ Wetenschappelijk/ parate kennis is essentieel om te bepalen welke condities/factoren relevant
zijn
4. Wat is de meest geschikte behandeling of plaatsing gezien het kind en diens situatie?
▪ = indicerende diagnostiek (in enge zin)
▪ Je wilt nagaan of een bepaald type behandeling of plaatsing geschikt is voor een kind, of die
voldoet aan de toelatingscriteria en er geen contra-indicaties aanwezig zijn.
▪ Twee typen:
o Plaatsing: toewijzen aan de meest geschikte behandeling, kiezen uit alternatieven.
, o Selectie: bepalen van geschiktheid voor bijvoorbeeld een opleiding, ja of nee.
▪ Let op: bij indicerend in engere zin is je advies slechts een beslissing, je zegt niks over hoe de
behandeling ingevuld moet worden.
▪ Deze vorm van diagnostiek komt niet vaak voor omdat er vaak sprake is van een
verscheidenheid van problematiek.
5. Wat kan er gedaan worden om de problemen te verminderen of te doen verdwijnen?
▪ = (be)handelingsgerichte diagnostiek/ indicerende diagnostiek in ruime zin
▪ Je wilt hulpverlening plannen en de kans van slagen van een bepaalde interventie inschatten.
Dus de focus op een behandelingsplanning en een taxatie van veranderbaarheid (is het voor het
kind wel mogelijk om te veranderen?).
▪ Je probeert te boordelen wat kind, ouders en leerkracht nodig hebben om de problematiek te
doen verminderen. Welke doelen staan centraal? Welke aanpak is nodig om die doelen te
bereiken?
▪ Zolang het gaat om het kiezen van voorlopige globale interventiedoelen en het beproeven van
de kansrijkheid van bepaalde specifieke interventies tijdens het diagnostisch proces, behoort dit
evident tot het terrein van de diagnosticus. Maar indien er specifieke doelen worden vastgesteld
op basis van een advies en een afgerond diagnostisch proces, dan bevindt de diagnosticus zich
op het terrein van de begeleider of behandelaar.
6. Heeft de geadviseerde behandeling het verwachte en gewenste effect opgeleverd? Zijn de problemen
verminderd of verdwenen?
▪ = evaluatieve diagnostiek
▪ Is in principe herhalingsonderzoek
▪ Evaluatie tijdens de uitvoering van een interventie, ook wel monitoring genoemd, is erop gericht
om op gezette tijden vast te stellen of de interventie wel wordt uitgevoerd zoals gepland en of
de voorlopige effecten wel in de goede richting gaan en overeenstemmen met de verwachting.
▪ Evaluatie na afloop van de interventie vindt plaats om het uiteindelijke effect van de aanpak te
bepalen.
▪ Je wilt weten of het advies het gewenste effect heeft gehad. moet de behandeling worden
veranderd of bijgesteld? Kan de behandeling gestopt worden? kan de behandeling op dezelfde
manier worden voortgezet?
▪ Omvat ook monitoring tijdens of na de behandeling: wordt/ is de interventie uitgevoerd zoals
bedoeld?
o Nee, dan zou de behandeling effectief kunnen zijn als die beter wordt uitgevoerd
o Ja, dan is wellicht de verkeerde behandeling gekozen en/of verkeerde diagnose gesteld
→ Afhankelijk van de informatie die je telkens opnieuw verzameld, neem je een volgende vervolgstap.
Het bepaalt het doel van de diagnostiek en tevens het type diagnostiek. Het antwoord zelf vormt een
diagnose: een bepaalde uitspraak waarin de diagnostiek uitmondt.
Het is belangrijk om dit onderscheid te maken onwille twee redenen: het maken van onderscheid zet de
diagnosticus aan tot bewustwording van de verschillende typen vraagstellingen (1) en ten tweede
vereisen de beginvragen niet altijd alle typen of fasen van het diagnostische proces waardoor er een goed
onderscheid in aangebracht kan worden (2). Wel is het hierbij belangrijk dat type diagnostiek niet
geïsoleerd raken.