Week 1
Voorwaarden voor een geldige totstandkoming van een rechtshandeling
Artikel 3:33 BW geeft aan wat voor een rechtshandeling nodig is: een rechtshandeling vereist
een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. In dit
artikel, dat een wilsverklaring als vereiste stelt, komt het wezenskenmerk van de
rechtshandeling aan het licht: haar gerichtheid op een of meer rechtsgevolgen. De
rechtshandeling is gedefinieerd als een handeling die op rechtsgevolg is gericht. Voorbeelden
- uit zeer vele - zijn het sluiten van een koop- of arbeidsovereenkomst en het opzeggen van
een huurcontract.
Kenmerkend voor het rechtsfeit ‘rechtshandeling’ is dat het rechtsgevolg door de
handelende partijen is beoogd/gewild. Een rechtsfeit kan echter ook een rechtsgevolg
teweegbrengen die door de handelende partij mogelijk niet is gewild. We noemen twee
rechtsfeiten waarbij de wil van de handelende partij irrelevant is:
1. De onrechtmatige daad; en
2. De rechtmatige daad.
De onrechtmatige daad is geregeld in art. 6:162 BW. Het plegen van een onrechtmatige daad
is een rechtsfeit, maar het is geen rechtshandeling, omdat voor het intreden van het gevolg
niet is vereist dat de dader het rechtsgevolg ook heeft beoogd.
Rechtsfeiten
Feiten waaraan géén juridische consequenties zijn verbonden (zoals het rondkijken in een
winkel) zijn géén rechtsfeiten. Feiten waar wél juridische consequenties aan zijn verbonden
noemen we uiteraard rechtsfeiten. Als we het hebben over rechtsfeiten kunnen we een
onderscheid maken tussen:
Blote rechtsfeiten
Menselijke handelingen.
Een bloot rechtsfeit is bijvoorbeeld het overlijden van een rechtssubject. Als we het hebben
over menselijke handelingen kunnen we een onderscheid maken tussen:
Rechtshandelingen
Feitelijke handelingen
Meerzijdig en eenzijdig
Rechtshandelingen kunnen worden ontleed in meerzijdige en eenzijdige rechtshandelingen.
De meerzijdige rechtshandeling laat zich omschrijven als een rechtshandeling - dus
een op rechtsgevolg gerichte handeling - die door meer dan één persoon wordt
verricht. Het prototype van deze meerzijdige rechtshandelingen is de overeenkomst,
die tot stand wordt gebracht doordat de ene persoon een aanbod doet, dat door een
andere persoon wordt aanvaard (6:217).
o Wederkerige overeenkomst: volgens art. 6:261 BW is er sprake van een
wederkerige overeenkomst ‘indien elk van beide partijen een verbintenis op
zich neemt ter verkrijging van de prestatie waartoe de wederpartij zich
daartegenover jegens haar verbindt.’
1
, o Eenzijdige overeenkomst: bij een eenzijdige overeenkomst bestaat of bestaan
er slechts aan één zijde een of meer meerdere verbintenissen.
De eenzijdige rechtshandeling kan door slechts één persoon tot stand wordt
gebracht.
o Ongerichte eenzijdige rechtshandeling: Deze is niet gericht tot een bepaalde
persoon. Omdat ze tot niemand is gericht, hoeft ze voor haar geldigheid ook
niet aan een of meer personen ter kennis zijn gebracht. Een voorbeeld is het
opmaken van een testament.
o Gerichte eenzijdige rechtshandeling: Deze is juist wél tot een of meer
bepaalde personen gericht. De rechtshandeling moet, om geldig te zijn, de
persoon in kwestie ook hebben bereikt. Een voorbeeld is het opzeggen van de
huur door de huurder. Deze opzegging moet de verhuurder ook daadwerkelijk
hebben bereikt!
Voorwaarden voor een geldige overeenkomst
Een obligatoire overeenkomst is verbintenisscheppend, waardoor partijen zelfstandig
onderlinge rechtsbetrekkingen kunnen aanknopen. Een verbintenis is een
vermogensrechtelijke rechtsbetrekking die geldt voor twee of meer personen, waarbij er één
belast is met een bepaalde handeling (prestatie), en de ander recht heeft op deze handeling.
