Inhoudsopgave
Hoorcollege 1 – Een kleine geschiedenis van het arbeidsrecht ........................................................ 2
Hoorcollege 2 – Verschillende vormen van arbeid met de nadruk op loonarbeid, privaat- en
publiekrechtelijk arbeidsrecht ...................................................................................................... 6
Hoorcollege 3 - grondslagen van het arbeidsrecht .........................................................................10
Hoorcollege 4 - Ongelijkheidscompensatie ...................................................................................15
Hoorcollege 5 - theorieën over distributieve rechtvaardigheid .......................................................19
Hoorcollege 6 – effectiviteit van arbeidsmarktregelgeving .............................................................26
Hoorcollege 7 - De toekomst van het arbeidsrecht (niet verplicht!) ................................................31
,Hoorcollege 1 – Een kleine geschiedenis van het arbeidsrecht
Hoorcollege. Korte schets van de geschiedenis van de totstandkoming van de regulering van de
arbeidsmarkt en de arbeidsverhouding. Het onderwerp van dit college is de collectivering van het
arbeidsrecht en de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de wetgever en anderzijds de sociale
partners, die door cao’s en akkoorden de arbeidsmarkt (mede) vormgeven. In het algemene deel wordt
ook ingegaan op de brede agenda van de arbeidersbeweging die zowel gezondheidszorg, huisvesting,
onderwijs (denk aan Dr. S. Sarphati/F. Wibaut) als uiteraard arbeid betrof. Stilgestaan wordt bij de
historische ontwikkeling van de vakbeweging en werkgeversverenigingen, bij het ontstaan van organen
als de Hoge Raad van de Arbeid, Stichting van de Arbeid en de SER, bij het tot stand komen van de EU
als bron van regels in het arbeidsrecht, en bij de wijze waarop thans regulering van de arbeidsmarkt
plaatsvindt. Dat laatste zal mede gebeuren aan de hand van een recenter wetgevingstraject (bijv. meer
zekerheid voor flexwerkers, of de aanpassing van de definitie van de arbeidsovereenkomst), waaraan
alle actoren hebben bijgedragen.
De volgende vragen staan centraal:
• Hoe is de huidige wijze van arbeid en de regels daarover tot stand gekomen?
• Hoe is de collectivering in het arbeidsrecht tot stand gekomen en vormgegeven?
Een kleine Geschiedenis van het Arbeidsrecht
Het gaat hierbij om een nadere beschouwing van de maatschappelijk ontwikkelingen en de plaats van
het recht daarbij.
Voor de Gilden
• Tot 1200:
o Vier vormen van "arbeid(scontracten)": (1) bestuur, (2) slavernij/horigheid (vooral
landbouw), (3) ambachten, (4) kloosters/soldaten
• Vanaf 1200:
o Toename van handel en transport
o Verbeterde landbouwopbrengsten
o Meer ruimte voor ambachten
Gilden
Ambachten organiseerden zich in beroepsorganisaties die kwaliteit, prijzen, houding en gedrag van
leden reguleerden. Dit leidde tot monopolievorming en uitsluiting van concurrentie
In Nederland zorgden gilden voor "sociale zekerheid":
o Begrafenisfonds
o Ziekenverzorging en ziekengeld
o Nabestaandenverzekering
o Uitkeringen bij "nood"
Ook zorgden ze voor opleiding en beroepskwaliteit (meester, gezel, leerling).
De gilden zorgden dus voor een vorm van sociale zekerheid. Tegenwoordig kan je dit ook koppelen aan
broodfondsen. Zzp’ers zijn uitgesloten van de meeste sociale zekerheidsrechten. Met een broodfonds
kan een zzp’er een uitkering ontvangen als hij arbeidsongeschikt raakt.
