Hoorcollege 2 – patiënt met HIV
• Karposi’s sarcoom aan linkerbeen is een van de symptomen / gevolgen van HIV
• Pt. met diagnose AIDS had 2 dagen lang 40 graden koorts. De longfoto liet afwijkingen zien.
Pt. had ademhaling van 14/minuut, BP van 139/75 en temperatuur van 37.6 C. Q SOFA score
was 0, de Q SOFA score wordt gebruikt om te bepalen of iemand een sepsis (=lage BP,
versnelde pols en ademhaling, verward) heeft. Aan het been had pt. warme acre, drukpijn,
roodheid, gezwollen en pijnlijk, geen sprake van functieverlies = tekenen van een ontsteking.
• CAP pt. = 97. CAP = acute vase-eiwit, geproduceerd door de lever als reactie op ontsteking.
• Pt. had in de urine leukocyten = witte bloedcellen in de urine = dit duidt op een ontsteking.
De belangrijkste oorzaak van ontsteking in de urine = urineweginfectie = veroorzaakt door
bacteriën = ecoli bacterie (=gram neg. staaf) is belangrjikste verwekker van urineweginfectie.
• Diagnose van pt. = bursitis bij cellulitis. Bij cellulitis moet je weten of het progressief of
degressief is = aftekenen van de cellulitis, breidt het zich uit = moet wat aan gedaan worden.
o Pt. heeft de cellulitis gekregen door de S. aureus, die vervolgens kan zorgen voor een
ontsteking van de bursae.
• Eerste dmv punctie bepalen welke bacterie de verwekker is, dan bepalen voor welke
medicatie de bacterie gevoelig is.
• Huidinfecties = cellulitis en erysipelas → verschil is dat de cellulitis helemaal door tot het
subcutane vet gaat, erysipilas is alleen van de epidermis en daar net onder (=dermis).
• Belangrijkste verwekker van cellulitis is S. aureus of groep A streptokokken en belangrijkste
verwekker van erysipelas is groep A streptokokken. Cellulitis is meestal secundair aan
andere aandoening (=zoals DM of bij mensen met dialyse), als het om de S.aureus gaat want
hiervoor hoeft de eerste lijn van de afweer niet eens verbroken te zijn.
• Cellulitis kan overal optreden, de belangrijkste verwekker is altijd S. aureus of groep A
streptokokken.
• Risicofactoren voor cellulitis = hogere leeftijd, overgewicht, homelessness, vrouwen met
borskanker (=lymfeklieren weggehaald = lymfeafvoer verstoord = cellulitis van
desbetreffende arm), obesitas en roken.
• S. aureus gaat naar binnen = komt macrofaag tegen = cytokine uitscheiden= koorts ontstaat
en chemokinen worden geproduceerd door macrofaag = witte bloedcellen komen nu, de
elastase enzymen in witte bloedcellen kunnen de bacterie doden (=niet O2 afhankelijk
killing) = absces ontstaat (=ingekapselde hoeveelheid pus want de afweer doet z’n werk
goed) → reactie van de innate/aangeboren afweer.
• Groep A streptokokken (=lijnvormig / ketens) kan je al krijgen als de eerste lijn van de
afweer al is onderbroken. Vleesetende bacterien behoren tot de groep A streptokokken.
• S. aureus (=trosvormig) komen vaak voor bij mensen met suikerziekte.
• Bacterie uit de ontsteking geprikt = bacterie op een ‘akker’ / groeiplaatje = op dit
groeiplaatje een medicament leggen, als hier een hofje omheen ontstaat = bacterie is
gevoelig voor dit medicament.
• Vervolgens een GRAM preperaat bepalen of het druiventrossen/Stafylococcen of
ketens/Streptokken zijn. Belangrijkste streptokok is de pneumokok = grootste verwekker van
CAP/pneumonie.
• Wanneer iemand geen granulocyten heeft, is de cellulaire afweer verstoord (=aangeboren
afweer verstoord, want verworven afweer krijg je pas bij bv. vaccinatie) → stoornis van de
aangeboren cellulaire innate afweer = bacteriele infecties ontstaan.
,Hoorcollege 3 – basis principes en aangeboren afweer
• Het immuunsysteem begint bij de barrière = voorkomen dat ziekteverwekkers binnen
komen.
o Een barrière is bv. het epitheel in het darmstelsel. De bacteriën in de darmen zitten
niet ‘in’ het lichaam omdat ze niet over het epitheel / barrière zijn gekomen.
o Ander soort barrière is het meerlagig plaveiselepitheel van de huid, met o.a
moleculen die bepaalde bacteriën doodmaken.
o Wanneer barrière doorbroken wordt = bacteriën naar binnen = aangeboren
immuunsysteem / innate immunity reageert op de binnendringers dmv het
oproepen van cellen en moleculen naar de plek waar bacteriën binnen komen =
bacteriën worden op deze plek gehouden, hulptroepen oproepen (voor bacteriën =
fagocyt).
o Sommige fagocyterende cellen kunnen een link hebben met de verworven afweer =
dendritische cellen = T-helper cellen worden door dendritische cellen geactiveerd
worden. T- helper cellen =cytotoctische T cellen activeren = killen van cellen die
geïnfecteerd zijn. EN T-helper cellen kunnen B cellen activeren = antistoffen
aanmaken = binden aan bacteriën = daarna binden aan fagocyt samen met bacterie
= fagocyt neemt bacterie op.
o Adaptieve / verworven systeem heeft ook een geheugen systeem = volgende keer
een snellere en betere afweerreactie.
