Medische Kennis samenvatting module 2
Week 45 Ademhalingsstelsel
Ziektebeeld: COPD:
Kortademig, benauwd, hoesten, piepen.
Hoe verder de ziekte vordert hoe meer last de patiënt krijgt.
Omvat twee ziektebeelden:
- Chronische bronchitis en longemfyseem.
- Het zijn chronische progressieve aandoeningen met toenemend irreversibele
bronchusafwijkingen
- CARA (chronische aspecifieke respiratoire aandoeningen)
• Verouderde term (maar wordt nog veel gebruikt)
• Omvat bronchitis, emfyseem en astma
• Astma wordt tegenwoordig apart geclassificeerd
Hoeveelheid mensen met COPD neemt toe.
Symptomen:
• (langdurig) hoesten (productief/prikkelhoest)
• Opgeven van sputum (slijm)
• Dyspnoe
• Perioden van exacerbaties (verergering)
• Vaak opnieuw vertonende infecties
• Bemoeilijkte uitademing
• Cyanose (perifeer/centraal)
• Tonvormige thorax
Etiologie en gevolgen:
- Erfelijke aanleg
- Blootstelling stoffen in de lucht (smog)
- Roken (risicofactor)
- Beroep dat je doet
Gevolgen: emfyseem
Bij COPD gaan de longblaasjes stuk; er is dan nauwelijks oppervlakte om gas uit te wisselen.
De spiermassa is verminderd, waardoor patiënten minder goed in- en uit kunnen ademen.
Diagnostiek:
• Anamnese
• Lichamelijk onderzoek (inspectie, palpatie, percussie, auscultatie)
• Aanvullend onderzoek (longfunctieonderzoek: spirometrie)
Tidal volume = teugvolume
Medicamenteuze behandeling
Doel behandeling:
- Toediening bij voorkeur per inhalatie
- Bronchusverwijder (kort- of langwerkend)
- Eventueel corticosteroïden (ontstekingsremmers)
- Stootkuur (onderdrukt symptomen)
- Acetylcysteïne als slijmoplosser
- Uiteindelijk soms zuurstof
,Ziektebeeld: allergisch astma:
- Chronische allergische ontsteking van de lagere luchtwegen
- Aanvalsgewijs bronchospasme en slijmvlieszwelling
- O.b.v. verhoogde gevoeligheid van de luchtwegen voor:
• Allergische prikkels
• Niet-allergische prikkels (=bronchiale hyperreactiviteit)
- Vaak een aanval die niet reageert op behandeling
Symptomen:
• Droge (prikkel)hoest
• (taai)slijm
• Piepende verlengde ademhaling
• Dyspnoe (kortademigheid)
• Minder inspanningsvermogen
• Bijkomende klachten
- Allergische rhinitis (ontsteking neusslijmvlies)
- Allergische conjunctivitis (ontsteking oog)
Allergisch astma behandelen:
Niet-medicamenteus:
- Stoppen met roken
- Tenminste half uur per dag bewegen
- Vermijden prikkels waarvan klachten toenemen
Medicamenteus:
- Kortwerkende luchtwegverwijder
- Corticosteroïden, ontstekingsremmer
- Langdurige luchtwegverwijder
Farmacotherapie
Bronchusverwijders:
• Inhalatie-medicatie, pufjes
➔ B2-sympaticomimetica/B2-agonisten
• Kort- of langwerkend
• Bijvoorbeeld salbutamol
• Bijwerking: tachycardie
Bronchusverwijders:
• Antimuscarine bronchodilatoren/ parasympaticolytica
• Bijv. ipratropium
• Bijwerkingen te verklaren vanuit werking.
Het ademcentrum in de hersenen reguleert de ademhaling automatisch. Hier wordt, net als in
de aortaboog en in de halsslagaders voortdurend de pH en de koolstofdioxidespanning van het
bloed gemeten.
Formule aerobe dissimilatie (celademhaling): glucose + zuurstof > koolstofdioxide + water +
energie (ATP + warmte).
De neusholte wordt begrensd door botten.
Aan de bovenkant zijn dit de: os sphenoidale (sferoïde), het os ethmoidale (etmoid), het os
frontale (voorhoofdsbeen) en het os nasale (neusbeen).