De totstandkoming van een overeenkomst geschiedt door een aanbod en aanvaarding van de
betreffende overeenkomst, art. 6:217 BW. Het aanbod is de wilsverklaring, dit is ook wel de
rechtshandeling die aan de overeenkomst voorafgaat. De aanvaarding van deze
wilsverklaring zorgt ervoor dat er een overeenkomst ontstaat. Daarnaast vloeien er rechten
en verplichtingen voort uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid,
als daar verder geen andere afspraak over is gemaakt, zie art. 6:248 BW. Een aanbod vervalt
op drie manieren:
1. Door herroeping. Het aanbod is herroepelijk, tenzij het tegendeel blijkt. De
herroeping kan echter natuurlijk niet meer geschieden als het aanbod al is aanvaard,
of als al een aanvaardingsmededeling is verzonden. Soms kan een aanbod in het
geheel niet worden herroepen.
2. Door tijdsverloop. Bij een aanbod waarin geen tijd is gesteld, geldt dat een
mondeling aanbod vervalt wanneer het niet onmiddellijk wordt aanvaard. Bij een
schriftelijk aanbod dient binnen een redelijke termijn te worden aanvaard. Bij een
aanbod waarin wel een tijd is gesteld, vervalt het aanbod (logischerwijs) bij het
verstrijken van de termijn.
3. Doordat het wordt verworpen.
Verklaring
Het eerste lid van art. 3:37 geeft uitdrukking aan het beginsel van het consensualisme: dat
een wilsverklaring in iedere vorm kan geschieden, is regel; dat een bijzondere vorm in acht
moet worden genomen, is uitzondering.
2
, Stilzwijgende wilsverklaringen
Volgens art. 3:37 lid 1 kunnen verklaringen ook in een of meer gedragingen besloten liggen.
Met een handgebaar of een hoofdknik kan men zijn wil evengoed verklaren als met woorden
(gesproken of geschreven). Men spreekt wel van 'stilzwijgende wilsverklaringen'.
Ook zuivere passiviteit kan een verklaring inhouden. Dat men 'niets' deed, kan - afhankelijk
van de context de betekenis van een rechtshandeling hebben. Steeds hangt het ervan af wat
de wederpartij (of geadresseerde) in de gegeven omstandigheden uit het gedrag
redelijkerwijs mocht afleiden.
Ontvangsttheorie
Artikel 3:37 lid 3 betekent in de eerste plaats dat de verklaring die de wederpartij niet of niet
tijdig bereikt, nimmer werking verkrijgt. De afzender heeft weliswaar zijn wil verklaard, maar
hij heeft dat niet gedaan ten opzichte van zijn wederpartij. Uit art. 3:37 lid 3 volgt behalve
dat de verklaring die de wederpartij niet of niet tijdig bereikt geen werking heeft, ook dat het
moment van bereiken beslissend is voor het tijdstip waarop de verklaring haar werking krijgt
en waarop derhalve de rechtshandeling tot stand komt (ervan uitgaande dat aan de
geldigheid van de rechtshandeling verder niets in de weg staat).
Intrekking van een verklaring
Een verklaring die nog niet is ontvangen, kan men intrekken door haar met een door een
sneller communicatiemiddel overgebrachte verklaring 'in te halen'; de verklaring houdende
intrekking moet de wederpartij eerder dan of gelijktijdig met de ingetrokken verklaring
bereiken (3:37 lid 5). De mogelijkheid van intrekking hangt samen met het beginsel dat een
verklaring eerst door ontvangst haar werking krijgt. Zolang de in te trekken verklaring nog
niet is ontvangen, werkt ze niet en intrekking voorkomt dat ze dat bij ontvangst alsnog zal
doen.
Beginselen
De nakoming van toezegging en/of afspraken: indien dit niet gebeurt wordt het
maatschappelijke leven ernstig ontwricht.
Gerechtvaardigd vertrouwen: dit vertrouwen mag niet worden beschaamd, met
name niet als dit gebaseerd is op wat een ander op een bepaald moment zegt of lijkt
te willen.
Het beginsel dat mensen een bepaalde maten van zorgvuldigheid dienen te
betrachten. Gevaar moet voorkomen worden en er moet rekening gehouden worden
met de gerechtvaardigde belangen van anderen. Dit beginsel is verbonden met de
onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).
Drie begrippen nemen een centrale plaats in binnen het verbintenissenrecht:
Goede trouw: dit wil zeggen dat een persoon niet wist of behoorde te weten dat een
rechtshandeling gedaan is door iemand die hier niet toe bevoegd was (art. 3:11 BW).
Indien iemand zich hierop wil beroepen is er wel sprake van een betrekkelijk
vergaande onderzoeksplicht. Het niet weten moet ‘te goeder trouw’ zijn om er een
beroep op te kunnen doen.
3