Samenvatting I&M jaar 2 - blok 2: Gedragswetenschappen
Week 1. Persoonlijkheid
Persoonlijkheid
• “De psychologische eigenschappen die een zekere continuïteit verlenen aan het gedrag
van een individu in verschillende situaties en op verschillende momenten” (Zimbardo et
al., 2018)
• “De standaardinstellingen van ons unieke patroon van motieven, emoties en percepties,
in combinatie met de aangeleerde schema’s die we toepassen om onszelf en onze
wereld te begrijpen” (McAdams & Pals, 2006)
Humores van Hippocrates
• Bloed = optimistisch
• Gele gal = driftig, licht ontvlambaar
• Zwarte gal = melancholiek, depressief
• Slijm = afstandelijk, traag
Theorieën over persoonlijkheid
• Karaktertheorieën of dispositionele theorieën
– Gaan uit van biologisch bepaalde disposities (persoonlijkheidskenmerken),
stabiele karaktertrekken, temperamenten of types van een individu.
– (‘Big Five’ vijf factoren theorie)
• Procestheorieën
– Beschrijven processen die de persoonlijkheid verklaren en gaan uit van interne
psychische processen en sociale interacties.
– (Psychodynamische persoonlijkheidstheorieën, Freud), (Humanistische
theorieën, Maslow), (Sociaal-cognitieve theorieën, Bandura).
Big Five/Vijf factoren theorie
• Openheid (Openness to experience)
• Zorgvuldigheid (Conscientiousness)
• Extraversie (Extraversion)
• Vriendelijkheid (Agreeableness)
• Emotionele stabiliteit (Neurotisicm)
• Lijkt valide in meerdere culturen
• Zesde factor? Honesty vs. Humility
,Psychodynamische persoonlijkheidstheorieën
• Focust op motieven vanuit het onderbewuste
• Invloed van ervaringen vanuit vroege jeugd
• Grondlegger is Sigmund Freud (1856 – 1939)
Benadering volgens Freud
Ego-afweermechanismen:
• Verdringing
• Ontkenning
• Rationalisatie
• Reactieformatie
• Verschuiving
• Regressie
• Sublimatie
• Projectie
Psychoseksuele ontwikkelingsstadia
• Orale fase, anale fase, fallische fase, latentiefase, genitale fase.
• Fixatie – stagnatie in psychologische ontwikkeling
Humanistische theorieën
Oa. Abraham Maslow (1908-1970), Carl Rogers (1902-1987).
• Positieve behoefte aan ontwikkeling
• Focus op liefde, bewondering en zelfactualisatie
• Meest intense motieven zijn gericht op positieve groei
Benadering volgens Maslow
• Gezonde persoonlijkheid centraal.
• ‘Gezond zijn is meer dan alleen de afwezigheid van ziekte.’
Benadering volgens Rogers
Mens is een volledig functionerend persoon.
• Persoonlijkheid onderscheid zich door positief zelfbeeld, in overeenstemming met
realiteit.
• Incongurentie brengt zelfbeeld in gevaar
Sociaal-cognitieve theorieën
Albert Bandura: Niet enkel innerlijke motivatie, maar ook verwachtingen
• Sociaal leren door observatie
• Persoonlijkheid zijn aangeleerde gedragspatronen
• Ook slechte voorbeelden vormen persoonlijkheid
• Interactie tussen gedrag, cognitie en omgeving
Julian Rotter: Locus of control.
• Gedrag is afhankelijk van ons gevoel van persoonlijke invloed.
• Locus of control blijkt belangrijk kenmerk van onze persoonlijkheid.
, Week 2. Leertheorieën
Leren
• “Een blijvende verandering in gedrag of mentale processen als gevolg van een bepaalde
ervaring.” (Zimbardo et al., 2018)
Vormen van leren:
• Stimulus-respons leren
- Klassieke conditionering
- Operante conditionering
• Cognitief leren
• Sociaal leren
Stimulus-respons leren
1. Klassieke conditionering
Ivan Pavlov (1848-1936)
• Gericht op automatische responsen → reflexen.
• Een prikkel (stimulus) veroorzaakt bepaald gedrag (respons) dat oorspronkelijk niet door
die prikkel werd veroorzaakt. → geconditioneerde respons.
Belangrijke begrippen
• Neutrale stimulus (NS)
• Ongeconditioneerde stimulus (UCS)
• Ongeconditioneerde respons (UCR)
• Geconditioneerde stimulus (CS)
• Geconditioneerde respons (CR)
• Extinctie
• Spontaan herstel
• Stimulusgeneralisatie vs. Stimulusdiscriminatie
→ Little Albert
• Biologische predispositie
2. Operante conditionering
• Een vorm van leren waarbij gedrag wordt beloond of gestraft wat zorgt voor een
verandering in het gedrag.
• Anders dan bij klassieke conditionering gaat het bij operante conditionering om
‘vrijwillige’ gedragingen.
• B.F. Skinner (1904-1990)
• Trial and error (Thorndike 1905)
• Skinner-Box
• Skinner-box
• Bekrachtiging en straffen
→ Positieve bekrachtiging: een beloning krijgen
→ Negatieve bekrachtiging: verdwijnen nadelige stimulus
Negatieve bekrachtiging is dus wel een positieve uitkomst
Aantal responsen afhankelijk van beloningsschema.
• Straf verzwakt gedrag
• Straf werkt minder goed in veranderen van gedrag dan belonen.
