Probleem 1 – Durkheim
1. Wat is het uitgangspunt van de sociologie van Durkheim? Hoe draagt
het bij aan onze sociologische verbeelding? (sociaal feit, collectief
bewustzijn, sociale disfunctie)
Uitgangspunt: de samenleving als organisme, met als onderdelen sociale feiten -
> deze moeten goed samen functioneren om als organisme gezond te zijn.
Er zijn twee hoofdthema’s in het werk van Emile Durkheim:
1) Prioriteit van het sociale boven het individu
We leven in een samenleving die de neiging heeft om alles te zien als toe
te schrijven aan individuen (zelfs sociale problemen zoals racisme,
vervuiling en economische recessies) -> Durkheim benadert deze dingen
vanuit het tegenovergestelde perspectief: waarbij de nadruk wordt gelegd
op de sociale dimensie van alle menselijke fenomenen
2) Het idee dat de samenleving wetenschappelijk kan worden bestudeerd
Maar sommigen die het belang van de samenleving erkennen, hebben de
neiging om het te zien als een amorfe entiteit die intuïtief (= een ingeving,
een vorm van direct weten zonder redenering) kan worden begrepen maar
nooit wetenschappelijk -> Durkheim tegenovergestelde benadering: de
samenleving bestaat uit sociale feiten die ons intuïtieve begrip te boven
gaan en die onderzocht moeten worden door observaties en metingen.
Deze ideeën zijn zo centraal in de sociologie dat Durkheim wordt gezien als de
vader van de sociologie.
3 principes van Durkheims theorie:
4 voorwaarden sociologie als wetenschap (voortbouwend op Montesquieu):
1) Voordat sociale wetenschappen kunnen ontstaan, moeten ze een bepaald
onderwerp toegewezen krijgen. Het bestudeerde onderwerp moet objectief
en empirisch bestaan.
-> voor sociologie is dit onderwerp ‘sociale feiten’
2) Vermogen om typologieën te creëren (classificatieprincipe), belangrijk
want:
- basismanier waarop de wetenschap de wereld begrijpt en verklaart
- helpt wetenschappers om na te denken over veranderen.
(mechanische + organische solidariteit)
3) Sociologie moet causale wetten ontdekken -> de kracht van wetenschap is
haar vermogen om te voorspellen, en voorspellingen zijn gebaseerd op
wetten. De samenleving moet dus worden gezien als subject aan wetten,
als dit niet zo is dan is er geen sociale wetenschap mogelijk.
4) Methode: we moeten een methode hebben die geschikt is voor de aard
van de bestudeerde dingen en aan de eisen van wetenschap. Deze
methode is inductief (= eerst data verzamelen, d.m.v. observatie, en
daarna theorie opbouwen)
1
, De samenleving wetenschappelijk bestuderen en sociale feiten begrijpen,
zodat sociologen de ziekte kunnen diagnosticeren en het ‘geneesmiddel’
kunnen voorschrijven
2. Werk Durkheim's theoretische concepten* uit en leg relaties tussen
de concepten.
Sociaal feit: manier van denken, voelen en handelen extern aan maar met
dwingende invloed op het individu -> brede definitie, kunnen van alles zijn
extern: datgene wat je extra krijgt als je allemaal individuen samen zet
dwingende invloed op: je kan jezelf er nauwelijks aan onttrekken
Sui generis = uniek -> sociale feiten hebben hun eigen unieke karakter en
zijn niet herleidbaar tot het individuele bewustzijn. Sociale feiten kunnen
dus ook niet uitgelegd worden door te verwijzen naar individuen, in plaats
daarvan kunnen sociale feiten alleen worden verklaard door andere sociale
feiten
Samenvatting: 1) sociale feiten kunnen empirisch bestudeerd worden, 2) zijn
extern en 3) dwingend aan het individu en 4) worden verklaard door andere
sociale feiten.
Andere definitie: sociale structuren en culturele normen en waarden die
extern aan de actoren zijn.
Twee soorten sociale feiten:
1) Materiële sociale feiten = tastbare dingen -> architectuur (heeft invloed op
hoe mensen handelen, architectuur van een openbare ruimte dwingt jou
om een bepaalde weg te gaan, verschillende soorten architectuur doen
wat anders met je gevoel)
-> direct te observeren, culturele artefacten, fysieke objecten die culturele
betekenissen hebben. (kleding, vlaggen) - (wetten, technologie,
architectuur)
2) Niet-materiele sociale feiten = ontastbare dingen -> collectieve
representaties (mythes, legendes, populaire cultuur, religieuze verhalen,
morele overtuigingen, etc.) of manieren van handelen en gedragen
-> moeilijk te observeren, ze worden gevonden in de gedachtes van
individu. Bestaan uit symbolische betekenissen en collectieve gevoelens
(liefde, vrijheid) - (normen en waarden, cultuur)
-> hoe kunnen ze dan extern aan individu zijn? Durkheim had de
overtuiging dat als mensen op complexe manieren met elkaar om zullen
gaan, hun interacties zich gehoorzamen aan hun eigen wetten. Individuen
zijn dus nodig als een soort substraat voor de niet-materiele sociale feiten,
maar de specifieke vorm en inhoud worden bepaald door de complexe
interacties en niet door de individuen.
o Moraliteit: het individu heeft moraliteit en externe controle nodig om
vrij te zijn.