Toch ontstond er onvrede over het gilden systeem vanwege de toenemende monopolie en bemoeilijkte
toetreding, maar ook door onvrede over het bestuur, met een (erf)stadhouder die probeerde als absoluut
vorst te heersen. Hierdoor ontstond de Franse revolutie (1787), waarbij de Bataafse republiek werd
ingericht (in 1795)
,Bataafsche Republiek
Met de Bataafse republiek werden de gilden ontbonden, staat de individu staat en werden groepen met
wantrouwen bekeken. Ook kerkgenootschappen werden ontbonden.
De code Napoleon werd ingevoerd. Dit wetboek is doordrenkt van vrijheid, gelijkheid, broederschap.
Het bevatte slechts drie bepalingen over arbeid.
Na de Bataafse Republiek
Uiteindelijk werd Napoleon in 1815 verslagen (slag bij Waterloo). Hierop volgde een Weens Congres
(1815), waarbij de oude orde werd hersteld. De Nederlanden zou weer onder een koning vallen: koning
Willem I van Nederland en België (1830). Willem I stimuleerde de industrie, Maatschappij van
Weldadigheid (Veenhuizen). Dit leidde tot enorme armoede, waardoor 1/3 van de inwoners van
Amsterdam leidde van de bedeling (zorg door de kerk). Hierdoor ontstonden initiatieven om de inwoners
te ‘redden’.
Uiteindelijk ontstond, na het Weens congres, in 1848 het herstel van de macht van de absolute heersers.
Willem II aanvaarde namelijk de Grondwet Thorbecke met koninklijke onschendbaar baarheid. Niet uit
zichzelf, hij was bang om afgezet te worden. Thorbecke was een liberaal die vond dat de koning niet de
macht moest hebben, maar de ministers moesten aftreden als de koning iets bizars deed. Dat is nog
steeds zo.
Vervolgens kwam kritiek op het algemeen stemrecht: "Kapitaal trekt kapitaal aan", "Wanneer met
toenemende rijkdom aan de enen, armoede zich aan de andere kant uitbreidt (...) wat is de wetgeving
die allen staatsburgerschap aanbiedt, wat is die wetgeving, tenzij ironie?"
Thorbecke vond het dus ontoelaatbaar dat je een parlementaire democratie inricht waarbij het stemrecht
onbereikbaar is, omdat je veel geld moest betalen om te mogen stemmen. Hij vond dat de gemiddelde
burger ook stemrecht moest krijgen
In dezelfde tijd ontstonden er bewegingen om de positie van de arbeider te verbeteren, Utopisten
genoemd. Denk aan Godin.
Enkele voorbeelden van Initiatieven om de positie van arbeider te verbeteren zijn:
o Land van Kokanje
o Prud'homme
o Godin met de Familistere
o Rober Owen.
Toch kwam dit niet helemaal van de grond. Dit kwam mede doordat Marx zich erg tegen de Utopisten
verzette. Hij vond hen idealisten.
In deze tijd, met de opkomst van het Communistisch Manifest (1848), kwamen fabrieksarbeid,
socialistische partijen en vakbonden op. Dit ging gepaard met een toenemende ongelijkheid, armoede
en kinderarbeid.
In Nederland:
o Sociale kwestie werden aangekaart door vooruitstrevende ondernemers
o Kinderwet van Houten (1874), leerplicht (1901)
Die problematiek van de werknemer werd onder de sociale kwestie geschaard. De sociale kwestie is de
gehele positie van de werknemer en werd. De problematiek omvatte: werkgevers wentelen risico's af,
alcoholprobleem, lange werkdagen, ongekwalificeerde werknemers, arbeidsongevallen. Er moest dus
wat gebeuren. Om de ongelijkheid, armoede en kinderarbeid tegen te gaan, ontwikkelde zich
verschillende wetten:
, • Opheffen coalitieverbod (1872), Arbeidswet (1889, 1911), Ongevallenwet (1901), Ziektewet
(1913)
• Wet op de Arbeidsovereenkomst (1907): regelde loonbetaling, letsel/arbeidsongevallen, ontslag
• Arbeidsrecht is beschermingsrecht, maar ook recht dat werknemer verplicht te werken
De vakbonden (socialisten) waren van oordeel dat de wet op de arbeidsovereenkomst niet effectief was,
De individuele werknemer kan namelijk geen rechten afdwingen bij zijn of haar werkgever. Daarnaast
kan het contract als zodanig, als overeenkomst zijnde, en als je deze niet nakomt, omdat je bijvoorbeeld
staakt, pleeg je wanprestatie. Wanprestatie is onrechtmatig, dus werd staken verboden.