• Immuun cellen komen uit het
beenmerg = stam cel wordt of
myeoloide cel (=worden
monocyten/macrofagen en
granulocyten (=o.a de neutrofiele
granulocyt), erytrocyten en
bloedblaadjes = aangeboren
afweersysteem) of lymfoide cel
(=hier komen lymfocyten uit = B-
cellen en T-cellen = verworven
systeem).
• Aangeboren afweersysteem kan
direct werken, daarna kan adaptieve systeem pas werken, dit is ongeveer na een week. ZIE
DIA 9.
• Kenmerken van immuunsysteem →
o Aangeboren / innate = herkenningsmogelijkheden zijn beperkt; grote klasse worden
herkent (=bacteriën / virussen). Werkt erg snel, binnen enkele minuten.
o Verworven / adaptief = specifieke herkenning (=tot op de aminozuur verschil zien).
Erg traag systeem, duurt enkele dagen. Heeft een geheugensysteem.
▪ Het aangeboren systeem is dus nodig om de ziekte in te perken omdat het
adaptieve systeem activatie erg lang duurt.
• Als immuunsysteem geen verschil kan maken tussen lichaamseigen en lichaamsvreemd =
auto-immuunziekte.
• Verschil prokaryoot (=bacterie) en eukaryoot is er goed te zien aan de oppervlak / buitenkant
= patroonherkenningsreceptoren van immuunsysteem belangrijk. Immuunsysteem ziet ook
verschil tussen species en individuen.
, • Verschillende pathogenen = schimmels, parasieten, bacteriën, virussen en prionen (virussen
en prionen zijn geen micro-organismen, want zijn acellulair).
• Waar vind de vermenigvuldiging van de
ziekteverwekkers plaats? Voor virussen is
dat alleen intracellulair, voor alle andere
soorten is het vaak al extracellulair. ZIE DIA
15. Is belangrijk om te weten omdat er
verschillende intracellulaire en
extracellulaire afweermechanismes zijn.
• Voor extracellulaire replicatie van een pathogeen is de B-lymfocyt het belangrijkst =
aanmaken antistoffen = pathogeen markeren = pathogeen wordt gefagocyteerd. Dit heet de
humorale afweer, want eiwitten zijn bij de afweer betrokken, geen cellen.
• Sommige bacteriën kunnen in een macrofaag overleven na fagocytose = macrofaag krijgt
hulp voor intracellulaire killing dmv T-helpercellen = cell-gemideerde immuniteit.
• Als cel door virus geïnfecteerd is = cytotoxische T cel dood het met virus geïnfecteerde cel =
ook cel-gemediteerde immuniteit.
• Een antigeen is een structuur die een adaptieve respons van lymfocyten genereerd.
Antigenen zitten op het pathogeen.
• Antigeen receptor zit op celoppervlak van lymfocyten en herkent antigenen= T cel of B cel
receptor.
• Oplosbare B cel receptor = kan antistoffen / immunoglobinen uitstrijden.
• Adaptiviteit = alleen de B cel met de passende antistof voor het antigeen gaat
vermenigvuldigen = klonale expansie
o Lymfocyten activatie →
▪ Herkenning = antigeen met een B cel receptor op oppervlak, alleen de juiste
B cel wordt geactiveerd
▪ B-cel gaat activeren en er ontstaat klonale proliferatie = vermenigvuldiging
▪ Differentiatie = B cel gaat zich differentiëren tot plasmacellen (=maken
antistoffen aan) en tot B geheugencellen.
• Als de B geheugencel een 2de keer met hetzelfde antigeen in aanraking komt = 2x meer
antistoffen maken en 2x meer plasmacellen en antistoffen = adaptieve systeem is sneller,
meer en beter (=bindingssterkte wordt namelijk ook groter).
• Antistoffen circuleren in het bloed en beschermen de mucosa = antistoffen kunnen dan snel
bij de plek van ontsteking komen. Lymfocyten circuleren via bloed en lymfe tussen
verschillende lymfoide weefsels en organen.
• Conclusie = de 5 kenmerken van het immuunsysteem →
o Zelf / niet-zelf herkenning
o Specifiek = diverse antigeen receptoren = T / B cel receptor en antistoffen
o Adaptief = reageert op contact antigeen dmv proliferatie en differentiatie
aangestuurd door dendritisch cel
o Geheugen = survival van lymfocyten
o Systemisch = circulatie van lymfocyten
• Begint met fysiologische barrières = speeksel (enzym breekt celwand van bacteriën), lage pH
in de maag, hoog pH in twaalfvingerige darm, uitgeplaste urine, huid.
• Bij de luchtwegen begint de afweer met de neus = alles boven de 5 mm wordt gefilterd in de
nasopharynx. Door de mucocillary escalator worden ziekteverwekkers dmv ciliea slagen