Week 7 - grondrechten - ISBR
Fundamentele waarborgen voor de bescherming van de menselijke waardigheid
John Locke
- een overheid bestaat om de vrijheid van burgers te waarborgen en moet neutraal zijn
- In 1789 werd in Frankrijk de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen
aangenomen
- In Nederland eerste grondrechten in de Bataafse staatsregeling van 1798
- 1814 eerste grondwet
Bronnen van grondrechten
- internationale verdragen (IVBPR, IVESCR)
- de opgenomen sociale grondrechten hierin zijn vaak geen een ieder
verbindende bepalingen
- europese instrumenten (EVRM, EU-wetgeving)
- de in EVRM vervatte grondrechten zijn primair klassieke grondrechten en
blijkens rechtspraak alle eenieder verbindende bepalingen volgens Art. 93
Gw en art 94 Gw
- nationale instrumenten (grondwet, formele wetgeving, statuut)
Opbouw verdragsbepalingen:
1. het eerste lid bevat de omschrijving van vrijheidsrecht
2. het tweede lid bevat de beperkingsmogelijkheden
Demonstratie:
1. openbaar
2. met meer dan 2 personen
3. gedraging die maatschappelijk/politieke mening
4. vreedzaam
Soorten grondrechten
1. klassieke grondrechten: Geldt voor iedereen en bevordert vrijheden bv art 6 Gw
vrijheid van godsdienst
- negatieve vrijheid,
- overheidsonthouding: primaire afweerrechten
- vaak afdwingbaar bij de rechter
2. sociale grondrechten: De overheid treft maatregelen om basisbehoefte van de burger
te garanderen, waarborgen de positieve vrijheid. bv art 19 Gw, werkgelegenheid.
- positieve vrijheid
- actieve rol van de overheid: inspanningsplichten
- vaak niet afdwingbaar bij de rechter
- geen beperking van grondrechten
3. hybride grondrechten: Zowel sociale en klassieke grondrechten. Positieve
verplichtingen: actieve bescherming door de overheid
- negatieve en positieve aspecten. bv. recht op onderwijs
, Negatieve vrijheid: je bent vrij van positieve belemmeringen, de verwijzing naar de
afwezigheid van externe beperking. Het gaat erom wat je niet wordt verboden. weinig vraag
naar overheidsingrijpen
- Voorbeeld: Je bent vrij om te doen wat je wilt, zolang niemand (zoals de overheid) je
verbiedt om bepaalde dingen te doen, zoals het kiezen van je beroep, je mening
uiten, of reizen waar je maar wilt.
Positieve vrijheid: je bent vrij van negatieve belemmeringen. Het gaat over de mogelijkheid
om je eigen leven te bepalen. Het benadrukt wat je kunt doen om autonomie te realiseren.
vraag naar overheidsingrijpen
- Voorbeeld: Vrijheid betekent niet alleen dat je iets mag doen, maar ook dat je de
middelen, mogelijkheden of vaardigheden hebt om dat te doen.
Positieve verplichtingen: de overheid moet een bepaalde handeling juist verrichten.
- beperkingsclausules zijn niet van toepassing
- grote beoordelingsmarge
Reikwijdte van grondrechten
1. personele reikwijdte, wie kan zich op een grondrecht beroepen
2. materiële reikwijdte, wordt een feitencomplex bestreken door een grondrecht en
wordt uitoefening van het grondrecht beperkt?
- bv iemand beroept zich op vrijheid van godsdienst, dan wordt de vraag
gesteld of iets wel een godsdienst is.
dragers van mensenrechten: slechts mensen
dragers van grondrechten/fundamentele rechten: mensen, instanties, verenigingen,
ondernemingen etc.
Absolute grondrechten: mogen onder geen enkele voorwaarden beperkt worden
- Verbod op marteling: Het verbod om iemand te martelen of onmenselijke of
vernederende behandeling toe te passen, is absoluut. Dit recht kan niet worden
beperkt, ongeacht de omstandigheden.
Relatieve grondrechten: rechten die onder bepaalde voorwaarden beperkt kunnen worden
- Vrijheid van meningsuiting: Dit recht is relatief omdat er beperkingen mogelijk zijn,
bijvoorbeeld wanneer de uiting aanzet tot haat of geweld, of in strijd is met de
openbare orde.
Beperken relatieve Nederlandse grondrechten
- Overheidsambten moeten grondwettelijke doelcriteria in acht nemen als ze
grondrechten rechtmatig willen beperken. Voorbeeld is Art 9 Gw
- grondrechten bepalingen bevatten beperkingsclausules
- De wetgever moet bij het beperken bepaalde materiële beginselen in acht nemen:
1. De wetgever zal de grondrechtenbeperking: voldoende specifiek moeten
formuleren,
2. die de uitoefening van het grondrecht niet onmogelijk maakt en
3. daartoe de belangen afwegen.
