Werkgroepuitwerkingen door D.S. Altena
Week 1: Grondslagen van het bestuursprocesrecht en bevoegdheidsverdeling
A) Werkgroepvragen over Changoe/Staat & Benthem
1. Inzake welke vorderingen is de burgerlijke rechter blijkens het arrest altijd
bevoegd, ook al bestaat er een rechtsgang bij de bestuursrechter?
De burgerlijke rechter is altijd bevoegd bij zaken schadevergoeding/ OD. Zie ook 3.2.
“Wanneer een administratieve rechter bevoegd is van een geschil
kennis te nemen, doet zulks in het algemeen niet af aan de
bevoegdheid van de burgerlijke rechter op grond van art. 2 Wet RO,
met name niet aan zijn bevoegdheid met betrekking tot vorderingen uit
onrechtmatige daad. Wel dient de eiser door de burgerlijke rechter niet
ontvankelijk te worden verklaard, wanneer, kort gezegd, de
administratieve rechter voldoende rechtsbescherming biedt”
2. Wat wordt door de Hoge Raad met zijn ruime bevoegdheidsleer nagestreefd?
Dat de burger een zo volledig mogelijke bescherming wordt geboden door het mogelijk te
maken dat meerdere rechters bevoegd zijn.
3. Stelling: “Deze ruime bevoegdheidsleer betekent dat de burgerlijke rechter altijd
toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil”
Dit is onjuist. De burgerlijke rechter komt enkel toe aan inhoudelijke beoordeling, indien er
geen weg naar de bestuursrechter is die met voldoende waarborgen is bekleed.
4. Hoe verhoudt het Changoe-arrest zich tot artikel 112 GW?
In art. 112 GW staat:
1.
Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over
schuldvorderingen.
2.
De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij
aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze
van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.
Het Changoe-arrest verhoudt zich tot dit artikel 112 omdat het daarbij aansluit.
5. Hoe verhoudt het Changoe-arrest zich tot EHRM 23 oktober 1985, A-97
(Benthem; o.a. gepubliceerd AB 1986/1)?
In het Benthem-arrest ging het meer specifiek over het kroonberoep en dit werd in dit arrest
afgeschaft, want er werd geoordeeld (later bij het EHRM dan) dat dit geen
onafhankelijk/onpartijdig gerecht is (de kroon). Dus…
B) Werkgroepvragen hoofdfuncties van het bestuursprocesrecht
1
,1. In een stelsel van bestuursprocesrecht kan de nadruk liggen op a) handhaving van het
objectieve recht, b) individuele rechtsbescherming of c) geschilbeslechting. Geef van elk
van deze begrippen een omschrijving.
Handhaving van het objectieve recht = ervoor zorgen dat de algemene regels worden
nageleefd, door te handhaven wanneer dit niet gebeurt. Tegenwoordig sprake van
versmalling, dus van verandering van objectieve bescherming – van het algemeen belang,
naar subjectief – individuele rechtsbescherming.
Individuele rechtsbescherming: rechtsbescherming van het individu.
Geschilbeslechting: oplossen van een geschil tussen burgers, maar in het bestuursrecht:
tussen bestuursorgaan en belanghebbende.
2. Het stelsel dat we op dit moment in Nederland hebben, heeft kenmerken van elk van
de drie. Noem een of meer kenmerken van het stelsel die in verband kunnen worden
gebracht met:
a) de handhaving van het objectieve recht;
b) individuele rechtsbescherming;
c) geschilbeslechting.
Ik vind dit een vage vraag, maar; ons stelsel kent handhaving van het objectieve recht. We
willen naast individuele bescherming dat het objectieve recht wordt nageleefd. In een extreem
geval zou je, als je dat wilt in absolute vorm, alles moeten toestaan; iedereen zou dan in
beroep/bezwaar moeten mogen en tegen alle besluiten zou dit mogelijk moeten zijn. In die
extreme vorm kennen we dit echter niet. Er is dus wel sprake van handhaving van het
objectieve recht, maar niet in die extreme vorm. We kennen het in een mildere vorm. We
hebben een vorm waarbij individuele rechtsbescherming centraal staat; niet tegen alle
besluiten kan beroep worden ingesteld, alleen een belanghebbende kan dit en de rechter toetst
alleen de beroepsgronden. Geen idee wat ik over geschilbeslechting kan zeggen, enkel dat we
dit kennen.
