A – Users
1 – Begripsverheldering
/
2 – Probleemstelling formuleren
-Waarom heeft Peter elke ochtend koffie nodig?
-Wat zijn de effecten van verschillende drugs?
-Kan iedereen verslaafd raken?
-Zijn drugs slecht voor de hersenen?
3 – Brainstorm
-Iedereen kan verslaafd raken
-Het hangt af van de soort drug of het slecht voor je is
-Peter is verslaafd
-Gewoonte versus verslaving
-Meeste drugs zijn slecht
-Sommige zijn gevoeliger voor verslaving
-Koffie = gewenning
-Drugs hebben een stimulerend of remmend effect, dit hangt af van de soort
4 – Probleem analyse
-Lichaam went aan koffie
-Indien bijwerkingen, slecht teken
-Verslaving vanwegen probleem-coping
-Soms geen reden
-Overnemen van omgeving
-Cocaïne is stimulerend, niet remmend
-Geen communictie “stop”.
5 – Leerdoelen
1. Hoe werken drugs? Wat zijn hun effecten op het zenuwstelsel?
2. Wat is verslaving? Waarom raakt men verslaafd?
!! – Focus bij de effecten van drugs op de middelen in het probleem, dus ook op
cafeïne.
Bier, wiet, coceïne, ecstasy, koffie, sigaretten
6 – Zelfstudie / 7 – Nabespreking
Literatuur gebruikt: Pinel, Carlson en Toates
, Hoe werken drugs? Wat zijn hun effecten op het zenuwstelsel?
Psychoactive drugs = Drugs die subjectieve ervaringen en gedrag beinvloeden
door op het zenuw stelsel te werken.
Drugs faciliteren of remmen de transmission van synapsen.
Agonist = Een drug die de effecten van een neurotransmitter verhoogt
Antagonist = Een drug die de neurotransmitter blokkert en daardoor de werking van
de neurotransmitter verlaagt.
Drugs kummem synaptische activiteiten op vele manieren beinvloeden. Een drg kan
de producering van neurotransmitters bijvoorbeeld verhogen of verlagen, de
vrijgeving verhogen of verlagen of reageren op postsynaptische receptoren.
Affinity = Een drug heeft een affinity voor een receptor als het er aan bind. Deze
kunnen varieren van sterk tot zwak.
Efficacy = De neiging van een drug om een receptor te activeren. Een drug die bindt
aan een receptor, maar deze niet kan activeren heeft een hoge affinity en lage
efficacy.
Reinforcement mechanism = Verhoogt de kans op het vertonen van het meeste
recente gedrag, in de huidige situatie. Verslavende drugs hebben een reinforcement
effect.
Positive reinforcement = Het effect dat bepaalde stimuli hebben op het gedrag wat
eraan vooraf ging. Dus als bepaald gedrag vaak gevolgt wordt door een positieve
stimulus, dan zal dat gedrag vaker worden herhaald. Het voorkomen van een
positieve stimulus activeert een reinforcement mechanisme in het brein.
Negative reinforcement = Een gedraging die een negatieve stimulus stopt of
verminderd zal worden herhaald. Het verschil met een afstraffing, is dat bij negative
reinforcement het gedrag een negatieve stimulus vermindert of stopt, terwijl bij
afstraffing het gedrag de negatieve stimulus juist oproept.
Verschillende soorten drugs
Stimulant drugs: Cocaine en Amphetamine
Cocaine en Amphetamine hebben gelijke gedragseffecten, omdat beide dopamine
agonisten zijn. Cocaine oefent veel invloed uit op 2 neurotransmitters: noradrenaline
en serotonine. Cocaine bindt aan de dopamine transporters, en blokkeert zo de
reuptake van dopamine nadat het losgelaten wordt door de terminal buttons.
Hierdoor blijft de dopamine langer in de synaptic cleft. Ook blokkeert cocaine de
afgifte van GABA. GABA ( en glutemate) remmen dopamine. Doordat cocaine GABA
afgisfte blokkeert, wordt de dopamine niet meer geremt. Deze factoren maken
cocaine allemaal tot een dopamine agonist. Amphetamine remt ook de reuptake van
dopamine, maar het belangrijkste effect van amphetamine is dat het de vrijgeving
van dopamine vanuit de terminal buttons stimuleert. Hierdoor blijft de dopamine ook
langer in de synaptic cleft, wat uiteindelijk kan zorgen voor een soort van ‘dip’.
Cocaine en Amphetamine zijn dus beide dopamine agonisten. Als mensen cocaine