Week 1. Persoonlijkheid
Persoonlijkheid
• “De psychologische eigenschappen die een zekere continuïteit verlenen aan het gedrag
van een individu in verschillende situaties en op verschillende momenten” (Zimbardo et
al., 2018)
• “De standaardinstellingen van ons unieke patroon van motieven, emoties en percepties,
in combinatie met de aangeleerde schema’s die we toepassen om onszelf en onze
wereld te begrijpen” (McAdams & Pals, 2006)
Humores van Hippocrates
• Bloed = optimistisch
• Gele gal = driftig, licht ontvlambaar
• Zwarte gal = melancholiek, depressief
• Slijm = afstandelijk, traag
Theorieën over persoonlijkheid
• Karaktertheorieën of dispositionele theorieën
– Gaan uit van biologisch bepaalde disposities (persoonlijkheidskenmerken),
stabiele karaktertrekken, temperamenten of types van een individu.
– (‘Big Five’ vijf factoren theorie)
• Procestheorieën
– Beschrijven processen die de persoonlijkheid verklaren en gaan uit van interne
psychische processen en sociale interacties.
– (Psychodynamische persoonlijkheidstheorieën, Freud), (Humanistische
theorieën, Maslow), (Sociaal-cognitieve theorieën, Bandura).
Big Five/Vijf factoren theorie
• Openheid (Openness to experience)
• Zorgvuldigheid (Conscientiousness)
• Extraversie (Extraversion)
• Vriendelijkheid (Agreeableness)
• Emotionele stabiliteit (Neurotisicm)
• Lijkt valide in meerdere culturen
• Zesde factor? Honesty vs. Humility
,Psychodynamische persoonlijkheidstheorieën
• Focust op motieven vanuit het onderbewuste
• Invloed van ervaringen vanuit vroege jeugd
• Grondlegger is Sigmund Freud (1856 – 1939)
Benadering volgens Freud
Ego-afweermechanismen:
• Verdringing
• Ontkenning
• Rationalisatie
• Reactieformatie
• Verschuiving
• Regressie
• Sublimatie
• Projectie
Psychoseksuele ontwikkelingsstadia
• Orale fase, anale fase, fallische fase, latentiefase, genitale fase.
• Fixatie – stagnatie in psychologische ontwikkeling
Humanistische theorieën
Oa. Abraham Maslow (1908-1970), Carl Rogers (1902-1987).
• Positieve behoefte aan ontwikkeling
• Focus op liefde, bewondering en zelfactualisatie
• Meest intense motieven zijn gericht op positieve groei
Benadering volgens Maslow
• Gezonde persoonlijkheid centraal.
• ‘Gezond zijn is meer dan alleen de afwezigheid van ziekte.’
Benadering volgens Rogers
Mens is een volledig functionerend persoon.
• Persoonlijkheid onderscheid zich door positief zelfbeeld, in overeenstemming met
realiteit.
• Incongurentie brengt zelfbeeld in gevaar
Sociaal-cognitieve theorieën
Albert Bandura: Niet enkel innerlijke motivatie, maar ook verwachtingen
• Sociaal leren door observatie
• Persoonlijkheid zijn aangeleerde gedragspatronen
• Ook slechte voorbeelden vormen persoonlijkheid
• Interactie tussen gedrag, cognitie en omgeving
Julian Rotter: Locus of control.
• Gedrag is afhankelijk van ons gevoel van persoonlijke invloed.
• Locus of control blijkt belangrijk kenmerk van onze persoonlijkheid.
, Week 2. Leertheorieën
Leren
• “Een blijvende verandering in gedrag of mentale processen als gevolg van een bepaalde
ervaring.” (Zimbardo et al., 2018)
Vormen van leren:
• Stimulus-respons leren
- Klassieke conditionering
- Operante conditionering
• Cognitief leren
• Sociaal leren
Stimulus-respons leren
1. Klassieke conditionering
Ivan Pavlov (1848-1936)
• Gericht op automatische responsen → reflexen.
• Een prikkel (stimulus) veroorzaakt bepaald gedrag (respons) dat oorspronkelijk niet door
die prikkel werd veroorzaakt. → geconditioneerde respons.
Belangrijke begrippen
• Neutrale stimulus (NS)
• Ongeconditioneerde stimulus (UCS)
• Ongeconditioneerde respons (UCR)
• Geconditioneerde stimulus (CS)
• Geconditioneerde respons (CR)
• Extinctie
• Spontaan herstel
• Stimulusgeneralisatie vs. Stimulusdiscriminatie
→ Little Albert
• Biologische predispositie
2. Operante conditionering
• Een vorm van leren waarbij gedrag wordt beloond of gestraft wat zorgt voor een
verandering in het gedrag.
• Anders dan bij klassieke conditionering gaat het bij operante conditionering om
‘vrijwillige’ gedragingen.
• B.F. Skinner (1904-1990)
• Trial and error (Thorndike 1905)
• Skinner-Box
• Skinner-box
• Bekrachtiging en straffen
→ Positieve bekrachtiging: een beloning krijgen
→ Negatieve bekrachtiging: verdwijnen nadelige stimulus
Negatieve bekrachtiging is dus wel een positieve uitkomst
Aantal responsen afhankelijk van beloningsschema.
• Straf verzwakt gedrag
• Straf werkt minder goed in veranderen van gedrag dan belonen.