Handhaving: ambtshalve toetsen is een voorbeeld hiervan.
Individuele rechtsbescherming: bij relativiteitsvereiste zie je dit terug, art. 8:69a Awb. Ook in
het belanghebbende begrip.
3. Stel dat de wetgever de nadruk in het stelsel van bestuursrechtspraak meer zou willen
leggen op handhaving van het objectieve recht en minder op individuele
rechtsbescherming dan nu het geval is, zou dat wel/geen consequenties kunnen hebben
voor de volgende onderwerpen?
a) het belanghebbend begrip.
Dit zou voor het belanghebbendenbegrip zeker invloed hebben, omdat bij een nadruk op
handhaving van het objectieve recht het belanghebbendenbegrip veel ruimer zou worden.
b) de gelding van de relativiteitseis.
2
, De relativiteitseis staat in art. 8:69a Awb en houdt in dat een besluit niet wordt vernietigd
vanwege strijd met een regel of beginsel, indien die regel of het beginsel niet strekt tot
bescherming van diegene zijn/haar belangen. In geval van meer nadruk op handhaving van
objectieve recht, zou de rechter ook dingen bij zijn besluitvorming mogen betrekken die de
belanghebbende niet zelf aandraagt. Dit zou voor de relativiteitseis dus wel uitmaken, want
daardoor wordt hetgeen de rechter mag gebruiken om een besluit te vernietigen juist kleiner.
Bovenstaande antwoorden zijn juist.
C) Werkgroepvragen absolute en relatieve competentie
Welke rechter(s) in eerste aanleg en/of in hoger beroep is (zijn) bevoegd terzake
van:
1. Een besluit van de burgemeester van Groningen tot toepassing
van bestuursdwang om een einde te maken aan een overtreding
van het verbod uit de Noodverordening om met 3 personen of
meer in de openbare ruimte samen te komen zonder dat de
afstand tot andere personen minder dan 1,5 meter bedraagt.
Absolute competentie: De hoofdregel is dat de rechtbank bevoegd is in eerste
aanleg, art. 8:1 jo. Art. 8:6 lid 1 Awb. Een uitzondering hierop kan staan in de
bevoegdheidsregeling, bijgevoegd bij de Awb. Ik heb geen uitzondering
gevonden, dus mij lijkt de rechtbank in eerste aanleg bevoegd.
Relatieve competentie: art. 8:7 Awb. Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats
Groningen.
Hoger beroep: Ik denk de ABRvS, omdat zij bevoegd zijn op gebied van
omgevingsrecht, waar dit volgensmij betrekking op heeft. Hoofdregel = art.
8:105 lid 1 Awb. Uitzonderingen staan in hoofdstuk 4 van de
bevoegdheidsregeling. Lijkt hier niet van toepassing, althans; ik kan de
uitzondering niet vinden.
2. Een besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat tot
toepassing van bestuursdwang om een einde te maken aan een
overtreding van een verbod tot het hamsteren van goederen (art.
3 en art. 6a. Hamsterwet).
Hoofdregel = bestuursrechter, art. 8:4 jo. Art. 8:6 lid 1 Awb. Mogelijk
uitzondering; hoofdstuk 2 bijlage. Hier is sprake van een uitzondering, de
Hamsterwet is genoemd in art. 4 lid 2 van de bevoegdheidsregeling. Beroep
moet worden ingesteld bij het CBB.
Hoger beroep = hoofdregel is art. 8:104 jo. Art. 8:105 Awb. Lijkt geen sprake te
zijn van uitzondering, dus gewoon bij ABRvS.
3. Een boete van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) opgelegd
aan Bkorn bouwsystemen b.v. een boete opgelegd van € 305.000,-
wegens overtreding van artikel 6 Mededingingswet.
3