Juridische vaardigheden
Week 1
Redeneringen
Een betoog bestaat uit verschillende redeneringen die gezamenlijk tot een stellingname
leiden. Een redenering is een set van beweringen waarvan er één de conclusie is, en de
andere beweringen (de premissen) worden gebruikt om deze conclusie te onderbouwen. De
premissen dienen als argumenten die de conclusie ondersteunen.
In een redenering wordt de conclusie afgeleid van de premissen, en dit kan in verschillende
stappen gebeuren. Elke conclusie die in een redenering wordt getrokken, kan op zijn beurt
weer als premisse dienen in een andere redenering, waardoor een netwerk van
redeneringen ontstaat dat gezamenlijk het betoog opbouwt. Kort samengevat, een
redenering heeft een aantal premissen (P1, P2, ..., Pn), die samen een conclusie (C)
ondersteunen.
Geldigheid en waarheid
Om te beoordelen of een conclusie overtuigend is, moeten we twee dingen goed bekijken:
1. Waarheid van de premissen: De premissen moeten waar zijn. Als rechters zich nooit
vergisten, of als we de gevolgen van de doodstraf konden terugdraaien, zou de
redenatie niet kloppen. Dus de premissen moeten feitelijk juist zijn om de conclusie
te ondersteunen.
2. Logische relatie tussen premissen en conclusie: De conclusie moet logisch volgen uit
de premissen. Dit betekent dat als de premissen waar zijn, de conclusie
onvermijdelijk waar moet zijn. Een redenering is alleen geldig als er een juiste,
logische link bestaat tussen wat wordt beweerd (de premissen) en de conclusie die
eruit volgt.
Met andere woorden, voor een sterke redenering moeten zowel de premissen kloppen als
de conclusie logisch voortkomen uit die premissen.
Enkelvoudige argumentatie
Bij het analyseren van de argumentatie kunnen we onderscheiden hoe de argumenten zich
tot elkaar en tot de conclusie verhouden. Het eenvoudigste geval is een enkelvoudige
argumentatie, waarbij één bewering door één argument wordt ondersteund. Bijvoorbeeld,
als de bewering wordt gedaan dat de verdachte ontslagen moet worden van
rechtsvervolging, en als dit argument is dat het bewezen feit niet strafbaar is, dan betreft dit
een enkelvoudige argumentatie. Voor de signaalwoorden gebruik je een want-dusproef.
Signaalwoorden argument: want, omdat, aangezien, immers
Signaalwoorden standpunt: dus, derhalve, hieruit volgt dat
1
, Meervoudige argumentatie
Vaak wordt een bewering ondersteund door meerdere argumenten, die ieder op zichzelf
een reden geven om de bewering te accepteren. Dit noemen we een meervoudige
argumentatie. Bijvoorbeeld, de bewering dat het gerechtvaardigd is om mensen te straffen
kan ondersteund worden door het argument dat straf afschrikwekkend werkt en door het
argument dat de misdadiger straf verdient.
Signaalwoorden: overigens, trouwens, ten overvloede, ten eerste
Nevenschikkende argumentatie
Bij nevenschikkende argumentatie zijn meerdere argumenten nodig die samen de conclusie
rechtvaardigen. Deze argumenten zijn onderling afhankelijk en kunnen niet afzonderlijk de
conclusie ondersteunen. Een voorbeeld hiervan is de modus ponens, zoals in de redenering:
"Als u zich beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, wordt u gestraft" (P1)
en "U laat zich beledigend uit over een groep mensen wegens hun ras" (P2), waarna de
conclusie volgt dat "U wordt gestraft" (C). De conclusie volgt pas als beide premissen samen
worden genomen.
Signaalwoorden: daarbij komt, sterker nog, zelfs, bovendien, daarnaast
Week 2
Geldigheid en waarheid
Beoordelingsdimensies voor redeneringen:
Waarheid/aanvaardbaarheid van de premissen: De premissen moeten overeenkomen
met de werkelijkheid. Als de premissen niet kloppen, kan de conclusie ook niet als waar
worden beschouwd, zelfs als de redenering logisch is.
Geldigheid van de redenering: De conclusie moet logisch volgen uit de premissen. De
conclusie moet een logisch gevolg zijn van wat in de premissen staat. Als de conclusie
niet volgt uit de premissen, is de redenering ongeldig.
Soorten kritiek
Externe kritiek: Je bestrijdt de waarheid van de premissen. Je kijkt naar de werkelijkheid
buiten de redenering. Je zegt bijvoorbeeld: "Jij gaat ervan uit dat rechters feilbaar zijn,
maar dat klopt niet!" Je kijkt dus naar de werkelijkheid buiten de redenering.
Interne kritiek: Je bestrijdt de geldigheid van de redenering zelf. Je focust op de interne
relatie tussen premissen en conclusie, ongeacht of de premissen waar zijn. Je zegt
bijvoorbeeld: "Ook al zou het waar zijn dat rechters feilbaar zijn, dan betekent dat nog
niet dat de doodstraf onwenselijk is." Hier richt je je niet op de waarheid van de
premissen, maar kijk je of de conclusie logisch volgt uit de premissen.