,De laterale wanden van de neusholten bestaan uit delen van de maxilla (bovenkaak). Ook
hebben de wanden drie of vier uitstekende botranden, conchae (neusschelpen). Door deze
botranden ontstaan er neusgangen.
De neusholte wordt in tweeën gedeeld door het medio-sagittaal lopende septum nasi
(neustussenschot).
De neusholte is bekleed met slijmvlies: eenlagig trilhaarepitheel met veel sereuze kliertjes en
slijmcellen. Boven in de neusholte: reukepitheel.
De sinus paranasales (neusbijholten) maken geen deel uit van neusholte: sinus maxillaris,
sinus sphenoidalis, sinus ethmoidales en sinus frontalis.
Vier functies van de neus:
1. Zuivering van de lucht
2. Verwarming van de lucht
3. Bevochtiging van de lucht: gaat uitdroging van longweefsel tegen
4. Keuring van de lucht: door ruiken
Ademen door de mond zorgt ervoor dat bovenstaande functies nauwelijks plaatsvinden.
Klankvorming: belangrijke functie van de mondholte. Gebeurt voornamelijk bij uitademing.
De pharnyx (keelholte) behoort tot zowel het ademhalingsstelsel als bij het spijsverteringsstelsel.
Bij slikken wordt de neusholte afgesloten met de uvula (huig) en de larynx met de epiglottis
(strotklepje). Het strotklepje voorkomt verslikken.
De larynx (strottenhoofd) is een koker opgebouwd uit kraakbeenstukken. Aan de bovenkant is
de larynx verbonden met het os hyoideum (tongbeen). Het grootste kraakbeenstuk van het
strottenhoofd is het cartilago thyroidea (schildkraakbeen).
Cartilago cricoidea (ringkraakbeen) is door gewrichten met het schildkraakbeen verbonden.
Cartilago arytenoidea (bekerkraakbeentje) zijn via de stembanden met het schildkraakbeen
verbonden.
Ware stembanden: spierplooien tussen bekerkraakbeentjes en schildkraakbeen.
Ze vormen de m. vocalis (stemspier). De opening tussen de stembanden is de stemspleet.
Functies stembanden: sluiten de luchtweg af door de stemspleet te sluiten en ze brengen geluid
voort doordat ze in trilling worden gebracht.
De innervatie van de strottenhoofdspieren vindt plaats door de n. laryngeus recurrens.
De trachea (luchtpijp) sluit aan op het ringkraakbeen van het strottenhoofd.
Bifurcatio trachae: splitsing van de trachea in twee hoofdbronchiën. De binnenbekleding van de
trachea en de hoofdbronchiën heet het respiratoir epitheel. Het heeft dezelfde functie als het
neusslijmvlies.
De hoofdbronchiën vertakken zich verder in de bronchi lobares. Elke bronchi lobaris gaat naar
een longkwab (lobus). De bronchi lobares vertakken in dunnere bronchi segmentales.
De bronchiën vertakken verder in bronchiolen, dit zijn de kleinste vertakkingen. In de bronchioli
zit onder andere glad spierweefsel, wat zorgt voor bronchoconstrictie en bronchodilitatie.
De fijnste bronchiolen monden uit in longtrechtertjes. Elk trechtertje heeft uitstulpingen; de
alveoli pulmonales (longblaasjes). Deze vormen het eigenlijke longweefsel. Het totale oppervlak
van de alveoli wordt het ademhalingsoppervlak genoemd.
In de alveoli vindt de uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide plaats. Dit gebeurt door middel
van diffusie. Zuurstof diffundeert van de alveoli naar de longcapillairen, koolstofdioxide
diffundeert van het bloed naar de alveoli.
, Een optimale diffusie komt tot stand door: groot dun oppervlak en concentratieverschil. Zuurstof
wordt aan het eiwit hemoglobine vervoerd.
Hartminuutvolume: hoeveelheid bloed die per minuut door 1 harthelft wordt gepompt.
Perifere saturatie: in hoeverre de hemoglobine-moleculen verzadigd zijn met zuurstof.
De apex pulmonalis (longtop) reikt tot achter het sleutelbeen, boven de eerste rib. De basis
pulmonalis (longbasis) rust op het diafragma.
Beide longen zijn omgeven door pleura (longvlies). Deze bestaat uit pleura visceralis (longblad)
en pleura parietalis (borstvlies). De ruimte tussen beide bladen heet de pleuraholte.