Ze zagen privaatrechtelijke regelingen dus als een belemmering van hun mogelijkheden: staken werd in
Nederland een contractbreuk en dus onrechtmatig.
Wat probeerde het BW in 1907 op te lossen?
1. Loonbetaling vaak in goederen en in cafés/truckstelsel: art. 7:616 tot en met 7:633 BW
2. Letsel/arbeidsongevallen: art. 7:658 BW
3. Ontslag: regeling tijdelijke arbeidsovereenkomst
4. Afhankelijkheid van de werkgever leidde tot misbruik van werknemer: art. 7:679 BW.
Wat kunnen we leren? Arbeidsrecht is niet alleen beschermingsrecht. Het is ook staatsinrichtingsrecht.
Als de arbeid niet goed georganiseerd is, is ook de samenleving niet goed georganiseerd. Het is een recht
dat de werknemer verplicht te werken (regelen van een ‘productiemiddel’). Het is ook een
beschermingsrecht van de ondergeschikte werkende.
Wie beoogt het arbeidsrecht te beschermen? Hier lopen privaat- en publiekrecht door elkaar heen,
waarbij collectivering vaker publiekrechtelijk is geregeld en waarbij vakbonden een positie verworven
hebben en daardoor betrokken worden bij politieke keuzes.
In 1929 ontstond er vervolgens een crisis met enorme werkloosheid. Dit leidde ertoe dat er allerlei
gedachtes werden ontwikkeld hoe we dit konden voorkomen (denk aan John Keynes). Zo werden er
werkgelegenheidsprojecten zoals opbouw van polders, maar ook het Amsterdamse bos opgezet. De
beperkingen leidde tot extremen (Jordaan oproer 1934 en tweede wereldoorlog).
Na de tweede wereldoorlog kwam er een periode van wederopbouw waarbij een overheidstoetsing
ontstond en je toestemming voor ontslag moest krijgen. Wat vind je daar nu nog van terug? De
oorlogseconomie heeft werknemers nodig; de overheid toetst over werknemer weg mag of moet (BBA
1945 en nu nog steeds art. 7:671 BW).
Dankzij St Michielsgestel ontzuiling en verbroedering tussen werkgevers en werknemers: oprichting
van publieke bedrijfsorganen en toezicht door de SER (zie driekwartdwingend recht (bijv. 7:668a lid 3
BW) en oprichting Stichting van de Arbeid.
Er ontstond een verzorgingsstaat met vooral algemene regelingen zoals de AOW en de ABW.
Ook ontstond er een focus op gelijke behandeling en vrij verkeer met de oprichting van de EU. Gelijke
behandeling kent vooral (niet alleen) een economisch uitgangspunt. Hierbij was Frankrijk bang dat
vrouwen (lonen in bijvoorbeeld Nederland veel zijn dan die van mannen) zou leiden tot oneerlijke
concurrentie. De gelijke behandeling is dus door Europa ook in Nederland ingevoerd en was met name
economisch ingestoken. De crisis uit 1929 dat wilde ze voorkomen, door een gemeenschappelijk Europa
en we extremen weg halen en meer gaan samen werken. Pas de laatste jaren zie je dat er ook meer
aandacht komt voor de sociale kant van Europa. Met name richtlijnen; vrij verkeer,
arbeidstijdenrichtlijn, minimumloonrichtlijn, wet transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden. Dit
doet Europa ook om te bewerkstelligen dat alle landen gelijke regels hebben om oneerlijke concurrentie
tegen te gaan.