Logische geldigheid
2
Week 1
Redeneringen
Een betoog bestaat uit verschillende redeneringen die gezamenlijk tot een stellingname
leiden. Een redenering is een set van beweringen waarvan er één de conclusie is, en de
andere beweringen (de premissen) worden gebruikt om deze conclusie te onderbouwen. De
premissen dienen als argumenten die de conclusie ondersteunen.
In een redenering wordt de conclusie afgeleid van de premissen, en dit kan in verschillende
stappen gebeuren. Elke conclusie die in een redenering wordt getrokken, kan op zijn beurt
weer als premisse dienen in een andere redenering, waardoor een netwerk van
redeneringen ontstaat dat gezamenlijk het betoog opbouwt. Kort samengevat, een
redenering heeft een aantal premissen (P1, P2, ..., Pn), die samen een conclusie (C)
ondersteunen.
Geldigheid en waarheid
Om te beoordelen of een conclusie overtuigend is, moeten we twee dingen goed bekijken:
1. Waarheid van de premissen: De premissen moeten waar zijn. Als rechters zich nooit
vergisten, of als we de gevolgen van de doodstraf konden terugdraaien, zou de
redenatie niet kloppen. Dus de premissen moeten feitelijk juist zijn om de conclusie
te ondersteunen.
2. Logische relatie tussen premissen en conclusie: De conclusie moet logisch volgen uit
de premissen. Dit betekent dat als de premissen waar zijn, de conclusie
onvermijdelijk waar moet zijn. Een redenering is alleen geldig als er een juiste,
logische link bestaat tussen wat wordt beweerd (de premissen) en de conclusie die
eruit volgt.
Met andere woorden, voor een sterke redenering moeten zowel de premissen kloppen als
de conclusie logisch voortkomen uit die premissen.
Enkelvoudige argumentatie
Bij het analyseren van de argumentatie kunnen we onderscheiden hoe de argumenten zich
tot elkaar en tot de conclusie verhouden. Het eenvoudigste geval is een enkelvoudige
argumentatie, waarbij één bewering door één argument wordt ondersteund. Bijvoorbeeld,
als de bewering wordt gedaan dat de verdachte ontslagen moet worden van
rechtsvervolging, en als dit argument is dat het bewezen feit niet strafbaar is, dan betreft dit
een enkelvoudige argumentatie. Voor de signaalwoorden gebruik je een want-dusproef.
Signaalwoorden argument: want, omdat, aangezien, immers
Signaalwoorden standpunt: dus, derhalve, hieruit volgt dat
1
, Meervoudige argumentatie
Vaak wordt een bewering ondersteund door meerdere argumenten, die ieder op zichzelf
een reden geven om de bewering te accepteren. Dit noemen we een meervoudige
argumentatie. Bijvoorbeeld, de bewering dat het gerechtvaardigd is om mensen te straffen
kan ondersteund worden door het argument dat straf afschrikwekkend werkt en door het
argument dat de misdadiger straf verdient.
Signaalwoorden: overigens, trouwens, ten overvloede, ten eerste
Nevenschikkende argumentatie
Bij nevenschikkende argumentatie zijn meerdere argumenten nodig die samen de conclusie
rechtvaardigen. Deze argumenten zijn onderling afhankelijk en kunnen niet afzonderlijk de
conclusie ondersteunen. Een voorbeeld hiervan is de modus ponens, zoals in de redenering:
"Als u zich beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, wordt u gestraft" (P1)
en "U laat zich beledigend uit over een groep mensen wegens hun ras" (P2), waarna de
conclusie volgt dat "U wordt gestraft" (C). De conclusie volgt pas als beide premissen samen
worden genomen.
Signaalwoorden: daarbij komt, sterker nog, zelfs, bovendien, daarnaast
Week 2
Geldigheid en waarheid
Beoordelingsdimensies voor redeneringen:
Waarheid/aanvaardbaarheid van de premissen: De premissen moeten overeenkomen
met de werkelijkheid. Als de premissen niet kloppen, kan de conclusie ook niet als waar
worden beschouwd, zelfs als de redenering logisch is.
Geldigheid van de redenering: De conclusie moet logisch volgen uit de premissen. De
conclusie moet een logisch gevolg zijn van wat in de premissen staat. Als de conclusie
niet volgt uit de premissen, is de redenering ongeldig.
Soorten kritiek
Externe kritiek: Je bestrijdt de waarheid van de premissen. Je kijkt naar de werkelijkheid
buiten de redenering. Je zegt bijvoorbeeld: "Jij gaat ervan uit dat rechters feilbaar zijn,
maar dat klopt niet!" Je kijkt dus naar de werkelijkheid buiten de redenering.
Interne kritiek: Je bestrijdt de geldigheid van de redenering zelf. Je focust op de interne
relatie tussen premissen en conclusie, ongeacht of de premissen waar zijn. Je zegt
bijvoorbeeld: "Ook al zou het waar zijn dat rechters feilbaar zijn, dan betekent dat nog
niet dat de doodstraf onwenselijk is." Hier richt je je niet op de waarheid van de
premissen, maar kijk je of de conclusie logisch volgt uit de premissen.
Logische geldigheid
2