Het weefsel van de hoofdbronchiën, bronchiën en bronchiolen heeft een eigen bloedvoorziening.
Hiervoor zorgen de arteriae bronchiales, aftakkingen van de aorta. De venae bronchiales
voeren het zuurstofarme bloed af naar de vena cava superior.
In de longen vindt gaswisseling plaats. De druk die een gas veroorzaakt noem je de partiële
druk. De zuurstofspanning is in de longblaasjes hoog en de koolstofdioxidespanning is laag.
Opname van zuurstof:
Hemoglobine + zuurstof > oxyhemoglobine + waterstof
Afgifte van koolstofdioxide:
Bicarbonaat + waterstof > koolzuur > koolstofdioxide en water
In weefselvocht vinden deze reacties in omgekeerde volgorde plaats, omdat de zuurstofspanning
daar laag is en de koolstofdioxidespanning hoog is.
Ventilatie: het verversen van lucht in de luchtwegen.
Inspiratie (inademing) kost spierarbeid en kan op twee manieren:
1. Door het afplatten van het diafragma. Dit gaat vaak gepaard met het verslappen van
de buikwandspieren. Dit noem je ook wel de buikademhaling.
2. Door het optillen van de ribben. Als de musculi intercostales externi (buitenste
tussenribspieren) worden aangespannen, worden de ribben opgetild. De thoraxwand
beweegt naar voren. Dit noem je ook wel de borstademhaling.
Bij extra diep inademen worden de hulpademhalingsspieren gebruikt.
Expiratie (uitademing): komt tot stand door het verkleinen van het thoraxvolume.
Geforceerde expiratie kost spierarbeid en gebeurt door contractie van de musculi
intercostales interni (binnenste tussenribspieren).
Het ademhalingscentrum stuurt impulsen via de n. phrenicus naar de spieren van het diafragma
en via de nervi intercostales naar de tussenribspieren.
De prikkels voor dit ademautomatisme zijn de PCO2, pH en de PO2 in het bloed en de
rekkingstoestand van de bronchiën. Deze omstandigheden worden waargenomen door
chemosensoren in de wand van bepaalde bloedvaten en mechanosensoren in de wand van de
bronchiën.
Week 45 Ademhalingsstelsel
Ziektebeeld: COPD:
Kortademig, benauwd, hoesten, piepen.
Hoe verder de ziekte vordert hoe meer last de patiënt krijgt.
Omvat twee ziektebeelden:
- Chronische bronchitis en longemfyseem.
- Het zijn chronische progressieve aandoeningen met toenemend irreversibele
bronchusafwijkingen
- CARA (chronische aspecifieke respiratoire aandoeningen)
• Verouderde term (maar wordt nog veel gebruikt)
• Omvat bronchitis, emfyseem en astma
• Astma wordt tegenwoordig apart geclassificeerd
Hoeveelheid mensen met COPD neemt toe.
Symptomen:
• (langdurig) hoesten (productief/prikkelhoest)
• Opgeven van sputum (slijm)
• Dyspnoe
• Perioden van exacerbaties (verergering)
• Vaak opnieuw vertonende infecties
• Bemoeilijkte uitademing
• Cyanose (perifeer/centraal)
• Tonvormige thorax
Etiologie en gevolgen:
- Erfelijke aanleg
- Blootstelling stoffen in de lucht (smog)
- Roken (risicofactor)
- Beroep dat je doet
Gevolgen: emfyseem
Bij COPD gaan de longblaasjes stuk; er is dan nauwelijks oppervlakte om gas uit te wisselen.
De spiermassa is verminderd, waardoor patiënten minder goed in- en uit kunnen ademen.
