GIS-werkcollege 1
Thematische kaart: toont verspreiding van ruimtelijke gegevens.
Plankaart: hierin wordt bijvoorbeeld getoond hoe in een nieuw te bouwen wijk woningen,
voorzieningen en infrastructuur op elkaar zijn afgestemd.
In GIS gebruiken we het datamodel ‘vectormodel’: aspecten van de reële wereld worden daarbij
teruggebracht tot de basiselementen punt, lijn en gebied.
Attribuut gegevens zijn opgeslagen in de vorm van een datamatrix
Vectorfile: kaartlaag op basis van het vectormodel
Kaartlaag toevoegen: File-menu -> ADD DATA
Attribute tabel
- Rijen (horizontaal) de objecten/ eenheden
- Kolommen (verticaal) de variabelen/ velden
- FID: geeft soort volgnummer van objecten aan
- SHAPE: geeft aan om watt voor ruimtelijke objecten het gaat
- Met Ctrl-toets kun je meerdere provincies selecteren
Informatie opvragen (attribute tabel)
- Om achter het gemiddelde of totale te komen, klik je met de rechtermuisknop op de naam van
het betreffende kenmerk en kies voor STATISTICS.
- ‘welke provincie heeft het hoogst/ laagst aantal...?’ -> met rechtermuisknop op de naam van
het betreffende kenmerk klikken en kiezen voor vorm van sorteren. Om oude volgorde terug
te krijgen: sorteren op indificatienummer.
- Als je gegevens wil berekenen voor een paar provincies moet je die eerst selecteren met Ctrl
Nieuw kenmerk maken (attribute tabel)
- ADD FIELD links bovenaan bij de attribuuttabel onder de Tabel Options-knop
- 3 types:
, 1. SHORT INTEGER: alleen hele getallen
2. FLOAT: ook cijfers achter de komma
3. TEKST: tekstkenmerk
- PRECISION: totale aantal cijfers
- SCALE: hoeveelheid cijfers achter de komma
- Klik in de attribuuttabel met de rechtermuisknop op de naam van het nieuwe kenmerk en
maak de berekening via CALCULATE GEOMETRY
- Met FIELD CALCULATOR kan een extra kenmerk worden gemaakt.
Veranderingen aanbrengen in de weergave van een gebiedenkaart
- Klik in Tabel of Contents met de rechtermuisknop op de kaartlaag en kies voor
PROPERTIES en SYMBOLOGY
1 gebied op een andere wijze weergeven:
- Kies bij SYMBOLOGY links bij SHOW voor CATEGORIES en dan UNIQUE VALUES
- Kies bij VALUE FIELD voor provincienaam
- Kies voor ADD VALUES en voeg provincie toe
- Kies bij SYMBOLOGY bij SHOW nu weer voor FEATURES en (automatisch) SINGLE
SYMBOL, zodat alle provincies weer op dezelfde wijze worden weergegeven.
Om de kleuren te bewaren kun je een layer-file maken. Klik daartoe in de Tabel of Contents met de
rechtermuisknop op de naam van de kaartlaag, kies voor SAVE AS LAYER FILE.
Labels bij een kaart laten afdrukken
- LABEL FEATURES in Tabel of Contents
- Ook via PROPERTIES en LABELS kan via LABEL FIELD de labels worden weergegeven
- Via PLACEMENT PROPERTIES krijgen bijvoorbeeld Texel en Noord-Holland
verschillende gegevens i.p.v. dezelfde.
Afstanden en oppervlaktes meten
- Selecteer het meetlatje via MEASUREMENT TYPE kan via GEODESIC gekozen worden
voor de goede afstand (aardbol)
Oppervlakte en omtrek berekenen:
- Kies in het Measure-window voor de Measure A Feature-knop. Als daarmee op een lijn wordt
geklikt, wordt de lengte van die lijn gemeten. Als op een gebied wordt geklikt, worden de
oppervlakte (area) en de omtrek (perimeter) van dat gebied gemeten.
Punt met bepaalde coördinaten
- Selecteer de xy-knop
- Stel de eenheden in op meters, zodat het past bij het Rijksdriehoeksstelsel
- Tik de coördinaten in
- Klik op FLASH, zodat kort te zien is waar het punt is gelegen
Opslaan
- Bewaar het kaartbeeld via het File-menu en EXPORT MAP in de folder GISCARTOGRAFIE
als JPEG-file, dat is een file met extensie. JPG. Geef de file een logische naam.
- Een JPEG-file kan o.a. in WORD binnengehaald worden. Start WORD, kies in het Insert-
menu voor PICTURE en haal de JPEG-file binnen
, GIS-werkcollege 2
Topografische cartografie houdt zich bezig met kaarten die een algemene inhoud hebben; op
topografische kaarten komen veel verschillende soorten kaartelementen voor.
Thematische kaarten zijn kaarten met een gespecialiseerde inhoud; ze gaan vaak over maar 1
onderwerp.
- Nominaal: verschillende waarden worden van elkaar onderscheden.
- Ordinaal: wel een volgorde in de waarden, maar er kan niet mee gerekend worden.
- Interval: er kan wel met de gegevens gerekend worden.
- Ratio: hiermee kan nog meer gerekend worden, niet alleen gemiddelde, maar ook dubbelle
waardes, etc.