A. Bezwaar- en beroepstermijn
1. Zie art. 7:1 jo. Art. 8:1 Awb. Alvorens beroep kan worden ingesteld, moet bezwaar worden
gemaakt. (Zie ook art. 6:2 Awb bij weigering/te laat genomen besluit)
2. Bezwaar/ beroep kan worden ingesteld middels een bezwaar- of beroepschrift, art. 6:4 Awb.
In art. 6:5 Awb staan de vereisten voor een bezwaar- of beroepschrift.
3. Termijn: zie art. 6:7 jo. Art. 6:8 Awb. De termijn bedraagt 6 weken en vangt aan de dag na
juiste wijze van bekendmaking.
4. Bekendmaking: zie art. 3:41 of art. 3:42 Awb. Noteer een van beide.
5. Zie ook de ATW voor bijzondere data en hoe het zit met het aflopen van de termijn in het
weekend.
Is een evenement/gebeurtenis met aflopen van een termijn al geweest? Kijk dan naar de
mogelijkheid voor het indienen van een voorlopige voorziening.
Om beroep of bezwaar te kunnen maken, moet iemand belanghebbende zijn (opera) en
procesbelang hebben. Dit kan er ook zijn, als een uitspraak niet meer van belang is voor
eerdere besluiten (omdat een evenement bijvoorbeeld al is geweest), maar voor toekomstige
aanvragen voor opvolgende, soortgelijke besluiten. Ook is sprake van procesbelang als
iemand meent dat het besluit een feitelijk gevolg heeft, waarvan een andere rechtsverhoudinqg
nadeel van zal ondervinden. Zie p. 15. Eigen samenvatting.
Als bezwaartermijn niet verschoonbaar wordt overschreden, maar het bezwaar wel wordt
behandeld door het orgaan, dan zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren (want de
bestuursrechter is wel bevoegd en die persoon is wel ontvankelijk) art. 8:70 onder d Awb. Hij
zal vervolgens echter ambtshalve de termijn moeten toetsen (want is van openbare orde) en zal
dan concluderen dat de bezwaarmaker in bezwaar niet-ontvankelijk was. het besluit op
bezwaar wordt vervolgens vernietigt en omdat de rechter zo finaal mogelijk moet beslechten,
zal hij zelf in de zaak voorzien door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, art. 8:72 lid 3
sub d Awb.
B. Absolute en relatieve bevoegdheid bezwaar/ (hoger) beroep
1. Kijk eerst of het gaat om bezwaar of beroep (dit zie je wel aan wat voor besluit het is)
2. Zie art. 1:5 Awb voor bezwaar: is bij hetzelfde orgaan als waarvan het besluit komt;
3. Beroep: Absolute competentie: Zie art. 8:1 jo. Art. 8:6 Awb voor de hoofdregel: de rechtbank
is bevoegd, tenzij een andere rechter bevoegd is op grond van de Bevoegdheidsregeling
hoofdstuk 2.
4. Relatieve competentie: zie art. 8:7 lid 1 of 2 Awb. Kijk ook naar de Wet op de rechtelijke
indeling.
5. Hoger beroep: hoofdregel is art. 8:104 lid 1 sub a jo. Art. 8:105 Awb. Zie ook de
Bevoegdheidsregeling voor een uitzondering.
Belangrijk bij beroep: Bij de ABRvS is herhaling van gronden in beroep niet toegestaan, bij de
CRvB wel. Bij de eerste instantie ligt de nadruk op de controlefunctie en is het object de
uitspraak. Moet duidelijk worden gemaakt wat mis is aan de uitspraak, dat staat niet in het
beroepschrift. Bij de tweede instantie ligt de nadruk op de herkansingsfunctie en is het object
zowel de uitspraak als het bestreden besluit. Daarom is herhaling van de aangevoerde gronden
in het beroepschrift wel mogelijk.
De rechter in eerste aanleg toetst de rechtmatigheid (anders dan in bezwaar, zowel rechtmatig-
als doelmatigheid. Op grond van art. 8:69 Awb bepalen partijen de omvang van het geding.
De rechter mag daar niet buiten treden, tenzij het gaat om kwesties van openbare orde
(bepalingen waarvan de betekenis voor de rechtsorde zo groot is, dat de rechter vindt dat hun
gelding moet worden verzekerd – bevoegdheid, ontvankelijkheid zijn van openbare orde).