Diagnostiek:
• Anamnese
• Lichamelijk onderzoek (inspectie, palpatie, percussie, auscultatie)
• Aanvullend onderzoek (longfunctieonderzoek: spirometrie)
Tidal volume = teugvolume
Medicamenteuze behandeling
Doel behandeling:
- Toediening bij voorkeur per inhalatie
- Bronchusverwijder (kort- of langwerkend)
- Eventueel corticosteroïden (ontstekingsremmers)
- Stootkuur (onderdrukt symptomen)
- Acetylcysteïne als slijmoplosser
- Uiteindelijk soms zuurstof
,Ziektebeeld: allergisch astma:
- Chronische allergische ontsteking van de lagere luchtwegen
- Aanvalsgewijs bronchospasme en slijmvlieszwelling
- O.b.v. verhoogde gevoeligheid van de luchtwegen voor:
• Allergische prikkels
• Niet-allergische prikkels (=bronchiale hyperreactiviteit)
- Vaak een aanval die niet reageert op behandeling
Symptomen:
• Droge (prikkel)hoest
• (taai)slijm
• Piepende verlengde ademhaling
• Dyspnoe (kortademigheid)
• Minder inspanningsvermogen
• Bijkomende klachten
- Allergische rhinitis (ontsteking neusslijmvlies)
- Allergische conjunctivitis (ontsteking oog)
Allergisch astma behandelen:
Niet-medicamenteus:
- Stoppen met roken
- Tenminste half uur per dag bewegen
- Vermijden prikkels waarvan klachten toenemen
Medicamenteus:
- Kortwerkende luchtwegverwijder
- Corticosteroïden, ontstekingsremmer
- Langdurige luchtwegverwijder
Farmacotherapie
Bronchusverwijders:
• Inhalatie-medicatie, pufjes
➔ B2-sympaticomimetica/B2-agonisten
• Kort- of langwerkend
• Bijvoorbeeld salbutamol
• Bijwerking: tachycardie
Bronchusverwijders:
• Antimuscarine bronchodilatoren/ parasympaticolytica
• Bijv. ipratropium
• Bijwerkingen te verklaren vanuit werking.
Het ademcentrum in de hersenen reguleert de ademhaling automatisch. Hier wordt, net als in
de aortaboog en in de halsslagaders voortdurend de pH en de koolstofdioxidespanning van het
bloed gemeten.
Formule aerobe dissimilatie (celademhaling): glucose + zuurstof > koolstofdioxide + water +
energie (ATP + warmte).
De neusholte wordt begrensd door botten.
Aan de bovenkant zijn dit de: os sphenoidale (sferoïde), het os ethmoidale (etmoid), het os
frontale (voorhoofdsbeen) en het os nasale (neusbeen).
,De laterale wanden van de neusholten bestaan uit delen van de maxilla (bovenkaak). Ook
hebben de wanden drie of vier uitstekende botranden, conchae (neusschelpen). Door deze
botranden ontstaan er neusgangen.
De neusholte wordt in tweeën gedeeld door het medio-sagittaal lopende septum nasi
(neustussenschot).
De neusholte is bekleed met slijmvlies: eenlagig trilhaarepitheel met veel sereuze kliertjes en
slijmcellen. Boven in de neusholte: reukepitheel.
De sinus paranasales (neusbijholten) maken geen deel uit van neusholte: sinus maxillaris,
sinus sphenoidalis, sinus ethmoidales en sinus frontalis.
Vier functies van de neus:
1. Zuivering van de lucht
2. Verwarming van de lucht
3. Bevochtiging van de lucht: gaat uitdroging van longweefsel tegen
4. Keuring van de lucht: door ruiken
Ademen door de mond zorgt ervoor dat bovenstaande functies nauwelijks plaatsvinden.
Klankvorming: belangrijke functie van de mondholte. Gebeurt voornamelijk bij uitademing.
De pharnyx (keelholte) behoort tot zowel het ademhalingsstelsel als bij het spijsverteringsstelsel.
Bij slikken wordt de neusholte afgesloten met de uvula (huig) en de larynx met de epiglottis
(strotklepje). Het strotklepje voorkomt verslikken.
De larynx (strottenhoofd) is een koker opgebouwd uit kraakbeenstukken. Aan de bovenkant is
de larynx verbonden met het os hyoideum (tongbeen). Het grootste kraakbeenstuk van het
strottenhoofd is het cartilago thyroidea (schildkraakbeen).
Cartilago cricoidea (ringkraakbeen) is door gewrichten met het schildkraakbeen verbonden.
Cartilago arytenoidea (bekerkraakbeentje) zijn via de stembanden met het schildkraakbeen
verbonden.
Ware stembanden: spierplooien tussen bekerkraakbeentjes en schildkraakbeen.
Ze vormen de m. vocalis (stemspier). De opening tussen de stembanden is de stemspleet.
Functies stembanden: sluiten de luchtweg af door de stemspleet te sluiten en ze brengen geluid
voort doordat ze in trilling worden gebracht.