Fundamentele waarborgen voor de bescherming van de menselijke waardigheid
John Locke
- een overheid bestaat om de vrijheid van burgers te waarborgen en moet neutraal zijn
- In 1789 werd in Frankrijk de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen
aangenomen
- In Nederland eerste grondrechten in de Bataafse staatsregeling van 1798
- 1814 eerste grondwet
Bronnen van grondrechten
- internationale verdragen (IVBPR, IVESCR)
- de opgenomen sociale grondrechten hierin zijn vaak geen een ieder
verbindende bepalingen
- europese instrumenten (EVRM, EU-wetgeving)
- de in EVRM vervatte grondrechten zijn primair klassieke grondrechten en
blijkens rechtspraak alle eenieder verbindende bepalingen volgens Art. 93
Gw en art 94 Gw
- nationale instrumenten (grondwet, formele wetgeving, statuut)
Opbouw verdragsbepalingen:
1. het eerste lid bevat de omschrijving van vrijheidsrecht
2. het tweede lid bevat de beperkingsmogelijkheden
Demonstratie:
1. openbaar
2. met meer dan 2 personen
3. gedraging die maatschappelijk/politieke mening
4. vreedzaam
Soorten grondrechten
1. klassieke grondrechten: Geldt voor iedereen en bevordert vrijheden bv art 6 Gw
vrijheid van godsdienst
- negatieve vrijheid,
- overheidsonthouding: primaire afweerrechten
- vaak afdwingbaar bij de rechter
2. sociale grondrechten: De overheid treft maatregelen om basisbehoefte van de burger
te garanderen, waarborgen de positieve vrijheid. bv art 19 Gw, werkgelegenheid.
- positieve vrijheid
- actieve rol van de overheid: inspanningsplichten
- vaak niet afdwingbaar bij de rechter
- geen beperking van grondrechten
3. hybride grondrechten: Zowel sociale en klassieke grondrechten. Positieve
verplichtingen: actieve bescherming door de overheid
- negatieve en positieve aspecten. bv. recht op onderwijs
, Negatieve vrijheid: je bent vrij van positieve belemmeringen, de verwijzing naar de
afwezigheid van externe beperking. Het gaat erom wat je niet wordt verboden. weinig vraag
naar overheidsingrijpen
- Voorbeeld: Je bent vrij om te doen wat je wilt, zolang niemand (zoals de overheid) je
verbiedt om bepaalde dingen te doen, zoals het kiezen van je beroep, je mening
uiten, of reizen waar je maar wilt.
Positieve vrijheid: je bent vrij van negatieve belemmeringen. Het gaat over de mogelijkheid
om je eigen leven te bepalen. Het benadrukt wat je kunt doen om autonomie te realiseren.
vraag naar overheidsingrijpen
- Voorbeeld: Vrijheid betekent niet alleen dat je iets mag doen, maar ook dat je de
middelen, mogelijkheden of vaardigheden hebt om dat te doen.
Positieve verplichtingen: de overheid moet een bepaalde handeling juist verrichten.
- beperkingsclausules zijn niet van toepassing
- grote beoordelingsmarge
Reikwijdte van grondrechten
1. personele reikwijdte, wie kan zich op een grondrecht beroepen
2. materiële reikwijdte, wordt een feitencomplex bestreken door een grondrecht en
wordt uitoefening van het grondrecht beperkt?
- bv iemand beroept zich op vrijheid van godsdienst, dan wordt de vraag
gesteld of iets wel een godsdienst is.
dragers van mensenrechten: slechts mensen
dragers van grondrechten/fundamentele rechten: mensen, instanties, verenigingen,
ondernemingen etc.
Absolute grondrechten: mogen onder geen enkele voorwaarden beperkt worden
- Verbod op marteling: Het verbod om iemand te martelen of onmenselijke of
vernederende behandeling toe te passen, is absoluut. Dit recht kan niet worden
beperkt, ongeacht de omstandigheden.
Relatieve grondrechten: rechten die onder bepaalde voorwaarden beperkt kunnen worden
- Vrijheid van meningsuiting: Dit recht is relatief omdat er beperkingen mogelijk zijn,
bijvoorbeeld wanneer de uiting aanzet tot haat of geweld, of in strijd is met de
openbare orde.
Beperken relatieve Nederlandse grondrechten
- Overheidsambten moeten grondwettelijke doelcriteria in acht nemen als ze
grondrechten rechtmatig willen beperken. Voorbeeld is Art 9 Gw
- grondrechten bepalingen bevatten beperkingsclausules
- De wetgever moet bij het beperken bepaalde materiële beginselen in acht nemen:
1. De wetgever zal de grondrechtenbeperking: voldoende specifiek moeten
formuleren,
2. die de uitoefening van het grondrecht niet onmogelijk maakt en
3. daartoe de belangen afwegen.