Punten die buiten het geding vallen mogen niet betrokken worden bij beslechten in de
uitspraak, de rechter mag wel aansturen op mediation of schikking m.b.t. die gronden die
, buiten het geding treden. In bezwaar niet gebonden, maar moet wel beperkt worden tot
aangevochten besluitonderdelen (Standaarduitspraak Recracenter).
C. Bevoegdheid bestuursrechter of burgerlijke rechter
Uitgangspunt: de bestuursrechter is bevoegd bij geschillen tussen burgers en de overheid,
waar de burgerlijke rechter altijd bevoegd is, maar in het bijzonder bij zaken betreffende
burgerlijke rechtsbetrekkingen en schadevorderingen, art. 112 Gw.
Zie art. 8:89 lid 2 Awb: De bevoegdheid van de bestuursrechter is afhankelijk van de hoogte
van de vordering. Bij een gevraagde vergoeding boven de 25.000 euro moet hij naar de civiele
rechter. Bij een gevraagde vergoeding onder de 25.000 euro heeft hij keuzevrijheid en kan hij
zowel bij de civiele rechter als bij de bestuursrechter terecht.
De rechterlijke macht (burgerlijke rechter) blijft altijd bevoegd, ook als een bestuursrechtelijke
weg openstaat. Die gaat echter voor, indien deze met voldoende waarborgen is bekleed. De
burgerlijke rechter verklaart de eiser dan niet-ontvankelijk (Changoe-arrest). Er wordt vooral
gekeken naar of materieel gezien hetzelfde resultaat kan worden behaald.
Volgens Karapetian: “De civiele rechter toetst niet of de bestuursrechtelijke rechtsgang met
voldoende waarborgen is omkleed. Deze zin wordt zo geïnterpreteerd, dat het voornamelijk
draait om de vraag of door eiser door middel van de bestuursrechtelijke rechtsgang een
vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt als op grond van art. 6:162 BW. De civiele rechter
kijkt of de eiser d.m.v. de bestuursrechtelijke weg snel en effectief het gewenste resultaat kan
krijgen.
Indirect werkende wetgeving schept slechts verplichtingen via een uitvoeringsbesluit. Art. 8:3
lid 1 Awb stelt dat beroep tegen een avv niet openstaat, kan de bestuursrechter via exceptieve
toetsing voldoende rechtsbescherming bieden. Zie arrest Privacy first (als de weg van
exceptieve toetsing onevenredig belastend is, kan men wel tegen wetgeving opkomen via art.
6:162 BW.
Bij een keuze voor de civiele rechter, moet de vordering wel zo worden ingekleed dat de
civiele rechter dit herkent (objectus litis) middels een vordering tot schadevergoeding op
grond van onrechtmatige daad bijvoorbeeld.
Als er op het moment dat een vordering bij de civiele rechter wordt
ingediend, nog beroep openstaat bij de bestuursrechter, zal de civiele
rechter oordelen dat er een met voldoende waarborgen omkleed
alternatief is bij de bestuursrechter (Changoe) en de vordering niet-
ontvankelijk verklaren. Is niet binnen de termijn bij de bestuursrechter
opgekomen of heeft de bestuursrechter het besluit in stand gelaten, dan
gaat de civiele rechter er vanuit dat het besluit rechtmatig is en zal hij de
vordering afwijzen.
Schadeverzoekschriftprocedure (kan na doorlopen beroepsprocedure, dan staat de onrechtmatigheid
vast. Kunt ook gewoon de ‘bezwaar/beroep/hoger beroep-procedure volgen)
Sinds 2013 geldt de schadeverzoekschriftprocedure op grond van art. 8:88 e.v. Awb (art.
8:90). Daarbij gelden enkele vereisten:
Schade moet zijn ontstaan door appellabel besluit. Dus geen beleidsregel, avv of feitelijke
handeling (m.u.v. voorbereidingshandelingen – wel vatbaar voor
schadeverzoekschriftprocedure);
Schade ontstaan door besluit waarover de CRvB of de HR in enige of hoogste aanleg
oordeelt? Dan is alleen de bestuursrechter bevoegd, art. 8:89 lid 1 Awb;
Als schade is ontstaan door een besluit waar de ABRvS of het CBB in enige of hoogste aanleg
oordeelt:
< 25.000 euro: zowel civiele rechter als bestuursrechter bevoegd
> 25.000 euro: alleen civiele rechter bevoegd.
D. Regels betreft indienen gronden op de zitting
Uitgangspunt is dat iemand in eerste aanleg met nieuwe gronden mag komen, ook na afloop
van de termijn. Nergens staat dat dit niet mag;