De innervatie van de strottenhoofdspieren vindt plaats door de n. laryngeus recurrens.
De trachea (luchtpijp) sluit aan op het ringkraakbeen van het strottenhoofd.
Bifurcatio trachae: splitsing van de trachea in twee hoofdbronchiën. De binnenbekleding van de
trachea en de hoofdbronchiën heet het respiratoir epitheel. Het heeft dezelfde functie als het
neusslijmvlies.
De hoofdbronchiën vertakken zich verder in de bronchi lobares. Elke bronchi lobaris gaat naar
een longkwab (lobus). De bronchi lobares vertakken in dunnere bronchi segmentales.
De bronchiën vertakken verder in bronchiolen, dit zijn de kleinste vertakkingen. In de bronchioli
zit onder andere glad spierweefsel, wat zorgt voor bronchoconstrictie en bronchodilitatie.
De fijnste bronchiolen monden uit in longtrechtertjes. Elk trechtertje heeft uitstulpingen; de
alveoli pulmonales (longblaasjes). Deze vormen het eigenlijke longweefsel. Het totale oppervlak
van de alveoli wordt het ademhalingsoppervlak genoemd.
In de alveoli vindt de uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide plaats. Dit gebeurt door middel
van diffusie. Zuurstof diffundeert van de alveoli naar de longcapillairen, koolstofdioxide
diffundeert van het bloed naar de alveoli.
, Een optimale diffusie komt tot stand door: groot dun oppervlak en concentratieverschil. Zuurstof
wordt aan het eiwit hemoglobine vervoerd.
Hartminuutvolume: hoeveelheid bloed die per minuut door 1 harthelft wordt gepompt.
Perifere saturatie: in hoeverre de hemoglobine-moleculen verzadigd zijn met zuurstof.
De apex pulmonalis (longtop) reikt tot achter het sleutelbeen, boven de eerste rib. De basis
pulmonalis (longbasis) rust op het diafragma.
Beide longen zijn omgeven door pleura (longvlies). Deze bestaat uit pleura visceralis (longblad)
en pleura parietalis (borstvlies). De ruimte tussen beide bladen heet de pleuraholte.
Het weefsel van de hoofdbronchiën, bronchiën en bronchiolen heeft een eigen bloedvoorziening.
Hiervoor zorgen de arteriae bronchiales, aftakkingen van de aorta. De venae bronchiales
voeren het zuurstofarme bloed af naar de vena cava superior.
In de longen vindt gaswisseling plaats. De druk die een gas veroorzaakt noem je de partiële
druk. De zuurstofspanning is in de longblaasjes hoog en de koolstofdioxidespanning is laag.
Opname van zuurstof:
Hemoglobine + zuurstof > oxyhemoglobine + waterstof
Afgifte van koolstofdioxide:
Bicarbonaat + waterstof > koolzuur > koolstofdioxide en water
In weefselvocht vinden deze reacties in omgekeerde volgorde plaats, omdat de zuurstofspanning
daar laag is en de koolstofdioxidespanning hoog is.
Ventilatie: het verversen van lucht in de luchtwegen.
Inspiratie (inademing) kost spierarbeid en kan op twee manieren:
1. Door het afplatten van het diafragma. Dit gaat vaak gepaard met het verslappen van
de buikwandspieren. Dit noem je ook wel de buikademhaling.
2. Door het optillen van de ribben. Als de musculi intercostales externi (buitenste
tussenribspieren) worden aangespannen, worden de ribben opgetild. De thoraxwand
beweegt naar voren. Dit noem je ook wel de borstademhaling.
Bij extra diep inademen worden de hulpademhalingsspieren gebruikt.
Expiratie (uitademing): komt tot stand door het verkleinen van het thoraxvolume.
Geforceerde expiratie kost spierarbeid en gebeurt door contractie van de musculi
intercostales interni (binnenste tussenribspieren).
Het ademhalingscentrum stuurt impulsen via de n. phrenicus naar de spieren van het diafragma
en via de nervi intercostales naar de tussenribspieren.
De prikkels voor dit ademautomatisme zijn de PCO2, pH en de PO2 in het bloed en de
rekkingstoestand van de bronchiën. Deze omstandigheden worden waargenomen door
chemosensoren in de wand van bepaalde bloedvaten en mechanosensoren in de wand van de
bronchiën.