H2: Invloeden vanuit de praktijk; integratie van gedragstherapie met cognitieve therapie
2.1
De meest invloedrijke psychotherapeutische integratie is die tussen cognitieve therapie en
gedragstherapie.
2.2; Gedragstherapie
Strenge/orthodoxe behavioristen beperkten zich strikt tot de bestudering van stimulus-
responsrelaties (S-R-relaties). Het behaviorisme is een wetenschapsfilosofische stroming.
Systematische desensitisatie: Op een geleidelijke manier de patiënt confronteren met een
geconditioneerde prikkel (CS).
Token economies: Patiënten op psychiatrische afdelingen kunnen tokens verdienen als zij
gewenste gedragingen uitvoeren. Die tokens kunnen worden ingeleverd voor bepaalde
gunsten en vrijheden. Praktische en morele factoren hebben ervoor gezorgd dat deze
interventie nooit echt doorgevoerd is.
Operante gedragsbeïnvloeding waarbij gewenst gedrag wordt geprezen en bekrachtigd, om
het doen en laten van mensen in de omgeving van patiënten te beïnvloeden, wordt gebruikt in
diverse methoden. Bijvoorbeeld bij betrokkenheid (expressed emotion, EE), gedragscontract
in gezinstherapie en bij zelfcontroleprocedures.
Tweefactorentheorie van Mowrer: Door klassieke conditionering ontstaat vrees voor een
specifieke prikkel, deze vrees motiveert het vermijden van deze prikkel. Doordat de vrees
door het vermijden afneemt, wordt de vermijding bekrachtigd. Deze bekrachtiging houdt de
vermijding in stand. Twee logische stappen die hieruit voortvloeien zijn het doorbreken van
vermijding en desensitisatie van de vrees.
Beschrijving van observeerbare gedragstermen zorgt ervoor dat therapeuten op zoek gaan
naar de externe factoren die deze gedragingen controleren/veroorzaken. Door die factoren dan
weg te nemen, zou het gedrag/het probleem kunnen worden beïnvloed. Voorbeelden van zulke
gedragstermen zijn; bij psychose bijvoorbeeld het niet aan gaan van sociale interactie, in
plaats van het verstoorde hechtingsmechanisme (op de achtergrond) of de mate waarin
situaties worden vermeden in plaats van de gevoelde angst.
Er ontstonden opvattingen over de mate waarin er aandacht gegeven moest worden aan
factoren die zich binnen in het organisme bevinden (niet direct waarneembaar, O-factoren).
Deze factoren zouden mediëren tussen waarneembare stimuli (S) en de responsen (R)
S-O-R-model (Neobehavioristisch).
Relational frame theory: Zoekt de verklaring voor complex menselijk gedrag in de
bijzondere eigenschapen van taal en de manieren waarop taal kan worden gebruikt en
misbruikt.
, Breed spectrum-gedragstherapie: Volgens Lazarus werd de gedragstherapeutische praktijk
niet meer gedekt door haar theoretische uitgangspunten en stelde voor om meer uit te gaan
van wat praktisch bleek te werken. Het S-R-model werd definitief een S-O-R-model. Er werd
vanaf dat moment ook gesproken van cognitivisme.
Binnen de ideografische gedragstherapie was er meer een ruimte voor theoretische
uitgangspunten, later raakte belangstelling voor theorie steeds verder op de achtergrond. Er
werd steeds meer gekeken naar wat effectief was.
Ontmantelingsstudies: Onderzoeken die duidelijk maakten welke onderdelen van
interventies noodzakelijk waren voor verandering (evidence based). Dit werd dan in de
praktijk toegepast (protocol).
Op dit moment lijkt een combinatie van ideografische (theoretische) en evidence-based
behandeling het meest wenselijk.
2.3; cognitieve therapie
Albert Ellis; Ontwikkelde de rationeel-emotieve therapie (RET) en voegde daar later
behaviour aan toe (B, REBT) omdat gedragsverandering altijd al een belangrijk element in
zijn behandelmethode is geweest.
Beck; Noemde de methode die hij ontwikkelde cognitieve therapie.
Beide hebben zoekschema’s en therapeutische procedures ontwikkeld om disfunctionele
interpretaties en schema’s op te sporen en corrigeren. Er is vooral een verschil op niveau van
de therapeutische context.
Verschillen tussen Beck en Ellis:
Beck probeert zo veel mogelijk de patiënt zelf zijn disfunctionele gedachten in kaart te laten
brengen en te laten bijstellen (socratisch dialoog) en Ellis maakt meer gebruik van
overreding en confrontatie om de patiënt tot andere interpretaties te stimuleren.
Beck beschouwt zijn methode als een specifieke psychotherapeutische methode en Ellis meer
als een stijl van leven.
Becks schemamodel heeft zich ook veel meer opengesteld voor wetenschappelijk onderzoek,
Ellis bleef op afstand van de academische wereld.
Een derde soort cognitieve therapie is Meichenbaums cognitieve gedragsmodificatie, om
disfunctioneel gedrag te veranderen moesten patiënten zich eerst bewust worden van de
gedachten die hun gedrag aansturen (ging meer in op de O-factor). Bij deze methode ligt de
nadruk dus veel meer op het veranderen van gedrag in plaats van het eerst onderzoeken en
begrijpen ervan.
Het cognitieve model (Beck); de nadruk ligt sterk op de invloed die cognities hebben op het
voelen en handelen. Cognities kunnen worden gezien als cognitieve representaties, zoals taal
(in de vorm van gedachten), motorische en visuele representaties. Emotionele reacties zijn in
sterke mate afhankelijk van de manier waarop de gebeurtenis/situatie worden geïnterpreteerd.