- Durkheims studies werden gedreven door bezorgdheid over morele
‘gezondheid’ van de samenleving.
2
, o Collectief bewustzijn: de totaliteit van overtuigingen en gevoelens die
de gemiddelde burger in dezelfde samenleving gemeen heeft, vormt
een bepalend systeem dat zijn eigen leven leidt.
o Collectieve representaties: uiting van het collectieve bewustzijn. Ze
representeren collectieve overtuigingen, normen en waarden en
motiveren ons om aan te passen aan collectieve beweringen. Ze zijn
gemakkelijker direct te bestuderen omdat ze verbonden zijn aan
materiele symbolen (vlaggen, iconen, foto’s, rituelen). Voorbeelden van
collectieve representaties: mythes, legendes, religieuze symbolen.
o Sociale stromingen: Kunnen worden gezien als reeksen betekenissen
die door leden van samenleving worden gedeeld. Ze kunnen alleen
uitgelegd worden door de interactie tussen individuen. (voorbeeld:
vlagen van enthousiasme, verontwaardiging en medelijden)
Devision of labor (eerste klassieker van sociologie)
In dit werk schetste Durkheim de ontwikkeling van de moderne relatie tussen
individuelen en de samenleving. De stelling: de moderne samenleving wordt niet
bij elkaar gehouden door de overeenkomsten tussen mensen die soortgelijke
dingen doen, maar door de devision of labor zelf die mensen samenbrengt door
hen te dwingen afhankelijk van elkaar te zijn.
Het lijkt misschien dat de arbeidsdeling een economische noodzaak is die het
gevoel van solidariteit aantast, maar Durkheim betoogt dat: de economische
diensten die het kan leveren, zijn onbeduidend in vergelijking met het morele
effect dat het produceert en zijn ware functie is om tussen mensen een gevoel
van solidariteit te creëren.
De beweging van mechanische solidariteit naar organische solidariteit was door
de gevolgen van de arbeidsdeling = stabiele organisatie van taken en rollen die
het gedrag van individuen/groepen coördineren die verschillende, maar
verwante, taken uitvoeren.
Dynamische dichtheid: overgang van mechanische naar organische solidariteit ->
minder solidariteit, want ze delen minder aspecten van het collectief bewustzijn.
Arbeidsdeling en sociale differentiatie kan worden uitgelegd door density (sociaal
feit uitgelegd door ander sociaal feit):
- Competitie vergroot de arbeidsverdeling in een samenleving -> doordat
er populatiegroei en grote dichtheid is er vaker en met grotere
intensiteit interactie tussen mensen -> hierdoor groeit het level van
competitie: de meest fitte overleven in hun huidige beroep en nemen
een hogere status aan, de minder geschikte creëren nieuwe
specialiteiten en functies waardoor er een hogere arbeidsdeling
ontstaat
- Sociale differentiatie is het proces waardoor mensen van elkaar gaan
verschillen of cultureel divers worden. Het concept gaat ervan uit dat
de meeste verschillen tussen mensen geen aangeboren verschillen zijn,
maar dat mensen anders van elkaar worden door de toenemende
arbeidsdeling en structurele differentiatie.
Oplossing voor sociale differentiatie: generalisatie van cultuur = proces
waardoor cultuur en waarden abstracter worden en specifieke sociale groepen
3
, kunnen over stijgen. Naarmate een samenleving hogere niveaus van sociale
diversiteit ervaart neemt de behoefte aan een meer algemene en
overstijgende cultuur toe.
Mechanische en organische solidariteit
Sociale solidariteit = de mate waarin sociale eenheden zijn geïntegreerd. De
kwestie van solidariteit draait om 3 zaken:
- Het subjectieve gevoel van individuen dat ze deel uitmaken van het geheel
- De feitelijke beperking van individuele verlangens voor het welzijn van het
collectief
- De coördinatie van individuen en sociale eenheden.
De sociale solidariteit is anders in moderne samenlevingen dan traditionele.
Durkheim was geïnteresseerd in de veranderende manier waarop sociale
solidariteit wordt gemaakt. Om dit verschil vast te leggen, verwees Durkheim
naar twee soorten solidariteit:
1) Mechanische solidariteit = maatschappij hierdoor gekenmerkt is verenigd
omdat alle mensen generalisten zijn. De band tussen mensen is dat ze
allemaal bezig zijn met vergelijkbare activiteiten en soortgelijke
verantwoordelijkheden (gelijkenis)
Repressive: sterk collectief bewustzijn -> gericht op straffen
2) Organische solidariteit = samenleving wordt bijeengehouden door de
verschillen tussen mensen en het feit dat ze allemaal verschillende taken
en verantwoordelijkheden hebben. (verschillen)
Restitutive: minder sterk collectief bewust zijn, dus bijna niemand
dezelfde normen en waarden -> herstelrecht: je hebt die mensen
nodig, specialisten zijn onmisbaar.
Moderne maatschappij wordt bijeengehouden door de specialisatie van
mensen en hun noodzaak voor de service van vele anderen + de
arbeidsdeling en de daaruit voortvloeiende behoefte aan uitgeoefende
functies door anderen dan door collectief bewustzijn.
Collectief bewustzijn: Het is een collectie van alle overtuigingen, moraal, ideeën
dat de sociale feiten zijn binnen een samenleving. Collectieve bewustzijn wijst
4